EEN GLIMP VAN HET BLAUWE VAN DE HAREN VAN DE ZOON VAN DE ACHTERBUUR.

Ken ik jou? Dan ben jij hier, bij mij en sta je hier, zwart op wit, met varianten want de huid van jouw handen zal vandaag misschien groen zijn en morgen donkerrood of bruin. Je zult een halve meter groter of kleiner zijn, en je zult nu eens met deze maar dan toch weer met gene aan de toog van het café staan – wat nu niet meer toegelaten is, maar wat vroeg of laat zal terugkomen. Je haren zullen zwart, bruin, grijs of blond zijn, of zelfs blauw zoals de haren van de zoon van de achterbuur.

Ken ik jou niet? Dan ben jij hier, bij mij. Je fluistert of je roept, je leest de krant of je bent piloot. Je brengt je ouderwetse stelten mee, of de drie nieuwe T-shirts die je vorige week in de solden kocht. Ik zal zeggen dat ik jou niet ken en dat jij luid riep dat je mij en de mijnen graag ziet, maar ik zal ook zeggen dat ik je zag liggen, daar, in de gracht, met een gebroken been en twee blauwe ogen. Je zult bijna honderd zijn, of drieëndertig. Blind of helderziend, of allebei. Je huid zal de zachtste zijn, je handen de meest grove. De lijnen in jouw handen zullen een rijk leven voorspellen, met rode vogels op een blauwe achtergrond. Ze zullen de beste zijn, alles zal het beste zijn, het mooiste, het hoogste, het meest echte.

Zo zal het zijn, ja, zo zal zijn.

ALLES, TELKENS OP 75 VIERKANTE CENTIMETER.

Stroken afgeschraapte menselijke huid van 5 centimeter breed en 15 centimeter lang, iedere strook nauwgezet afgemeten.

Dikke, zwarte schapen. Of eerder donker, donkerbruin.

Drie mensen vragen waar de ganzen zijn.

Zonnebloemen van drie meter hoog.

Vijf gaten in de muur van de buren. Geen woord over de barsten.

Hij heeft zijn heup gebroken en revalideert.

Door al de stukjes en de verhalen heen: Oriana danst. Ze is bijna vijfenzestig maar niemand of niets houdt haar vrolijkheid tegen. Ze danst de ganse dag door, tot in Italië, tot bij haar ouders die in dat onooglijke dorpje wonen. De helft van de huizen staat leeg – de bewoners zijn aan de gevolgen van Covid overleden.

Ook Lynch danst, roepend. Vrolijk roepend, that is. Plots staat hij stil – rusttijd.

De muur rechtover mij is bruin, koffiemetveelmelkbruin. En ik zit hier. Ik hoor de auto’s razen, dan remmen, het kruispunt.

In een fotoboek van een IRL-vriend zag ik ‘Wachten op Godot’. Ik zie ‘Wachten op Godot’ echter helemaal anders. Ik kon het hem niet zeggen, hij was aan het praten, ik bladerde voort en keek naar de bomen, naar de schaduwen.

En weer: de afgeschraapte stukken huid. Met zo’n machientje. Waarom? Wie zal het zeggen?

Foto van PJ.
Vloesberg en omgeving. Het boek, 400 ex., €40. Meer beelden: https://www.notthecenteroftheworld.com/

ONTELBAAR

Maar er waren veel seconden en zelfs minuten van licht en van schaduw, van hun schakeringen. Veel zonsopgangen, het te felle licht, ’s ochtends erg vroeg. Er waren ook veel donkerrode oleanderbloemen, de mooiste. Rozelaars die ik toch kon snoeien, drie minuten adem, en hun nieuwe knoppen en bloemen. Wit, wit, hagelwit, maar ook de grotere donkerrode, alweer dat diepe o zo mooie donkere. En de kleine vijgenboom die het plots, na jaren van ‘Kijk, hij leeft nog!’ verwonderlijk goed doet. Van de rododendron waarvan we niet weten of hij zijn verhuis wel zal overleven. Van uitdijende asters en de vraag wanneer ze zullen beginnen bloeien, en in welke kleur, want dat weet ik niet meer. Paars? Ja, het zal wel paars zijn. En hier en daar een dooie fuchsia vanwege meneer Max die, behalve rennen en apporteren, ook graag bloempotten en hun inhoud ontmantelt. Dag felroze fuchsia, dag zeldzame kamperfoeliestruik. We hadden jullie in de volle grond moeten planten, achter de afsluiting, onbereikbaar voor jonge honden en niet altijd zichtbaar voor onze ogen, we zullen moeten reiken naar die horizonten van bloemen, en er zijn voldoende andere, ontelbare bossen kleine viooltjes.

EN MET DE KOEIEN DIE TOT OVER HUN KNIEEN IN DE MODDER

Sofie luisterde met plezier naar de verhalen van haar vriendinnen en was dankbaar voor het gezelschap. De miezerige regen van het eerste halfuur stoorde niet, ze genoten van het samenzijn en lachten hartelijk met de reusachtige ganzen op het kale veld en met de twee Jack Russels die, vanaf het erf van de grote boerderij diep in het Krinkelsteertje, luid keffend op hen kwamen toelopen om dan, na een krachtig ‘tsjjj, tsssjjj’ van Melissa, weer te verdwijnen. Ze hadden langer dan drie uur gewandeld en veel gelachen, maar Sofie vond het fijn dat ze weer thuis was.Ze haastte zich om haar dikke trui uit te trekken, zette een kop sterke koffie en keek zoekend rond. Ahaa, daar was het. Ze nam het, streelde het even, glimlachte en sloeg het open. Waar stond dat stukje ook weer?

HART

En ze zei dat ze ook dit jaar veel te veel tomaten en dat ze niet wist wat ze ermee moest, tientallen kilo’s en kilo’s.

En dat haar man nog steeds de planten en de bloemen, heel veel, ja, ja, de overvloed, de rijkdom.

En ook dat ze heel de tijd thuis waren gebleven.

‘Niemand, niemand, we waren streng, erg streng,’ zei ze.

Maar ze hebben een grote tuin en een grote serre, en de kleinkinderen mochten in het zwembad en dan bleven zij binnen en keken ze, keken ze, en hun hart smolt en telkens wat tranen, ha ja, iedere keer, natuurlijk, wat wil je, die grote afstand, te groot, het niet mogen, het niet durven. Maar toch ook een glimlach, en blijdschap, want de luxe, de overdaad, het mooie weer, de lachende gezichten, het geluk, zo ver, maar toch zo dichtbij, ja, ook, ik kon dat goed voelen, zei ze.

MAXI

En de hond?
De hond twijfelt tussen miniMax en maxiMax en is zijn eigen vrolijke zelve, eeuwig goedgeluimd, lopend, spelend.
‘Apporte!’ roep ik en hij apporteert.
‘Zit!’ zeg ik en hij zit.
‘Af!’ zeg ik en hij duikt met zijn snuit in het gras, kijkt me afwachtend aan, wendt de blik af, kijkt me terug aan.
‘Kunnen we nu wat spelen?’ vraagt hij en ik zie zijn voorpoten ongeduldig bewegen.
Tien minuten later valt hij om. Baf. Uitgestrekt op zijn zij, diepste en rustigste adem, alsof morsdood, helemaal in dromenland, neuriënd, zuchtend. Af en toe ratelt zijn neus, snurkt hij?

EN MORGEN

Hij ratelde maar. Dat die moto al 45 jaar oud was maar dat hij hem telkens moeiteloos kon starten. Dat dat ding loodzwaar woog, maar dat hij, ja, want weet je, zei hij, wij zitten aan de kust maar tien kilometer verder beginnen de bergen en die moto is nog heel goed voor de haarspeldbochten, wel dertig kilometer aan een stuk, en weet je, zei hij nog eens, ik kan hem bergaf laten bollen zonder mijn remmen te gebruiken, ik rem af op de motor en mijn vrouwke port dan altijd in mijn zij want zij heeft dat niet graag, maar ik wel, lachte hij.
Maar ik word ouder, zei hij. Je zult dat zelf ook wel voelen. Onze belangrijkste bezigheid is nu babysitten, zei hij. En dat ze gisteren twee afspraken hadden maar de jongste kleinzoon was ziek en ze moesten plots op hem passen. We namen hem dan maar mee naar die afspraken, zei hij. Ja en je kent dat wel, iedereen dan ‘Oooo, maar kijk eens, is dat nu de kleinste,’ en je doet harten smelten en die kleine is heel stil en braaf geweest, ziek of niet, zei hij en dat alles goed gegaan was.
En vanavond moest hij een stand opbouwen. Ja, want de jeugd, zei hij. Wie zal dat over tien jaar doen, als wij het niet meer kunnen, of als we er niet meer zijn? vroeg hij. En de Willy is tien jaar ouder en die kan niet veel meer, maar hij geeft nog planken aan en kleinigheden, hulp is hulp en dan moet ik het niet alleen doen. Maar wie zal het van ons overnemen? Hahaha, zei hij. Ze zullen hun plan wel trekken zeker? vroeg hij.
Met de deur reeds in de hand zei hij nog dat we niet mogen klagen. Dat we content moeten zijn. Want onlangs, zijn beste vriend, tja, dat was erg. Maar die vriend heeft heel hard geleefd, zei hij. En dat het regende. Maar voor morgen wordt er mooi weer voorspeld. Dat is goed voor ons, want we moeten veel wandelen, mijn vrouw moet bewegen. Maar twintig kilometer wandelen, dat kunnen we niet hoor, zeven of tien is voldoende, dan zijn we uitgewandeld. Maar nu ben ik weg, zei hij, want ik blijf maar razen.
Zijn lachen, zijn woorden, ze klonken lang na.

IN TOMATENSAUS

Ze had ze met de hand gerold, eerst gemengd met een eidooier en met twee soorten broodkruim, gekookt en dan een lekkere tomatensaus gemaakt, en gewoon met aardappelen. De saus was bij het doorwarmen iet of wat aangebrand maar toch was het lekker, erg lekker.
Vandaag dus naar hartje Brussel en dat dat geen plezier zou zijn, zei ik haar.
Ik heb er tien jaar geleden ook vlot parking gevonden, zei ze.
Ja, ja, maar de tijden en het verkeer zijn veranderd, zei ik. Maar dat hoorde ze niet, ze schepte met volle aandacht de restjes van de maaltijd in een potje. Pas toen ze daar mee klaar was dacht ze eraan dat ze het niet eens zou kunnen opeten, dat ze zich zou moeten haasten, dom, dom want dat het evengoed telefonisch had gekund. En of ik het straks in de koelkast kon zetten, dan zou het overmorgen nog wel, denk je niet? vroeg ze.