LICHT

Maar ik zou naar binnen moeten gaan, naar boven, naar mijn kamer, en ik zou moeten schrijven en schrijven maar ik doe het niet. Ik blijf hier zitten en kijk naar het licht van de zon in de bomen. Het is een mooi schouwspel, als een golvende zee met veranderende tinten, groen in de plaats van blauw, en ze bewegen en rollen, het is een van de mooiere beelden en ik blijf waar ik ben, beter nog, ik sta op, recht mijn rug en stap een paar meter vooruit, kijk indringend naar dat schitterende schouwspel van dit licht en de duizenden soorten groen, ruisend, bewegend.

Advertenties

NOORDWAARTS

Maar dat van die snee in mijn wenkbrauw is oud. De wonde is al lang genezen en het litteken is amper zichtbaar. Soms valt de flinterdunne lijn in mijn wenkbrauw me op en dan denk ik eraan dat niemand weet wat me echt overkwam. Een mens is gehaast, snelt door het leven en valt, baf!
Maar dat is niet belangrijk. Zulke dingen zijn nooit belangrijk. Zonnebloemen en zwaluwen, ja, zij wel. En de Noordpool en Siberië die branden. En de grote fabrikanten die eindeloze, zinloze en vooral verwoestende plastiek in plastiek in plastiek in plastiek verpakken. Dat dat anno 2019 nog altijd kàn en al te vaak zonder commentaar geslikt wordt, is een schande.

ADEM (NR. 37836)

Gisteren besefte ik dat het hier over enkele dagen minder druk zal zijn. Ik heradem. Waarom heb ik er niet eerder aan gedacht dat deze gekte nooit langer dan een paar maanden duurt? Het is een troost, een warmte, een aangename deken die ik nu voel. Een herademen in de geruststelling. Adem, adem, heradem, diep, diep, nu reeds. En een wee gevoel in mijn hoofd, iets chemisch, lol, zoals alles chemie is, niet meer dan dat.

WE DROMEN, DROMEN

De droom ging over jou. Je zwom in de vijver van Hombeek, je had er plezier in en je wuifde. Een hond sprong in de vijver maar die hond was vergeten dat hij niet kan zwemmen, het was hilarisch, hij spartelde, bleef boven, bereikte waterworstelend de kant. Jij lachte en wuifde weer, de hond sprong opnieuw. Zonovergoten was het, alles.

De volgende droom ging over een groot bord rijpe oranje en rode snoeptomaten, het rode overheerste. Het licht op dat rode, de grootte, weer het licht, het verblindde. Even later nog meer grote borden vol andere kleuren, kleuren, kleuren.

En daarna? Niks, niks. Geen dromen meer. Het leven van alledag. Die ochtend regende het. Ik trok me niets aan van de regen en liep naar de roze en fuchsia gerbera’s. Modekleuren, hypes. Nieuwe bloemen. Wist je dat gerbera’s bloemen in bloemen zijn? Misschien moet ik hier een ‘wistjedat rubriek’ maken. Over bloemen in bloemen en over zwaluwen en kwikstaarten. De zwaluwen broeden lang, de kwikstaarten veel minder lang, de jongen zijn al uitgevlogen en de ouden maakten een nieuw nest, weer op een vreemde plaats, bovenop de linker schuifpoort van de loods achteraan. We zullen die schuifpoort de komende weken niet kunnen gebruiken. De kwikstaarten, ja, het leven van de kwikstaarten.

(Ik ben ik. ‘Jij’ is iemand die ik niet ken. ‘De hond die was vergeten dat hij niet kan zwemmen’ is onze Kenzo maar de hond uit de tekst is me vreemd. De rode snoeptomaten zijn echt, de gerbera’s, kwikstaarten, zwaluwen, uitvliegende jongen en de schuifpoort ook.)

(voor mijn familie. Hier in Londerzeel, maar ook die van Eikevliet, Neerpede en Berkel en Rodenrijs)

ELFENDERTIG

Elf. Elf colli’s in de nachtbox en vandaag moet ik die jammer genoeg zelf uithalen. Dat wordt zeulen, stapelen, snijden, paklijsten vissen. Dan het vaste werk; overlopen, inboeken, etiketten printen, uitpakken, kleven, sorteren, wegleggen of -zetten.
En dan al het andere. Ik kreun.
‘Kafka,’ zeg ik tegen PJ. PJ lacht.
‘Herlees Kafka,’ zegt hij.
Zou het helpen?

Boven mijn hoofd, door de koepel, hoor ik het kabaal van de duiven. Het stoort, maar het zijn maar duiven. ‘Er is niks aan de hand,’ zeggen die. ‘Het is al licht en er is het vooruitzicht van de lente, morgen, overmorgen. ‘Het is licht, LICHT,’ roepen ze. Ik draai mijn hoofd naar links en ik zie het.

MOGELIJKE VERVOEGING VAN HET WERKWOORD MOETEN

En dan: groggy. Niks gedronken, niks bijzonders gegeten, op tijd in bed en toch voelt mijn hoofd als een zeef. Ik probeer het weg te ademen, in, uit, in, uit, dieper in, dieper uit. Ik probeer het weg te schudden, van mijn schouders te halen door ze te strekken, te draaien. Niks helpt.

Ik richt mijn blik dan maar op het werk, op de laatste notities van gisteren, op een A5 met framenummer [ha ja ik moet bellen], op de lijsten die eronder liggen, de eindeloze lijsten, de zwarte en blauwe woorden en musts, als houvast van de dag, van de dagen, van de vele.