EN TWEE CHOCOBROODJES

En al zo vroeg zei Andy dat we niet mogen klagen, dat we veel werk hebben, dat we veel mensen zien en dat we een hond hebben.
‘Wij hebben er twee, de oudste met wat miserie, hij heeft een halve nacht gejankt,’ zei ik.
‘Oeioei en wat nu?’ vroeg hij.
‘De dierenarts vond dat we moesten afwachten,’ zei ik.
‘Ja de mijne heeft gewacht tot ik terug thuis was om te sterven, het was zo’n goed beest, ik mis hem en er komt binnenkort een andere, maar het is waar hé, we mogen niet klagen, jaja, we moeten een mondmasker dragen maar we zien de hele tijd veel mensen en we mogen hard werken,’ zei hij.
‘Ja, zo is dat, werk goed hé, veel sterkte!’ zei ik.

En buiten, Ludo, hij hopte uit zijn auto.
‘Deze keer had jij me niet gezien hé!’ lachte ik.
‘Neenee,’ antwoordde hij, hij was ook al supergoed wakker, zoals altijd, en hij hopte nog even terug in de auto om zijn masker te nemen.
‘Nu ben ik weer aangekleed, jaja, ’t is nogal iets hé seg, die corona, het blijft maar duren en ik weet het, ik moet komen, ik moet mijn moto binnen brengen!’
‘Oei Ludo ik weet van niks, maar wacht niet te lang, nu is het wat rustiger bij ons,’ zei ik.
‘Neenee!’ zei hij weer, ‘Als het niet regent kom ik vanmiddag misschien, ik zal wel zien.’ Hij riep het vrij luid want hij stond al met een voet binnen bij de bakker, ‘Goeiemorgen, een volkorenbrood alstublieft!’ Zonder het te horen wist ik dat hij dat zou zeggen.

GEMBERTHEE MET CITROEN

Denk maar niet dat ik het tegen jou, of jou, of jou heb. Ik heb het veeleer tegen het schijnsel van het licht op het plafond, of tegen mijn beroemd geworden donkere bomen van Poe.

Ik heb het ook tegen de ijskristallen wolken die ik nu niet kan zien.
En tegen mijn miljoenste A4 met wat notities op.

Ik kijk naar de stekken van de donkerrode oleander. Ze staan te ver, onmogelijk om te zien of ze al wortel schieten.
‘Geduld,’ zei ik nog tegen een vriendin.‘Wekenlang?’ vroeg ze.
‘Ja, wachten, wachten,’ zei ik.

En ondertussen wacht mijn thee, hij wordt zoals altijd te snel koud.

Ik kijk naar rechts.
Niks.
Enkel grijs, enkel regen.
Ik kijk naar links.
Enkel groen zonder schittering, die houdt zich verstopt tot de zon er weer is.

GREET

Ze zegt dat ze viervijfde werkt maar ik zag haar weer ontiegelijk vroeg de kranten in de brievenbussen steken. Ik flikkerde met mijn grote lichten. Op zaterdagochtenden is het kalm op straat, ik vermoed dat ze vanzelf wist dat ik het was, ze weet waar we wonen en dat ik vroeg naar het werk rijd. Als begroeting stak ze een hele grote arm door het raampje.
‘Rijdt ze dan met het raampje wijd open? Misschien is ze verslaafd aan de koude?’ vroeg ik me af.
In mijn hoofd hoorde ik haar energieke stem en haar luide lach.

‘Hij was helemaal alleen op wandel en ik gaf hem een snoepje,’ zei ze eergisteren. ‘Gelukkig dat hij mij en mijn fiets goed kent, want hij kwam het halen en dan heb ik maar aangebeld want ik vond het niet normaal.’
Ze was blij met haar goede daad en met haar gezonde verstand en ik ook.
‘Max, kom hier!’ riep ik, en ik zette de deur wagenwijd open.
‘Zie je wel, hij is graag thuis,’ lachte ze en fietste voort, naar het volgende huis, de volle postzakken die hier altijd op haar staan te wachten had ze al op haar fiets gestapeld. Ze riep nog dat er voor ons geen post was, een enkele brief maar, hij stak al in onze brievenbus.
Het was haar nieuwjaarskaartje, zoals ieder jaar, ze weet dat ze een kaartje terugkrijgt.
Ze houdt vol, ze houdt het winter en zomer vol, als vanzelf. Door weer en wind, door hitte en regen en sneeuw. En altijd als ik haar zie roept ze luid ‘Hallo’ en dat het nogal een weer is, en of ze de hond een snoepje mag geven, of niet, want ze weet dat het geen gewoonte mag zijn, maar ze is altijd blij als het mag.

DIEP

Of moet ik een ‘workshop boomklimmen’ volgen? Of ‘bosbaden’, of ?
Ondertussen sta ik hier te wachten op onze Max. Hij verdween in de donkerte van de veel te vroege ochtend, trok zich niks aan van de regen en concentreert zich waarschijnlijk op een konijn, op een muis of een rat, op de poes of op een verloren gewaande tennisbal.
De bomen van het kleine bos tekenen zich scherp af tegen de donkerblauwe hemel. Hun bladerdek dunt uit. Geen maan, de maan die zo vaak door de bomen schijnt en me dan iedere keer weer aan Poe doet denken.
Max en ik zijn alleen. De rest van de wereld slaapt nog, de mensen zijn ver weg in hun dromen over ik weet niet wat. Over een Porsche, misschien, of heel gewoon over een goede maaltijd met vrienden.
Ja, alleen met de stilte van de regen en van de bomen. Nog even. Ik zuig de ochtendlucht diep in, adem haar langzaam en lang terug uit, adem haar weer diep in, dieper nog, en weer uit, zo traag als ik kan, en opnieuw, en opnieuw.

HIERACHTER ETC

Nee, geen Poolse wetteksten he zeg!
Liever (zet je maar schrap want de lijst is lang):
De Koen met zijn lekke banden (Het is lang geleden dat we hem zagen, hij rijdt niet meer, hij durft niet meer?), Maria met haar tonnen tomaten, Anja met haar vogeltjes, de andere Anja en haar vele reizen, Nicki met haar verhalen over Jef, onze Max die neerploft, Maurice met zijn tientallen gevangen muizen en die soms wel, maar vaker niet komt als we hem roepen, Hugo met zijn (toch wel) mecaniekershanden, Jeaninne met haar eeuwige gezeur, Gerda met haar oude job die terug haar nieuwe job werd, Bart met zijn blinkende maar ook allesziende ogen, en dan heb ik het over de bloedsomloop en veel meer, Kim met haar handgeschreven structuren en haar vele grage zien, Leen met haar oerwoud en thuisboerderij maar ook met haar mensen.
En ook: dat wij, maar vooral zij (al die anderen die soms ons pad kruisen) ouder worden en vaak wijzer, maar niet altijd, soms roesten we/ze vast, maar soms blijven we/ze denken, trainen we/ze onze/hun grijze massa zodat onze/hun hersenen de levensnoodzakelijke verbindingen blijven leggen.
En vervolgens zoom ik (liever) terug in op de dingen van de mensen, die ene futuristische brug, die geluidloze auto, al die nieuwe dingen, en dan denk ik: de wetenschappers doen beter dan de beleidsmensen, de reclamemensen, de economie. Of, blik veranderend, een ander, smaller pad kiezend: Carine met haar kookkunsten, de andere Karin met haar vele bakken moed, ze zijn enorm, die bakken, ze lijken onuitputtelijk, maar toch moeten we duimen en haar moed proberen te versterken – zijn dat ook fundamenten?
En dan, de vlinderstruiken, die, paars zowel als wit, half oktober weer in bloei staan, en het mooie weer van de komende dagen, zal dat nog meer nieuw leven geven?
En al het gefriemel van ons, mensen, wij, velen, overal, zie ons, mieren, lopend, ijverig? Of enkel zoekend, naar wat? Naar eten?
Diepe zucht en dan adem, adem en
[Korte pauze]

VAN DE EEUW

Hij vroeg of hij hem vrijdagavond al zou mogen komen terughalen

Ik zei dat ik dat niet wist ik wist ook niet hoeveel werk eraan zou zijn en we zullen wel zien zei ik

Ja maar zei hij ik moet hem echt vrijdagavond hebben want zaterdag kan ik niet komen echt niet het is het WK zei hij

WK welk WK vroeg ik

Hij keek me verbouwereerd aan en zei het WK wielrennen natuurlijk

Oei waar is dat misschien vroeg ik

In Leuven zei hij en keek me nog verbouwereerderder aan

Oei herhaalde ik daar weet ik niks van maar ik vind het natuurlijk tof dat dat hier bij ons is en ja ik kan er inkomen dat u daar zo naar uitkijkt en dat u dat van dichtbij wilt meemaken

Ja ik wil dat niet missen het is het Evenement van de Eeuw zei hij zal hij dan vrijdagavond klaar zijn?

BUITEN

Sinds vorige week slaapt hij in de oude schuur, op een luchtmatras. Een echt bed vond hij nog niet.
Een tafel en een stoel heeft hij.
Een buitendouche en -toilet ook.
De was wil zij nog doen en soms eten ze samen – hij kookt.
Zij blijft alleen, in het vernieuwde huis.

Hun dochter vroeg: ‘Is dit oké?’
Hij antwoordde: ‘Ja. Ja. Ja. Het moet.’
‘Ik vind het niet oké,’ zei ze.
‘Ja. Ja. Ja. Het moet,’ herhaalde hij.

VOL

Vorige keer schrok ik.
‘Ja, ik weet het, ik ben gevallen, mijn gezicht ziet er niet uit, het is geabimeerd’ zei ze.
Ik moest lachen.
‘Dat is een oud woord,’ antwoordde ik.
‘Ja, het is wat het is,’ zei ze.

Haar gezicht was nu helemaal genezen.
‘Let op dat je niet valt,’ zei ik.
‘Neenee, ik blijf rechtop, en daarbij, ik word oud, vallen is niet goed voor mij, ik kan een heup breken, of nooit meer kunnen lopen, dan moet ik rollen,’ grapte ze.
‘Het is niet grappig,’ zei ik.
‘Jawel, jawel, kijk maar, ik kan goed lachen en ik heb al mijn tanden nog en niet veel rimpels’ zei ze.
Ze bukte zich, raapte een handvol kiezelsteentjes op en gooide die een voor een in de gracht.
‘Binnenkort kan ik terug zwemmen en kilometers stappen, een mens moet bezig blijven, veel bewegen, spieren kweken en onderhouden en niet vallen,’ zei ze.
Ze nam nog een handvol kiezelsteentjes en gooide, een voor een, een voor een

EEN GLIMP VAN HET BLAUWE VAN DE HAREN VAN DE ZOON VAN DE ACHTERBUUR.

Ken ik jou? Dan ben jij hier, bij mij en sta je hier, zwart op wit, met varianten want de huid van jouw handen zal vandaag misschien groen zijn en morgen donkerrood of bruin. Je zult een halve meter groter of kleiner zijn, en je zult nu eens met deze maar dan toch weer met gene aan de toog van het café staan – wat nu niet meer toegelaten is, maar wat vroeg of laat zal terugkomen. Je haren zullen zwart, bruin, grijs of blond zijn, of zelfs blauw zoals de haren van de zoon van de achterbuur.

Ken ik jou niet? Dan ben jij hier, bij mij. Je fluistert of je roept, je leest de krant of je bent piloot. Je brengt je ouderwetse stelten mee, of de drie nieuwe T-shirts die je vorige week in de solden kocht. Ik zal zeggen dat ik jou niet ken en dat jij luid riep dat je mij en de mijnen graag ziet, maar ik zal ook zeggen dat ik je zag liggen, daar, in de gracht, met een gebroken been en twee blauwe ogen. Je zult bijna honderd zijn, of drieëndertig. Blind of helderziend, of allebei. Je huid zal de zachtste zijn, je handen de meest grove. De lijnen in jouw handen zullen een rijk leven voorspellen, met rode vogels op een blauwe achtergrond. Ze zullen de beste zijn, alles zal het beste zijn, het mooiste, het hoogste, het meest echte.

Zo zal het zijn, ja, zo zal zijn.

ALLES, TELKENS OP 75 VIERKANTE CENTIMETER.

Stroken afgeschraapte menselijke huid van 5 centimeter breed en 15 centimeter lang, iedere strook nauwgezet afgemeten.

Dikke, zwarte schapen. Of eerder donker, donkerbruin.

Drie mensen vragen waar de ganzen zijn.

Zonnebloemen van drie meter hoog.

Vijf gaten in de muur van de buren. Geen woord over de barsten.

Hij heeft zijn heup gebroken en revalideert.

Door al de stukjes en de verhalen heen: Oriana danst. Ze is bijna vijfenzestig maar niemand of niets houdt haar vrolijkheid tegen. Ze danst de ganse dag door, tot in Italië, tot bij haar ouders die in dat onooglijke dorpje wonen. De helft van de huizen staat leeg – de bewoners zijn aan de gevolgen van Covid overleden.

Ook Lynch danst, roepend. Vrolijk roepend, that is. Plots staat hij stil – rusttijd.

De muur rechtover mij is bruin, koffiemetveelmelkbruin. En ik zit hier. Ik hoor de auto’s razen, dan remmen, het kruispunt.

In een fotoboek van een IRL-vriend zag ik ‘Wachten op Godot’. Ik zie ‘Wachten op Godot’ echter helemaal anders. Ik kon het hem niet zeggen, hij was aan het praten, ik bladerde voort en keek naar de bomen, naar de schaduwen.

En weer: de afgeschraapte stukken huid. Met zo’n machientje. Waarom? Wie zal het zeggen?

Foto van PJ.
Vloesberg en omgeving. Het boek, 400 ex., €40. Meer beelden: https://www.notthecenteroftheworld.com/