LUID

Het is lachwekkend.
Het is écht lachwekkend en ik voeg de daad bij het woord. Luid.

Hier is niemand, enkel de kabouters kunnen me horen. Ik vraag hen of ze, nu ze hier toch zijn, die loodzware mappen even naar boven kunnen dragen, of ze dan eerst wat plaats in het archief kunnen maken en het stof afnemen, liefst met nat. De kabouters doen alsof ze me niet horen.

De tandwielset die er had moeten zijn is er niet. Het systeem heeft me dat niet gezegd. Ik zit met een probleem. Mijn persoonlijke systeem kan geen oplossing vinden voor de tandwielset. Is het nu tandwielset of kettingset? Ik zal het nooit weten en als ik het ooit zal weten zal ik het dadelijk weer vergeten, net zoals met de tekeningen van de banden.
Alle systemen gaan even in lockdown en beginnen na een paar minuten te zoeken in een andere zone.
Ik zie een onderdeelnummer. Iets doet een alarmbel afgaan. Ik zoek de factuur. De factuurprijs ligt maar liefst vier keer hoger dan voorzien. Het systeem (zone 38) gaat in lockdown. Ikzelf steek de intentie om, in verband met de prijs, een mail te sturen maar mijn mailprogramma is in quarantaine – de systemen moeten af en toe geblokkeerd worden of de hoofden ontploffen.

Mijn systeem scrolt de stapel administratie en te verwerken notities. Het kiest er een te creëren motofactuur uit maar ikzelf pas. NU NIET, zeg ik tegen dit jobke.
Mijn systeem gaat echt even in staking, lacht nog luid, de kabouters bewegen niet, wat is dat met die kabouters van tegenwoordig? Ik denk dan maar (flits) aan muziek, beter muziek luisteren dan staken, haha, Florence van Leen, ik zet de nieuwe CD op, KING en dan FREE, ik zet de muziek keiluid, zwier hem dan uit mijn oren want ik moet schrijven, schrijven over de systemen, het mijne, de andere, al de systeemzones, I’M FREE zingt ze nog even en dan zwijgt ze omdat ik haar weer zeg dat het moet.

Mijn systeem scant en scrolt en gaat bij een andere leverancier – in zone 360 – op zoek naar een tandwielset. Ik vind maar doe niks, nog niks, eerst P1 en de werkopdrachten, eerst de facturatie van gisteren, eerst de mails van gisteren, Philippe zal zich afvragen wat er aan de hand is, een andere klant heeft door dat mijn systeem wat overbelast is en vraagt als afsluiter of het gaat, hoe het gaat, iets over zelfbescherming, jaja denk ik en dat ik hem straks wel zal antwoorden, straks, eerst moet ik die uitlaat nog en eerst die zadels en dan zijn er nog die dozen waar ze geen nieuwe namen opzetten ik moet dat nog aanpassen, minstens noteren dat ik het moet aanpassen waar is mijn lijst, lijst nummer achtienduizendzeshonderdzevenentachtighonderdtwintigduizend.

maar het is acht uur en ik zou snel met de hond maar het regent dus zou ik een cursus kunnen een van de vele – zone 28 – ik zet Florence terug op ha ja ik moet nog een boekje naar Kristel sturen ha ja ik moet ook nog een scan neer de verzekeraar de scan is er al de mail nog niet en ik moet de cijfers van vorige maand en

Luid.

VOETWEG 76

Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Dan, een hoop boterbloemen.
Dan, een hoop madelieven.
Een camelia, waarachtig.
De klimhortensia, zou ik stekken nemen?
Dan, de paardenbloemen, ze zijn nog geel, die andere zijn pluizen.
Dan, de grote uitgebloeide forsythia’s, hun herkenbare groen.
Dan, voetweg nummer 76, de Wipeweg.
Dan, wat paarse rododendrons, zeven, acht?
Dan, het grote en eeuwig schietende riet en de nog kleine vlinderstruiken. De vlinderstruiken zullen groot worden en ze zullen paars bloemen, dat weet ik.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.

MAAR DE PAARSE ZIJN OOK MOOI

En soms vullen ze je hart met warmte.
(Eric met zijn uitzonderlijke en tegelijkertijd uitzonderlijk lieve zin voor humor.)
(Leen die vertelt over het oude hondje en de stukgebeten leuning van de oude sofa – een vraag om aandacht, zegt ze.)
(Kim die glundert bij de echt wel grappige vragen, de goede vondsten – haar lach!)
(Bart die zegt ‘Ik zal dat wel doen’ en dan dit of dat (de kookplaat!) op vaardige, technische, logische, geduldige wijze afhandelt.)
Of er dan vlinders of ganse vlinderstruiken (ik hou vooral van de witte!) met hun bezoekers al dan niet in mijn binnenste tekeergaan, laat ik in het midden.
Warmte, dus.
(En al het andere jaag ik weg, wil ik wegjagen, moet weggejaagd worden.)

EN TWEE CHOCOBROODJES

En al zo vroeg zei Andy dat we niet mogen klagen, dat we veel werk hebben, dat we veel mensen zien en dat we een hond hebben.
‘Wij hebben er twee, de oudste met wat miserie, hij heeft een halve nacht gejankt,’ zei ik.
‘Oeioei en wat nu?’ vroeg hij.
‘De dierenarts vond dat we moesten afwachten,’ zei ik.
‘Ja de mijne heeft gewacht tot ik terug thuis was om te sterven, het was zo’n goed beest, ik mis hem en er komt binnenkort een andere, maar het is waar hé, we mogen niet klagen, jaja, we moeten een mondmasker dragen maar we zien de hele tijd veel mensen en we mogen hard werken,’ zei hij.
‘Ja, zo is dat, werk goed hé, veel sterkte!’ zei ik.

En buiten, Ludo, hij hopte uit zijn auto.
‘Deze keer had jij me niet gezien hé!’ lachte ik.
‘Neenee,’ antwoordde hij, hij was ook al supergoed wakker, zoals altijd, en hij hopte nog even terug in de auto om zijn masker te nemen.
‘Nu ben ik weer aangekleed, jaja, ’t is nogal iets hé seg, die corona, het blijft maar duren en ik weet het, ik moet komen, ik moet mijn moto binnen brengen!’
‘Oei Ludo ik weet van niks, maar wacht niet te lang, nu is het wat rustiger bij ons,’ zei ik.
‘Neenee!’ zei hij weer, ‘Als het niet regent kom ik vanmiddag misschien, ik zal wel zien.’ Hij riep het vrij luid want hij stond al met een voet binnen bij de bakker, ‘Goeiemorgen, een volkorenbrood alstublieft!’ Zonder het te horen wist ik dat hij dat zou zeggen.

GEMBERTHEE MET CITROEN

Denk maar niet dat ik het tegen jou, of jou, of jou heb. Ik heb het veeleer tegen het schijnsel van het licht op het plafond, of tegen mijn beroemd geworden donkere bomen van Poe.

Ik heb het ook tegen de ijskristallen wolken die ik nu niet kan zien.
En tegen mijn miljoenste A4 met wat notities op.

Ik kijk naar de stekken van de donkerrode oleander. Ze staan te ver, onmogelijk om te zien of ze al wortel schieten.
‘Geduld,’ zei ik nog tegen een vriendin.‘Wekenlang?’ vroeg ze.
‘Ja, wachten, wachten,’ zei ik.

En ondertussen wacht mijn thee, hij wordt zoals altijd te snel koud.

Ik kijk naar rechts.
Niks.
Enkel grijs, enkel regen.
Ik kijk naar links.
Enkel groen zonder schittering, die houdt zich verstopt tot de zon er weer is.

GREET

Ze zegt dat ze viervijfde werkt maar ik zag haar weer ontiegelijk vroeg de kranten in de brievenbussen steken. Ik flikkerde met mijn grote lichten. Op zaterdagochtenden is het kalm op straat, ik vermoed dat ze vanzelf wist dat ik het was, ze weet waar we wonen en dat ik vroeg naar het werk rijd. Als begroeting stak ze een hele grote arm door het raampje.
‘Rijdt ze dan met het raampje wijd open? Misschien is ze verslaafd aan de koude?’ vroeg ik me af.
In mijn hoofd hoorde ik haar energieke stem en haar luide lach.

‘Hij was helemaal alleen op wandel en ik gaf hem een snoepje,’ zei ze eergisteren. ‘Gelukkig dat hij mij en mijn fiets goed kent, want hij kwam het halen en dan heb ik maar aangebeld want ik vond het niet normaal.’
Ze was blij met haar goede daad en met haar gezonde verstand en ik ook.
‘Max, kom hier!’ riep ik, en ik zette de deur wagenwijd open.
‘Zie je wel, hij is graag thuis,’ lachte ze en fietste voort, naar het volgende huis, de volle postzakken die hier altijd op haar staan te wachten had ze al op haar fiets gestapeld. Ze riep nog dat er voor ons geen post was, een enkele brief maar, hij stak al in onze brievenbus.
Het was haar nieuwjaarskaartje, zoals ieder jaar, ze weet dat ze een kaartje terugkrijgt.
Ze houdt vol, ze houdt het winter en zomer vol, als vanzelf. Door weer en wind, door hitte en regen en sneeuw. En altijd als ik haar zie roept ze luid ‘Hallo’ en dat het nogal een weer is, en of ze de hond een snoepje mag geven, of niet, want ze weet dat het geen gewoonte mag zijn, maar ze is altijd blij als het mag.

DIEP

Of moet ik een ‘workshop boomklimmen’ volgen? Of ‘bosbaden’, of ?
Ondertussen sta ik hier te wachten op onze Max. Hij verdween in de donkerte van de veel te vroege ochtend, trok zich niks aan van de regen en concentreert zich waarschijnlijk op een konijn, op een muis of een rat, op de poes of op een verloren gewaande tennisbal.
De bomen van het kleine bos tekenen zich scherp af tegen de donkerblauwe hemel. Hun bladerdek dunt uit. Geen maan, de maan die zo vaak door de bomen schijnt en me dan iedere keer weer aan Poe doet denken.
Max en ik zijn alleen. De rest van de wereld slaapt nog, de mensen zijn ver weg in hun dromen over ik weet niet wat. Over een Porsche, misschien, of heel gewoon over een goede maaltijd met vrienden.
Ja, alleen met de stilte van de regen en van de bomen. Nog even. Ik zuig de ochtendlucht diep in, adem haar langzaam en lang terug uit, adem haar weer diep in, dieper nog, en weer uit, zo traag als ik kan, en opnieuw, en opnieuw.

HIERACHTER ETC

Nee, geen Poolse wetteksten he zeg!
Liever (zet je maar schrap want de lijst is lang):
De Koen met zijn lekke banden (Het is lang geleden dat we hem zagen, hij rijdt niet meer, hij durft niet meer?), Maria met haar tonnen tomaten, Anja met haar vogeltjes, de andere Anja en haar vele reizen, Nicki met haar verhalen over Jef, onze Max die neerploft, Maurice met zijn tientallen gevangen muizen en die soms wel, maar vaker niet komt als we hem roepen, Hugo met zijn (toch wel) mecaniekershanden, Jeaninne met haar eeuwige gezeur, Gerda met haar oude job die terug haar nieuwe job werd, Bart met zijn blinkende maar ook allesziende ogen, en dan heb ik het over de bloedsomloop en veel meer, Kim met haar handgeschreven structuren en haar vele grage zien, Leen met haar oerwoud en thuisboerderij maar ook met haar mensen.
En ook: dat wij, maar vooral zij (al die anderen die soms ons pad kruisen) ouder worden en vaak wijzer, maar niet altijd, soms roesten we/ze vast, maar soms blijven we/ze denken, trainen we/ze onze/hun grijze massa zodat onze/hun hersenen de levensnoodzakelijke verbindingen blijven leggen.
En vervolgens zoom ik (liever) terug in op de dingen van de mensen, die ene futuristische brug, die geluidloze auto, al die nieuwe dingen, en dan denk ik: de wetenschappers doen beter dan de beleidsmensen, de reclamemensen, de economie. Of, blik veranderend, een ander, smaller pad kiezend: Carine met haar kookkunsten, de andere Karin met haar vele bakken moed, ze zijn enorm, die bakken, ze lijken onuitputtelijk, maar toch moeten we duimen en haar moed proberen te versterken – zijn dat ook fundamenten?
En dan, de vlinderstruiken, die, paars zowel als wit, half oktober weer in bloei staan, en het mooie weer van de komende dagen, zal dat nog meer nieuw leven geven?
En al het gefriemel van ons, mensen, wij, velen, overal, zie ons, mieren, lopend, ijverig? Of enkel zoekend, naar wat? Naar eten?
Diepe zucht en dan adem, adem en
[Korte pauze]

VAN DE EEUW

Hij vroeg of hij hem vrijdagavond al zou mogen komen terughalen

Ik zei dat ik dat niet wist ik wist ook niet hoeveel werk eraan zou zijn en we zullen wel zien zei ik

Ja maar zei hij ik moet hem echt vrijdagavond hebben want zaterdag kan ik niet komen echt niet het is het WK zei hij

WK welk WK vroeg ik

Hij keek me verbouwereerd aan en zei het WK wielrennen natuurlijk

Oei waar is dat misschien vroeg ik

In Leuven zei hij en keek me nog verbouwereerderder aan

Oei herhaalde ik daar weet ik niks van maar ik vind het natuurlijk tof dat dat hier bij ons is en ja ik kan er inkomen dat u daar zo naar uitkijkt en dat u dat van dichtbij wilt meemaken

Ja ik wil dat niet missen het is het Evenement van de Eeuw zei hij zal hij dan vrijdagavond klaar zijn?

BUITEN

Sinds vorige week slaapt hij in de oude schuur, op een luchtmatras. Een echt bed vond hij nog niet.
Een tafel en een stoel heeft hij.
Een buitendouche en -toilet ook.
De was wil zij nog doen en soms eten ze samen – hij kookt.
Zij blijft alleen, in het vernieuwde huis.

Hun dochter vroeg: ‘Is dit oké?’
Hij antwoordde: ‘Ja. Ja. Ja. Het moet.’
‘Ik vind het niet oké,’ zei ze.
‘Ja. Ja. Ja. Het moet,’ herhaalde hij.