EN DE TEMPERATUUR BLIJFT STABIEL

Ja ik loop op de rand en of dat veilig is weet ik niet zeker maar ik ben er gerust in. Links zie ik de donder en de bliksem en de hagelinslag en rechts zie ik het groene en het blauwe en daar ben ik Alice in Wonderland. Het is nu eenmaal zo en er komen soms wat beren en hagedissen aan te pas maar van vampiers is al een tijd geen sprake meer, die heb ik kunnen wegjagen en blijkbaar voorgoed.

De rand, jaja, maar geen enkele afgrond. Hier en daar een veilige grot, ik hou me bezig met muurtekeningen. Ik heb enkele hardstalen nagels meegebracht en ik kras en kras, een beitel zou ook handig zijn, dat moet ik onthouden. En een andere ketting en tandwielen van verschillende steek, dan kan ik de snelheden van de tijd en van het licht en het donker aanpassen.

Advertenties

GANSE BOSSEN

Mijnheer Macharis, ik heb u gemist. Ik had het te druk. Maar vanmiddag zag ik een volledige regenboog, pal voor mij, en daardoor dacht ik aan u.
Ja, ik weet het.
Nee.
O, absoluut.
Binnenkort weer iedere dag, hoop ik.
Nee. Waanzin. Grootheidswaanzin, ook. Moto’s, auto’s, bestelwagens. Bestelbonnen. FSMA-dingen.
Ja, dat zei ik, FSMA.
Och. Er was ook het zwichtende zwart, hahaha. Die twee woorden hangen nog steeds in mijn hoofd. Zwichtend zwart. Het licht op het zwart. Door het zwarte het licht. Soulages. Het mooie van zijn werk. Ja, dat was een fijne dag.
En er waren kleurrijke kanttekeningen. Strohalmen. Goede seconden. Adembenemingen. Vreemd, Word keurt dat woord goed. Adembenemingen, adem.
Diepe zucht. Nee, niet vergeten te ademen, ademen. Mijn bloeddruk laag houden, hahaha. Mijn spierscheur laten rusten.
Ja.
Och. Misschien moet ik, naast de prent van de strohalm, ook een foto van het werk van Pierre Soulages naast mij hangen. Vlakbij mijn werk-werk. Misschien moet ik dat ganse stuk muur bekleden met kleine briefkaarten met bijzondere werken van allerlei kunstenaars. Zal ik ze verzamelen?
Toch maar niet.
Ja.
Ja en ja.
Ja, koppig. Ik zeg nog steeds dat het moet.
Ook ja. Het toont me de mensen. Het toont. Het toont.

LILY, LILY

We slapen.
Alles slaapt.
Wij, iedereen, alles. De ganse aardbol. De dieren, de zeeën, de seizoenen.
Stil, stilte, overal. Geen mens, geen dier,

geen plant, geen adem.
Tot plots, ergens, elders, ver, in het oosten: een donderslag, een bliksemschicht.
Tot plots, onverwacht, hier bij mij, in de stilte, dreunend: een lichtgroene scheut met, weinig later, groenblauwe blaadjes,

een nieuwe bloem, Lily.

(en het ‘hier bij mij’ is wel degelijk ‘hier bij mij’ en de spaties staan waar ze moeten staan.)

[ZIJN WE JOHN STEINBECK VERGETEN?

‘In het westen heerste paniek toen het aantal migranten op de wegen steeds toenam. Eigenaars waren doodsbenauwd voor hun bezit. Mensen die nooit honger gekend hadden, zagen de ogen van de hongerigen. Mensen die nooit bijzonder sterk naar iets verlangd hadden, zagen de felle begeerte in de ogen van de migranten. En de mensen in de steden en op het welvarende land van de voorsteden kwamen bijeen om zich te verdedigen; en ze overtuigden zichzelf ervan dat zij goed waren en de indringers slecht, zoals een mens moet doen voor hij gaat vechten. Ze zeiden: Die verdomde Oakies zijn vies en dom. Ze zijn verwilderd, het zijn seksmaniakken. Die verdomde Oakies zijn dieven. Ze stelen alles. Ze hebben geen gevoel voor eigendomsrechten.
En het laatste was waar, want hoe kan een man zonder bezit de zorg om zijn eigendommen kennen? En de mensen zeiden: Ze brengen ziekten in het land, ze zijn smerig. We kunnen ze niet in de scholen toelaten. Het zijn vreemdelingen. Hoe zou je het vinden als je zuster met een van hen verkering kreeg?
De lokale bevolking zweepte zichzelf op tot één wrede massa. Vervolgens vormden ze eenheden, troepen en bewapenden ze zichzelf – met knuppels, met gas, met geweren. Het land is van ons. We moeten die Oakies in bedwang houden. En de mannen die gewapend waren bezaten het land niet eens, ze dachten het te bezitten. En de beambten die ’s avonds exerceerden, bezaten niets, en de kleine winkeliers hadden slechts een lade vol schulden. Maar zelfs een schuld is iets, zelfs een betrekking is iets. De beambte dacht: Ik krijg vijftien dollar per week. Stel je voor dat zo’n verdomde Oakie voor twaalf dollar wil werken? En de kleine winkelier dacht: Hoe kan ik concurreren met een man zonder schulden?
En de migranten stroomden binnen over de wegen, en hun honger en hun nood waren in hun ogen te lezen. Ze hadden geen argumenten, geen systeem waarmee ze hun aanspraken konden doen gelden, niets anders dan hun aantal en hun nood. Als er werk was voor één man, vochten tien man erom – voor een laag loon. Als hij voor dertig cent werkt, werk ik voor vijfentwintig.
Als hij vijfentwintig vraagt, doe ik het voor twintig.
Nee, neem mij, ik heb honger. Ik werk voor vijftien. Ik werk voor eten. De kinderen. Je moet ze zien. Ze krijgen overal puisten en ze kunnen niet goed lopen. Ik heb ze wat fruit gegeven dat van de bomen is gevallen en nu is hun buik helemaal opgezet. Ik wil wel werken voor een stukje vlees.
En dat was goed, want de lonen gingen omlaag en de prijzen bleven hoog. De grootgrondbezitters lachten in hun vuistje en ze stuurden nog meer strooibiljetten rond om nog meer mensen te lokken. En de lonen gingen verder omlaag en de prijzen bleven hoog. En al heel gauw zullen we nu weer slavenhandel hebben.’

John Steinbeck, De Druiven der Gramschap, hoofdstuk 21. ]

(re-blog dd. 16 augustus 2015)

LIEVER

Liever lief, lieve. Liever licht, liever alles liever, lieve. Liefst het licht, alle licht, lieve. Liever meer, liever lief liever, liever, o zo lief, lieve.
Lang lief, langer lief, langzaam licht, lieve. Liever.
Liever leven. Liever lieve leven, eerst het leven, laatst het leven, liefst.
Lichter licht. Lichter liever licht. Lichter liever lief. Ja. Eerst en laatst. Liever, ja, lieve.
Luister, lieve. Luister lief, leven. Luister lang en o zo licht, langzaam. Luister eerst en laatst, liever, echt zo lief, lieve.
Luister leven. Luister rustig. Lief. Stil en zacht. Langzaam, meer nog, lieve.
Echt, luister levens, lieve. Ach, och, oef, lieve. Meer nog, liefde, lieve. Rustig, o zo lichter, lieve. Liever, liever licht, ja, lichter, lieve. Langzaam. Langzaam. Leven, lief en liever. Leef en leef, of leven, lieve. Luister leven. Langer. Rustig, langzaam, lief, ja rustig. Licht en adem, lieve. Lichter. Lief, ja leven. Leven. Liefst zo lief, o ja, zo is het, lieve. Liever liever, lieve.

ELDERS, ERGENS

‘Ik ben er,’ zei hij.

‘Nee, je bent er niet,’ zei zij.

‘Waar ben ik dan?’ vroeg hij.

‘Elders, ergens. Ik weet het niet, maar hier ben je niet,’ zei zij.

‘Oei,’ zei hij.

‘Het geeft niet,’ zei zij.

‘Jawel. Het moet. Hoe zal ik dan? Rechtdoor?’ vroeg hij.

‘Ja, ongeveer,’ antwoordde zij.

‘Of hier links?’ vroeg hij.

‘Goh ja, dat mag, misschien een beetje, maar je moet het zelf weten,’ zei zij.

‘Maar je kunt me toch zeggen of?’ vroeg hij.

‘Nee, dat kan ik niet,’ vond zij.

‘Misschien ben ik er nu?’ vroeg hij.

‘Nee, je bent er niet,’ zei zij.

‘Wanneer dan? En hoe?’ vroeg hij.

‘Dat weet ik niet,’ zei zij.

BALLERINA

 

Niks. Enkel een zwevende ballerina.

Alles. Alles in een enkel schriftje.

Kerstverlichting, tot in de nok van het dak, echt, de zolder inbegrepen.

Grootste geschenken.

Stof.

Liefde, overal.

Haar woede. ‘Hij heeft me weer laten zitten,’ zei ze. Geen enkele traan, enkel die woede.

Een dromenboek. Een boek vol dromen.

Een vriend, een vriendin, een gesprek. Liever licht, leven.

Een diepe zucht.

Liefde, overal. De warme gloed. Ook in de kerstverlichting, ook tot in de nok van het dak, echt, de zolder inbegrepen.

Voel je het niet?

Weer: de zwevende ballerina. De muziek, de beelden, de zachte tinten, de zachte stof.

Hoop. Hoop, hoop en hoop.