‘ZIT!’, IN MAX. TWEE BEVELEN

maar in feite kan ‘m alles moeiteloos.

(dit is nog een doorbreken van mijn voorlopige weigering om te schrijven, het is ook een weigering om in vreemde bijna-raadsels te schrijven)

Een enkele oefening vormt misschien (zeker, bedoel ik) een probleem, maar die ene oefening is slechts een onderdeel van een andere, grotere, en overall zou hij toch moeten slagen. Tenzij, natuurlijk, er weer veel te veel omgevingslawaai is, of tenzij het vochtig is, want dan ruikt alles veel sterker. Daarbovenop is er het begin van het vallen van de bladeren, die liggen er iedere keer meer, en die ruiken blijkbaar lekker. Ze nodigen erg uit tot snuffelen, snuffelen, het nieuwsgierige onderzoeken op de wijze van ‘Wat is dit? Ieder blad ruikt anders! Hop, hop naar het volgende en o, o daar nog een!’

(Wat hoorde ik over Joyce en het gewone leven? Ik zou het filmpje helemaal moeten bekijken, maar dat bekijken enzovoort zou niet meer zijn dan nieuwsgierigheid in de stijl van ‘Ik snuffel en snuffel want dit blad ruikt lekker en dat blad ruikt ook lekker en dat blad ook’. De bedoelde schrijf-weigering zal binnenkort vanzelf wegebben en later, jaren later, zal ze, met plezier, terugkomen, volledig overwinnen en eeuwig blijven. Dan zal ik me beperken tot het snoeien van de rozenstruiken, van de olijfboompjes, van de vijgenboom, en tot het wandelen met de hond. Dan zal ik glimlachen zonder dat er daarna een tekst over geschreven moet worden. Ik zal enkel nog kijken naar de bomen, naar de honden, naar de mensen.)

LICHT

Maar ik zou naar binnen moeten gaan, naar boven, naar mijn kamer, en ik zou moeten schrijven en schrijven maar ik doe het niet. Ik blijf hier zitten en kijk naar het licht van de zon in de bomen. Het is een mooi schouwspel, als een golvende zee met veranderende tinten, groen in de plaats van blauw, en ze bewegen en rollen, het is een van de mooiere beelden en ik blijf waar ik ben, beter nog, ik sta op, recht mijn rug en stap een paar meter vooruit, kijk indringend naar dat schitterende schouwspel van dit licht en de duizenden soorten groen, ruisend, bewegend.

NOORDWAARTS

Maar dat van die snee in mijn wenkbrauw is oud. De wonde is al lang genezen en het litteken is amper zichtbaar. Soms valt de flinterdunne lijn in mijn wenkbrauw me op en dan denk ik eraan dat niemand weet wat me echt overkwam. Een mens is gehaast, snelt door het leven en valt, baf!
Maar dat is niet belangrijk. Zulke dingen zijn nooit belangrijk. Zonnebloemen en zwaluwen, ja, zij wel. En de Noordpool en Siberië die branden. En de grote fabrikanten die eindeloze, zinloze en vooral verwoestende plastiek in plastiek in plastiek in plastiek verpakken. Dat dat anno 2019 nog altijd kàn en al te vaak zonder commentaar geslikt wordt, is een schande.

ADEM (NR. 37836)

Gisteren besefte ik dat het hier over enkele dagen minder druk zal zijn. Ik heradem. Waarom heb ik er niet eerder aan gedacht dat deze gekte nooit langer dan een paar maanden duurt? Het is een troost, een warmte, een aangename deken die ik nu voel. Een herademen in de geruststelling. Adem, adem, heradem, diep, diep, nu reeds. En een wee gevoel in mijn hoofd, iets chemisch, lol, zoals alles chemie is, niet meer dan dat.

WE DROMEN, DROMEN

De droom ging over jou. Je zwom in de vijver van Hombeek, je had er plezier in en je wuifde. Een hond sprong in de vijver maar die hond was vergeten dat hij niet kan zwemmen, het was hilarisch, hij spartelde, bleef boven, bereikte waterworstelend de kant. Jij lachte en wuifde weer, de hond sprong opnieuw. Zonovergoten was het, alles.

De volgende droom ging over een groot bord rijpe oranje en rode snoeptomaten, het rode overheerste. Het licht op dat rode, de grootte, weer het licht, het verblindde. Even later nog meer grote borden vol andere kleuren, kleuren, kleuren.

En daarna? Niks, niks. Geen dromen meer. Het leven van alledag. Die ochtend regende het. Ik trok me niets aan van de regen en liep naar de roze en fuchsia gerbera’s. Modekleuren, hypes. Nieuwe bloemen. Wist je dat gerbera’s bloemen in bloemen zijn? Misschien moet ik hier een ‘wistjedat rubriek’ maken. Over bloemen in bloemen en over zwaluwen en kwikstaarten. De zwaluwen broeden lang, de kwikstaarten veel minder lang, de jongen zijn al uitgevlogen en de ouden maakten een nieuw nest, weer op een vreemde plaats, bovenop de linker schuifpoort van de loods achteraan. We zullen die schuifpoort de komende weken niet kunnen gebruiken. De kwikstaarten, ja, het leven van de kwikstaarten.

(Ik ben ik. ‘Jij’ is iemand die ik niet ken. ‘De hond die was vergeten dat hij niet kan zwemmen’ is onze Kenzo maar de hond uit de tekst is me vreemd. De rode snoeptomaten zijn echt, de gerbera’s, kwikstaarten, zwaluwen, uitvliegende jongen en de schuifpoort ook.)

(voor mijn familie. Hier in Londerzeel, maar ook die van Eikevliet, Neerpede en Berkel en Rodenrijs)

ELFENDERTIG

Elf. Elf colli’s in de nachtbox en vandaag moet ik die jammer genoeg zelf uithalen. Dat wordt zeulen, stapelen, snijden, paklijsten vissen. Dan het vaste werk; overlopen, inboeken, etiketten printen, uitpakken, kleven, sorteren, wegleggen of -zetten.
En dan al het andere. Ik kreun.
‘Kafka,’ zeg ik tegen PJ. PJ lacht.
‘Herlees Kafka,’ zegt hij.
Zou het helpen?

Boven mijn hoofd, door de koepel, hoor ik het kabaal van de duiven. Het stoort, maar het zijn maar duiven. ‘Er is niks aan de hand,’ zeggen die. ‘Het is al licht en er is het vooruitzicht van de lente, morgen, overmorgen. ‘Het is licht, LICHT,’ roepen ze. Ik draai mijn hoofd naar links en ik zie het.