IS ER DAN NOG WATER?

“Ach Nikki, ik hoor niet thuis in deze tijden. Als ‘tijd’ een metselwerk is, kan ik dan in de voegen kruipen, en aan de andere kant van dat metselwerk terug naar buiten komen? Misschien kom ik zo in de negentiende eeuw? Sta ik dan tussen de arbeiders, aan de poort van een van de grijze fabrieken? Of misschien in de ijstijd? Is mijn ik dan levensvatbaar, Nikki, in die ijstijd? Of misschien kruip ik via de voegen naar de toekomst, die van 2552, bestaat onze aarde nog in het jaar 2552? Is er dan nog water, goede lucht, heeft de mens een oplossing gevonden voor de vervuiling? Hoe ziet onze planeet er uit in die verre toekomst, Nikki? Koel, koud? Gereinigd? Steriel? Bestaat ze dan nog, denk je?”
“Jef, je moet daar niet over nadenken. Tijd is geen metselwerk en je kunt niet langs de voegen reizen.”
“Weet je dat zeker, Nikki?”

Ik wist niet wat zeggen. Jef zweeg ook en dook achter de beschutting van zijn pijp. Hij vulde ze, liet ze in zijn hand op zijn schoot rusten en bleef naar haar kijken. Ik stond op maar Jef deed alsof hij dat niet merkte.

“Tot later, Jef,” zei ik, maar dat was zinloos. Jef was niet meer bij mij in de kamer.

EscherOmhoogOmlaag
Escher. ‘Omhoog, omlaag.’

Advertenties

HET JONGETJE EN DE KNIKKER

Ladder to the moon, georgia o'keeffe

Het jongetje zegt ik wil de knikkers.
Het jongetje zegt ik wil mijn twee of drie vrienden.
Het jongetje leunt met zijn voorhoofd tegen het koele glas van het raam, het voelt koud, hij heft het hoofd twee of drie centimeter om de koude niet meer te voelen en hij houdt de straat in de gaten.
Het jongetje vraagt waar zijn mijn vrienden?

Hij zegt nog eens hij wil de knikkers en hij haalt ze alvast uit de kast en hij speelt, alleen. De vrienden zijn er niet, ze zijn op school, het jongetje loopt nog eens tot vlakbij het raam, kijkt en kijkt. Hij heeft drie knikkers in de linkerhand. Knikker 1 valt, knikker 2 valt, knikker 3 is speciaal. Knikker 3 is helemaal wit, met een ragfijne gouden draad, onvoelbaar, onzichtbaar – bijna.

Het jongetje bewaakt de ene knikker. Hij geeft hem nooit af, ’s nachts ligt de knikker onder zijn hoofdkussen, overdag zit hij in zijn linker broekzak.
Het jongetje kijkt, door het raam, naar de straat.
De school is nog altijd niet uit.
Hij neemt de witte knikker met de ragfijne gouden draad en legt hem in de palm van zijn hand. Hij strekt de hand. De knikker beweegt, een millimeter naar rechts, een millimeter naar links. De knikker blijft, de gouden draad blijft, zo fijn.
Nu is de school bijna uit.
Het jongetje neemt de mooiste knikker, steekt hem terug in zijn linker broekzak maar omknelt hem. Het jongetje voelt, en ziet nog steeds het fijne ragfijne, de ielgouden draad, op het wit.

(sic, natuurlijk)

Afbeelding:Ladder to the Moon, Georgia O’Keeffe, via http://biblioklept.org/2014/02/12/ladder-to-the-moon-georgia-okeeffe/

WERKT GELIJK ZOT EN EEN JONG KOPPEL

Helaba ’t is lente en die jongen zit daar maar te werken en te oefenen en opnieuw te oefenen en te werken

– gelijk zot.

– en hij danst door zijn werk en kruipt er in en weer uit en voelt de lucht in zijn vingers en werkt en dreunt en werkt en slaagt er zelfs in om de lente en de andere dansende mensen uit te beelden.

– en hij zegt: “Kijk, het is mooi weer, de mensen lopen en masse door de stad, naar hun werk, de ene ellenboog botst tegen de andere en hier en daar laat iemand zijn aktentas openvallen, de papieren dwarrelen over de metroroosters, de man bukt zich, of kijk, ze lopen door het bos, en de bomen kunnen praten en de dieren ook en eentje heeft zin in ruzie en die vertelt eerst een verhaal en trippelt trappelt dan met woorden op de rand van een ruzie, maar de andere dieren hebben vooral zin in noten en bladeren en zwieren aan de takken van de hoge bomen.”

En de jongen werkt en werkt en ploetert met zijn handen alsof het niks is, hij beleeft er plezier aan en zelfs tijdens de pauze blijft hij bezig, en hij vertelt een liefdesverhaal, een jong koppel, zij zitten in het malse gras achter het huis, de beek borrelt, de lucht is blauw en blijft blauw, ze zijn verliefd en vleien zich in elkaars armen, ze zeggen niks meer maar kijken naar het gras en de lucht en het beekje, tot een merel en een mus, tot een uil, tot een roodborstje, tot zeven miljoen vlinders, uiteindelijk.

“Ach,” zucht de werkende jongen en hij gooit een ander verhaal over de boeg, eerst een aarzeling, een niks, een stilstand, dan neemt hij nieuwe adem en hij vertelt over een ouder wordende man die nog geniet van het leven, de man kijkt naar de voorbijfietsende jeugd in hun dwarrelende rokjes en shorts en hij luistert naar hun gekwetter en gelach, tot hij een meisje ziet, zij heeft tranen in de ogen en fietst blindelings, de andere volgend en hij vraagt zich af

De jongen wordt stil.

Hij leunt achterover.

Hij denkt na over de voorbije jaren, gooit ze dan over zijn schouder, werkt nog even door, denkt ondertussen aan morgen, herinnert zich het goede weer, kijkt, ziet de haast van de pendelaars en denkt er aan dat die ook nog brood en vlees en groenten moeten kopen en hij schrijft het op hun lijst, ze lopen naar het metrostation of naar de autobushalte of naar de parking en ze stappen in hun auto, waar is die lijst ook alweer en ze toeteren op de chauffeur van een geparkeerde vrachtwagen, wat bezielt die vent? En ze zeggen ‘o ja dit nog en dat nog’ tot ze weer kunnen vertrekken.

De jongen is nog altijd stil maar hij werkt zich te pletter, hij weet het is lente en hij ademt diep in, en weer uit.

(Sprookjes incl.)

(Soms zijn de tags voor intern gebruik. Opdracht volgt nog – later.)

ONVINDBAAR

Iedereen zoekt en roept, iedereen loopt het huis van Jef in en uit, ze kijken in zijn slaapkamer, ze kijken op de zolder, ze kijken bij de paarden maar zelfs daar is hij niet. Op den duur bellen de buren de politie. Ze moeten een dag of wat wachten en dan zal er een zoekactie opgestart worden. Ondertussen blijven de buren roepen en zoeken, niet veel later zoekt heel de gemeente, de zoekactie komt in de krant en Jefs foto op de televisie. Hij blijft onvindbaar.

Jef is niet ver. In de straat is er een leegstaand huis en van in de tuin ervan  kan Jef  de paarden zien, van in de woonkamer kan hij het heen en weer lopen van de buren, van de politiemensen en van de journalisten zien.

“Dit is beter,” denkt Jef.
Hij klopt zijn pijp uit en neemt zijn tabak.

OOIT EEN VROUW

“Nee, ik heb niemand. Ik had ooit een vrouw maar plots was ze weg, ze was niet van mij, niemand is van iemand.”
We zwegen.
Pulkte Jef in zijn neus? Ik deed alsof ik het niet gezien had.
Hij neuriede een of andere melodie en benadrukte het ritme met zijn handen.
“Hoe komt het dat je een vinger mankeert, Jef?”
Jef rechtte de vingers van zijn linkerhand.
“Een dom ongeluk,” zei hij. “Ik was aan het werk op een afgelegen boerderij. Geen dokter, geen telefoon. Ik brulde van de pijn. “
Weer een stilte.
“Tja, vrouwen,” zei Jef.
Een groep scholieren fietste vrolijk voorbij. De zon nestelde zich in de fleurige rokjes van de jonge studentes. Jef stopte zijn pijp.
“Ze was niet van mij, ze waren niet van mij, ze zijn niet van mij, ze zijn te vluchtig. Zelfs als ze in mijn woonkamer of tuin zitten, zelfs als ze het bed met me delen, ze zijn niet van mij en ze zullen dat nooit zijn.”

fietsen
Afbeelding via www.denmark.dk/en/

ROFFEL

“We hadden zo’n afdak, de regen kon daar een enorm lawaai op maken, dikke druppels als dikke trommels, je kon niet meer horen wat de andere zei.

Ik heb daar vaak gestaan, onder dat afdak.

Nee, het was geen veranda, daar hadden we geen geld voor. Ik nagelde wat balken aaneen, legde er zo’n laag geribbeld plastiek op en de regen veranderde voor altijd in dat overheersende geroffel.”

LEO

Leo kan niet praten, Leo kan niet horen.

Het regent.
Leo hoort de regen niet.
Hij ziet wel dat het licht verandert.
Leo voelt de regen.

Leo voelt ook de zon
en de sneeuw en de hagel,
en de wind en de storm.
Ook die hoort hij niet.

Leo is buiten.
Het waait.
Leo kijkt naar de bladeren van de bomen.
Hij ziet ze bewegen.

Hij staat nu bij een lage struik.
De wind speelt met de takken en de bladeren.
Leo houdt zijn hand in de struik.
Hij voelt het spel van de wind.

Hij ziet een mus.
Ze huppelt en vliegt: van tak naar tak.
Leo’s blik volgt de mus.

Dan ziet Leo de poes van de buren.
Ze zit op het muurtje.
De poes heeft de mus ook gezien.
De poes houdt de mus in de gaten.

De mus vliegt naar de nok van het dak van het volgende huis.
De poes kijkt haar na.
De poes staat op, kromt haar rug, steekt haar staart trots in de lucht en wandelt in de tuin.

Leo gaat naar binnen.
Hij zet de televisie aan.
Hij leest de woorden van een woordspel.
Daarna kijkt hij naar het dansen.
Als hij de klank van de televisie luid genoeg zet, dan voelt hij de trillingen van de klanken.
Leo danst.

Daarna gaat hij slapen.
Hij hoort het niet als hij zelf snurkt!

Leo hoort geen wekker.
Maar hij wordt meestal vanzelf wakker.
Hij is niet gehaast.

Het is al licht buiten.
Leo kijkt uit het raam.
Hij houdt van de velden in de verte.
Hij ontbijt en drinkt een kop koffie.

Hij maakt zich klaar en trekt zijn laarzen aan.
Hij wil door de velden lopen.
Door de velden en naar de rivier.

Leo houdt van de rivier.
Hij waadt over de stenen.
Het water spat tot in zijn laarzen!

Hij wandelt terug naar huis.
Zijn voeten zijn nat en hebben het koud.
Leo vindt dat niet erg.
Hij neemt een bad, midden in de dag.

Daarna bakt hij een ei.
Hij hoort het sissen van de boter niet.

Soms zingt Leo’s keel.
Leo beweegt dan de lippen.
Hij voelt de lichte trilling in zijn keel.

Hij ziet dat het licht verandert en kijkt naar buiten.
Het regent alweer.
Leo gaat naar buiten en vangt de druppels met zijn handen.
Leo houdt van de druppels.

Hij haalt een paraplu en maakt nog een korte wandeling door de straat.
Ria, het buurmeisje, komt net terug van school.
“Dag Leo,” zegt ze.
Hij hoort haar niet, maar hij kent haar glimlach.
Hij glimlacht zelf ook en legt een arm om haar schouders.
Ria loopt mee, onder de paraplu.

Leo begeleidt haar tot bij de voordeur van het huis waar ze woont.
Haar mama had hen reeds zien komen.
“Dag schat,” zegt ze tegen Ria
en “Dag Leo,” zegt ze tegen Leo.
Ze gebaart dat hij even moet wachten.

Ze verdwijnt in de keuken en komt terug met een kommetje soep.
“Hier, Leo. Voor jou.”
Leo is blij met de soep. Hij weet dat ze lekker zal smaken.
Hij glimlacht en gaat terug naar huis.

Thuis warmt hij de soep op.
Het is een grote portie.
Ze is bijzonder lekker.

Leo staat voor het raam en ziet de zonsondergang.
Hij kijkt op de klok en neemt een boek.
Hij leest met volle teugen.
Na een uur of twee kijkt hij nog even televisie.
Dan gaat hij slapen.


Vilhelm Hammershøi (1864-1916), Interior with a Young Man Reading

Afb : Vilhelm Hammershøi (1864-1916), Interior with a Young Man Reading