OF ZIJ, OF HIJ

Hij was de ganse dag bij zijn broer.

Zij was alleen thuis. Ze genoot. Tokkelde wat op haar telefoon, vulde een kruiswoordpuzzel in, las de weekendkrant, zat in de tuin en keek naar het groene, naar de lucht, naar de overvliegende vogels en vliegtuigen. Na de middag werd het echt warm, ze dook het zwembad in en bleef dan lekker lui in de zon liggen.

Rond vijf uur stuurde ze hem een bericht, om te vragen hoe het ging. Geen antwoord. Ze wachtte een uur, stuurde een tweede bericht met drie uitroeptekens. Geen antwoord. Rond halfacht probeerde ze hem te telefoneren maar kreeg de voicemail. Ze sprak in dat ze zat te wachten, dat ze niet kon verdragen dat hij niet antwoordde, dat ze zich zorgen maakte, dat ze een hekel had aan alleen zijn. Hij belde niet terug. Ze wachtte. Ze wachtte.

Advertenties

SHE COMES IN COLORS & IS EVERYWHERE

leon spilliaert
(Afb. : Léon Spilliaert, Fillette au Grand Chapeau, 1909)

Hij ziet de voorbijgangster en hij volgt haar.
Hij wil haar in de zon zien.
Ze gaat de hoek om.
De wolken verdwijnen.
Ze trekt haar mantel uit en draagt hem over haar arm.
Ze schudt de haren los.
Ze begint sneller te stappen.
Ze stopt en bekijkt de boeken in een etalage.
Ze stapt voort.
Ze stopt en bekijkt de schoenen in een etalage.
Hij staat naast haar.
De zon schijnt nog steeds.
Hij vraagt iets.
Ze kijkt hem aan en knikt.
Hier? vraagt hij.
Inderdaad, antwoordt ze.
Maar het is donderdag, zegt hij.
Dat geeft niet, zegt ze.
Is morgen niet beter?
Nee, zeer zeker niet.
Maar toch.
Nee, vandaag. Ze houdt vol.
De zon schijnt nog steeds.
Ze stapt voort.
Hij loopt naast haar.
Pas op, je mantel, zegt hij.
Dank je, antwoordt ze.

ZIJ & HIJ

5 augustus.
Zij:
Ik wil niet dat je weggaat, ik wil dat je blijft, hier, bij mij, ik wil niet alleen zijn, ik hou van jou, blijf, ga niet weg, nééééé.

13 augustus.
Hij:
Het spijt me, ik ben zo blij dat ik terug ben, jij bent het licht van mijn leven, jij bent de reden waarom ik geboren ben, wij zijn voor elkaar gemaakt, dat kan niet anders.

18 augustus.
Zij:
Maar nee we doen dat samen, ik blijf écht niet alleen thuis, ik ga lekker mee, het zal fijn zijn, wij twee tussen al de anderen, ik kan dicht bij jou blijven.

26 augustus.
Hij:
Oei, ik ben jouw verjaardag vergeten, sorry liefje, ik koop nog snel een cadeautje voor je, wacht. Kom, we gaan samen uit eten, hier, alvast een bos bloemen, ze zijn mooi hé, de bloemen, ik weet dat je er van houdt, kom hier dat ik je een zoen geef, ik zal het nooit meer vergeten.

3 september.
Zij:
Doe niet zo stom, ik heb het wel gezien, dacht je dat ik blind was?

12 september.
Hij:
Trut. Ik had nooit moeten terugkomen. Er is niks veranderd.
Zij:
Eikel.
Hij:
Het is genoeg. Het is gedaan, basta, finito.