De wind laat zeventien dagen voorbijgaan.
Hij keert terug naar het strand en speelt met het zand.
Hij richt het woord tot een groep van dertig zandkorrels.
Zij gieren het uit.
De wind valt stil.
De zandkorrels wachten.
De wind herneemt.
De zandkorrels lachen en dansen.
De wind valt stil en herneemt, nogmaals.
De zandkorrels applaudisseren.
De wind maakt een buiging.
De zandkorrels buigen mee.