MIX 2

Vanaf nu hebben we in onze tuin zicht op een perfecte hoek van negentig graden en op een kaarsrechte lange lijn.
Ze bepalen, misschien, nieuwe grenzen.
Max huppelt vrolijk van het ene naar het andere deel en Maurice loopt enkel nog op de lange rechte – alsof hij zijn zachte witte pootjes niet wil bevuilen, alsof hij vindt dat hij al genoeg kattenwassen te doen heeft.
Hun soepelheid en hun evenwicht verwonderen me – dat ze er zonder na te denken in slagen om nieuwe paden en kronkels en nu ook de rechte lijnen te volgen, en dat ze er vrolijk over en op lopen, alsof de verandering de normaalste zaak van de wereld is en dat ze er lak aan hebben.
Maurice stopt. Toch maar wat wassen, denkt hij.
Max hupt, hup!, als een elastiekje. De soepelheid en de vanzelfsprekendheid zelve. Dan komt hij met volle kracht aangelopen, schuift uit op de gladde tegels van de onderdoor maar hij kent dat en het past perfect in zijn instinctieve berekeningen – hij botst niet tegen de stoel, niet tegen de tafel, niet tegen de poort. Hij stopt met glijden op tien centimeter van zijn speeltouw en neemt het vrolijk vast, gooit, vangt op, huppelt terug, springt kriskras over de nieuwe hoeken, lijnrechte grenzen en nieuwe bogen – de zwarte grond in en op en over.

Het is te donker om te zien wat ze ginder ver doen of wat er echt allemaal veranderde, mijn enige houvast is de maan door de bomen, de maan van Poe.
Nee ik vergis me, want daar is ook de heldere sterrenhemel.
Max komt weer aangerend, schuift, stopt, hupt, rent weg naar een groep wandelaars in het baantje. Rustig, Max, ja, goed zo, flinke man.

Ze zijn niet van mij.
Niet de bomen, niet de maan, niet de sterren. Niet de wandelaars, niet de kat, niet de hond, niet eens de oude Kenzo die zijn rust wilt. Zelfs de perfecte hoek en de zwarte grond – ze zijn niet van mij. Ik mag ze zien, ik mag ze soms aanraken, ik mag ze voelen.
Dat is alles.

Ik adem.
Ik adem de rust in en laat de druk op mijn longen naar buiten.
Nog eens.
Ja, het zijn diepe putten en grote kanalen, denk ik.
Ja, de maan en de bomen blijven, Poe blijft. En de sterren zorgden voor de eerste navigatie.
Hoe slim zijn wij? vraag ik.
Ik adem.
Ik adem de rust in en adem de drukte weer uit.

Max staat voor me. Hij zwiert met zijn kop, gooit het touw weg, vangt het zelf op, komt weer voor me staan, gooit het voor mijn voeten, neemt het vast, gooit het op, vangt het, gooit het nog eens voor mijn voeten en zo eeuwig voort.
Ik adem, laat de druk op mijn longen ontsnappen, schiet in een lach en neem het touw vast.

LEVEN EN

De zon schijnt.
Het is intriest.
Vanmiddag komen onze vrienden.
Het is intriest.
De kinderen kunnen in het zwembad.
Het is intriest.
Alles gaat goed op het werk.
Het is intriest.
De zonnepanelen worden volgende week geleverd.
Het is intriest.
Ik had een goedgevulde kar in de supermarkt.
Het is intriest.
Helemaal achteraan in de tuin zaten drie konijnen.
Het is intriest.
De volle maan schijnt door de bomen.
Het is intriest.
Marc vertrekt weer naar de Zuidpool.
Het is intriest.
Ik heb dat mooie boek besteld.
Het is intriest.
De kinderen kregen een nieuwe winterjas.
Het is intriest.
Vandaag rijd ik met de scooter.
Het is intriest.
Het was erg druk in de stad.
Het is intriest.
Dat nieuwe toetsenbord voelt perfect.
Het is intriest.
Twee nieuwe banden.
Het is intriest.
Het aspergeseizoen is net begonnen.
Het is intriest.
We kochten een nieuwe vaatwas.
Het is intriest.
Een volle container.
Het is intriest.
Alle leveringen werden met twee weken vertraagd.
Het is intriest.
Ik kreeg een mooie, nieuwe, zachte deken.
Het is intriest.
Mijn telefoon doet het weer.
Het is intriest.
We oogstten onze eerste druiven en noten.
Het is intriest.
De fietsen van de kinderen zijn bijna te klein.
Het is intriest.
Oranje, donkerrood en wit.
Het is intriest.
Hij is al vroeg vertrokken.
Het is intriest.
Morgen moet ze niet werken.
Het is intriest.
Ja, er is genoeg pasta.
Het is intriest.
Alles op zijn locatie.
Het is intriest.
Die laatste facturen zijn al betaald.
Het is intriest.
Dat zal in de brievenbus zitten.
Dat is intriest.
De auto moet binnen voor groot onderhoud. Ik vroeg een vervangwagen.
Dat is intriest.
Verse koffie.
Dat is intriest.
De vierde keer.
Dat is intriest.
Het licht is aan.
Dat is intriest.
Een warm bed.
Dat is intriest.
We hebben
Dat is intriest.

OP HET HOOGSTE SPREEKGESTOELTE

EN IK ZOU HET ECHT ECHT TOF VINDEN DAT ZE EENS WAT MINDER TEGEN ELKAAR ZOUDEN ZEUREN EN SCHIMPEN EN VITTEN EN VLOEKEN EN DAT ZE HEEL HEEL EENVOUDIG GEWOON EN ALTIJD ALTIJD LIEF ZOUDEN ZIJN
DE EERSTE KAN BEGINNEN EN WAT MEER RESPECT TONEN DAN VOLGEN DE ANDEREN VANZELF – HOPELIJK

MAAR NU KLIMMEN ZE EEN VOOR EEN MET GROTE FERME EN NOG FERMERE STAPPEN OP HET SPREEKGESTOELTE EN ALS HET EVEN KAN SPRINGEN BOENKEN ZE VOOR DE CAMERA’S EN WILLEN ZE OP DE VOORPAGINA VAN ZO VEEL MOGELIJK KRANTEN STAAN EN ROEPEN ZE BRULLEN ZE DAT ALLEEN ZIJ GELIJK HEBBEN EN DAT DE ANDERE MONSTERS EN LEUGENAARS ZIJN EN ZE
BLIJVEN SCHELDEN EN VLOEKEN – EN ZO VOORT

EN ALLES WORDT ALLEEN MAAR ERGER WANT DE ANDERE DUWT DE ENE VAN HET SPREEKGESTOELTE EN DAN WEER EEN ANDERE WANT HET IS MIJN MIJN MIJN BEURT EN IK IK IK HEB VEEL BELANGRIJKEREDERE DINGEN TE ZEGGEN EN MIJN WOORD IS WET EN MIJN WIL IS ALTIJD WET EN JULLIE MOETEN MOETEN WAT IK IK IK

(deze tekst sluit aan bij wat andere anderewoordenteksten en het zou me niet verwonderen dat ik in herhaling blijf vallen)
(met veel groeten, ik wens jou en alle anderen die hier lezen veel licht en zo weinig mogelijk donkere wolken – Eliane)

LUID

Het is lachwekkend.
Het is écht lachwekkend en ik voeg de daad bij het woord. Luid.

Hier is niemand, enkel de kabouters kunnen me horen. Ik vraag hen of ze, nu ze hier toch zijn, die loodzware mappen even naar boven kunnen dragen, of ze dan eerst wat plaats in het archief kunnen maken en het stof afnemen, liefst met nat. De kabouters doen alsof ze me niet horen.

De tandwielset die er had moeten zijn is er niet. Het systeem heeft me dat niet gezegd. Ik zit met een probleem. Mijn persoonlijke systeem kan geen oplossing vinden voor de tandwielset. Is het nu tandwielset of kettingset? Ik zal het nooit weten en als ik het ooit zal weten zal ik het dadelijk weer vergeten, net zoals met de tekeningen van de banden.
Alle systemen gaan even in lockdown en beginnen na een paar minuten te zoeken in een andere zone.
Ik zie een onderdeelnummer. Iets doet een alarmbel afgaan. Ik zoek de factuur. De factuurprijs ligt maar liefst vier keer hoger dan voorzien. Het systeem (zone 38) gaat in lockdown. Ikzelf steek de intentie om, in verband met de prijs, een mail te sturen maar mijn mailprogramma is in quarantaine – de systemen moeten af en toe geblokkeerd worden of de hoofden ontploffen.

Mijn systeem scrolt de stapel administratie en te verwerken notities. Het kiest er een te creëren motofactuur uit maar ikzelf pas. NU NIET, zeg ik tegen dit jobke.
Mijn systeem gaat echt even in staking, lacht nog luid, de kabouters bewegen niet, wat is dat met die kabouters van tegenwoordig? Ik denk dan maar (flits) aan muziek, beter muziek luisteren dan staken, haha, Florence van Leen, ik zet de nieuwe CD op, KING en dan FREE, ik zet de muziek keiluid, zwier hem dan uit mijn oren want ik moet schrijven, schrijven over de systemen, het mijne, de andere, al de systeemzones, I’M FREE zingt ze nog even en dan zwijgt ze omdat ik haar weer zeg dat het moet.

Mijn systeem scant en scrolt en gaat bij een andere leverancier – in zone 360 – op zoek naar een tandwielset. Ik vind maar doe niks, nog niks, eerst P1 en de werkopdrachten, eerst de facturatie van gisteren, eerst de mails van gisteren, Philippe zal zich afvragen wat er aan de hand is, een andere klant heeft door dat mijn systeem wat overbelast is en vraagt als afsluiter of het gaat, hoe het gaat, iets over zelfbescherming, jaja denk ik en dat ik hem straks wel zal antwoorden, straks, eerst moet ik die uitlaat nog en eerst die zadels en dan zijn er nog die dozen waar ze geen nieuwe namen opzetten ik moet dat nog aanpassen, minstens noteren dat ik het moet aanpassen waar is mijn lijst, lijst nummer achtienduizendzeshonderdzevenentachtighonderdtwintigduizend.

maar het is acht uur en ik zou snel met de hond maar het regent dus zou ik een cursus kunnen een van de vele – zone 28 – ik zet Florence terug op ha ja ik moet nog een boekje naar Kristel sturen ha ja ik moet ook nog een scan neer de verzekeraar de scan is er al de mail nog niet en ik moet de cijfers van vorige maand en

Luid.

VOETWEG 76

Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Dan, een hoop boterbloemen.
Dan, een hoop madelieven.
Een camelia, waarachtig.
De klimhortensia, zou ik stekken nemen?
Dan, de paardenbloemen, ze zijn nog geel, die andere zijn pluizen.
Dan, de grote uitgebloeide forsythia’s, hun herkenbare groen.
Dan, voetweg nummer 76, de Wipeweg.
Dan, wat paarse rododendrons, zeven, acht?
Dan, het grote en eeuwig schietende riet en de nog kleine vlinderstruiken. De vlinderstruiken zullen groot worden en ze zullen paars bloemen, dat weet ik.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.

MAAR DE PAARSE ZIJN OOK MOOI

En soms vullen ze je hart met warmte.
(Eric met zijn uitzonderlijke en tegelijkertijd uitzonderlijk lieve zin voor humor.)
(Leen die vertelt over het oude hondje en de stukgebeten leuning van de oude sofa – een vraag om aandacht, zegt ze.)
(Kim die glundert bij de echt wel grappige vragen, de goede vondsten – haar lach!)
(Bart die zegt ‘Ik zal dat wel doen’ en dan dit of dat (de kookplaat!) op vaardige, technische, logische, geduldige wijze afhandelt.)
Of er dan vlinders of ganse vlinderstruiken (ik hou vooral van de witte!) met hun bezoekers al dan niet in mijn binnenste tekeergaan, laat ik in het midden.
Warmte, dus.
(En al het andere jaag ik weg, wil ik wegjagen, moet weggejaagd worden.)

EN TWEE CHOCOBROODJES

En al zo vroeg zei Andy dat we niet mogen klagen, dat we veel werk hebben, dat we veel mensen zien en dat we een hond hebben.
‘Wij hebben er twee, de oudste met wat miserie, hij heeft een halve nacht gejankt,’ zei ik.
‘Oeioei en wat nu?’ vroeg hij.
‘De dierenarts vond dat we moesten afwachten,’ zei ik.
‘Ja de mijne heeft gewacht tot ik terug thuis was om te sterven, het was zo’n goed beest, ik mis hem en er komt binnenkort een andere, maar het is waar hé, we mogen niet klagen, jaja, we moeten een mondmasker dragen maar we zien de hele tijd veel mensen en we mogen hard werken,’ zei hij.
‘Ja, zo is dat, werk goed hé, veel sterkte!’ zei ik.

En buiten, Ludo, hij hopte uit zijn auto.
‘Deze keer had jij me niet gezien hé!’ lachte ik.
‘Neenee,’ antwoordde hij, hij was ook al supergoed wakker, zoals altijd, en hij hopte nog even terug in de auto om zijn masker te nemen.
‘Nu ben ik weer aangekleed, jaja, ’t is nogal iets hé seg, die corona, het blijft maar duren en ik weet het, ik moet komen, ik moet mijn moto binnen brengen!’
‘Oei Ludo ik weet van niks, maar wacht niet te lang, nu is het wat rustiger bij ons,’ zei ik.
‘Neenee!’ zei hij weer, ‘Als het niet regent kom ik vanmiddag misschien, ik zal wel zien.’ Hij riep het vrij luid want hij stond al met een voet binnen bij de bakker, ‘Goeiemorgen, een volkorenbrood alstublieft!’ Zonder het te horen wist ik dat hij dat zou zeggen.

GEMBERTHEE MET CITROEN

Denk maar niet dat ik het tegen jou, of jou, of jou heb. Ik heb het veeleer tegen het schijnsel van het licht op het plafond, of tegen mijn beroemd geworden donkere bomen van Poe.

Ik heb het ook tegen de ijskristallen wolken die ik nu niet kan zien.
En tegen mijn miljoenste A4 met wat notities op.

Ik kijk naar de stekken van de donkerrode oleander. Ze staan te ver, onmogelijk om te zien of ze al wortel schieten.
‘Geduld,’ zei ik nog tegen een vriendin.‘Wekenlang?’ vroeg ze.
‘Ja, wachten, wachten,’ zei ik.

En ondertussen wacht mijn thee, hij wordt zoals altijd te snel koud.

Ik kijk naar rechts.
Niks.
Enkel grijs, enkel regen.
Ik kijk naar links.
Enkel groen zonder schittering, die houdt zich verstopt tot de zon er weer is.

GREET

Ze zegt dat ze viervijfde werkt maar ik zag haar weer ontiegelijk vroeg de kranten in de brievenbussen steken. Ik flikkerde met mijn grote lichten. Op zaterdagochtenden is het kalm op straat, ik vermoed dat ze vanzelf wist dat ik het was, ze weet waar we wonen en dat ik vroeg naar het werk rijd. Als begroeting stak ze een hele grote arm door het raampje.
‘Rijdt ze dan met het raampje wijd open? Misschien is ze verslaafd aan de koude?’ vroeg ik me af.
In mijn hoofd hoorde ik haar energieke stem en haar luide lach.

‘Hij was helemaal alleen op wandel en ik gaf hem een snoepje,’ zei ze eergisteren. ‘Gelukkig dat hij mij en mijn fiets goed kent, want hij kwam het halen en dan heb ik maar aangebeld want ik vond het niet normaal.’
Ze was blij met haar goede daad en met haar gezonde verstand en ik ook.
‘Max, kom hier!’ riep ik, en ik zette de deur wagenwijd open.
‘Zie je wel, hij is graag thuis,’ lachte ze en fietste voort, naar het volgende huis, de volle postzakken die hier altijd op haar staan te wachten had ze al op haar fiets gestapeld. Ze riep nog dat er voor ons geen post was, een enkele brief maar, hij stak al in onze brievenbus.
Het was haar nieuwjaarskaartje, zoals ieder jaar, ze weet dat ze een kaartje terugkrijgt.
Ze houdt vol, ze houdt het winter en zomer vol, als vanzelf. Door weer en wind, door hitte en regen en sneeuw. En altijd als ik haar zie roept ze luid ‘Hallo’ en dat het nogal een weer is, en of ze de hond een snoepje mag geven, of niet, want ze weet dat het geen gewoonte mag zijn, maar ze is altijd blij als het mag.

DIEP

Of moet ik een ‘workshop boomklimmen’ volgen? Of ‘bosbaden’, of ?
Ondertussen sta ik hier te wachten op onze Max. Hij verdween in de donkerte van de veel te vroege ochtend, trok zich niks aan van de regen en concentreert zich waarschijnlijk op een konijn, op een muis of een rat, op de poes of op een verloren gewaande tennisbal.
De bomen van het kleine bos tekenen zich scherp af tegen de donkerblauwe hemel. Hun bladerdek dunt uit. Geen maan, de maan die zo vaak door de bomen schijnt en me dan iedere keer weer aan Poe doet denken.
Max en ik zijn alleen. De rest van de wereld slaapt nog, de mensen zijn ver weg in hun dromen over ik weet niet wat. Over een Porsche, misschien, of heel gewoon over een goede maaltijd met vrienden.
Ja, alleen met de stilte van de regen en van de bomen. Nog even. Ik zuig de ochtendlucht diep in, adem haar langzaam en lang terug uit, adem haar weer diep in, dieper nog, en weer uit, zo traag als ik kan, en opnieuw, en opnieuw.