LICHT OP LICHT

Het is het licht dat door het zwarte schijnt en beelden schénkt van zon en wolken, luchten, einders en van werelden met nog meer licht en vogels en van ménsen, van groener gras en hopen hoop, à volonté. 

Het is de donkerte die hier kan zeggen dat er licht en kleur in de nachten is, tot in de voor het blote oog onzichtbare oneindigheid,
tot diep, veel dieper nog in het heelal en in de mens, in iedereen.

Zo werd dit dan een ode aan het vele licht van onze zon en nog meer zonnen, hun schijnen op krioelende en o zo minuscule levens,
tot dat oneindige, het onbereikbare, tot in het diepste, verste en tot overal.

BIJNA ZWART

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, sommige bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven volgen, willen en zullen volgen

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten dat dat licht en die lucht veel beter en groter en voller en blauwer zullen zijn

– zullen zijn. ‘Waarschijnlijk, het kan niet anders,’ zeggen ze.

Ze staan in groep, ze groeien in groep, ze bloeien in groep, voorlopig.

– ‘Zie je wel?’ zeggen ze.

Zoals de kamperfoelie

– deze met gele bloemen, en altijd felruikend.

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven willen en moeten en immer zullen volgen,

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten

DE VLINDERS VAN NABOKOV, MISSCHIEN

Ze borduurde alleen maar vlinders. Alle kleuren. Hoe bonter, hoe liever. Grote steken, kleine steken, iedere vrije vierkante centimeter opgevuld met vlinders. Spreien, dekens, kussens, handdoeken, truien, lopers, zelfs een collectie wandtapijten, een keer zelfs schoenen.
Een vriendin vroeg haar om, als achtergrond, enkele zonnebloemen te borduren, maar dat wou ze niet. Ze was koppig en bleef uitsluitend vlinders borduren.

Tot de directeur van een grote kleuterschool haar vroeg om een reuzegrote speelmat te versieren. Dat ding moest de ganse vloer van de grote turnzaal bedekken. Er moesten natuurlijk vlinders op staan, zo veel mogelijk. Maar de directeur wou ook borduursels van ballen en hoepels, van rackets, poppen, treintjes en legoblokken, van speelgoedauto’s en schommels. En van boeken.

Ze begon de nieuwe onderwerpen te bestuderen. Keerde rackets, speelgoedstations en legoblokken als het ware binnenstebuiten om alles goed in zich op te nemen. Bij de boeken bleef ze hangen; er was een mooi boek, over een wolk en een rots, dat ze uiteindelijk uit het hoofd leerde, niet alleen woord na woord maar ook prent na prent en kleur na kleur. Na een jaar studiewerk begon ze eindelijk aan de speelmat. Nog twee jaar later was die helemaal klaar.

Wat ze gehoopt had gebeurde; de kinderen waren blij met het borduurwerk, probeerden de vlinders te vangen en te strelen, namen een bal, een pop of een trein vast en speelden dat het een lieve lust was. Ze lieten zich ook opslorpen door de boeken en wentelden zich in die mooie prenten van de wolk en de rots en van alle  andere boeken. En als ze er even genoeg van hadden, dan keerden ze terug naar de vlinders, of naar de rackets, of naar de treintjes.

Ze was tevreden. Ze keek naar de speelmat en haar werk, naar de kinderen en hun plezier. Besliste dat, tijdens de mooie dagen, de speelmat buiten moest, en dat ze de betonnen speelplaats volledig moest bedekken.

Ondertussen heeft ze, voor een andere school, nog een tweede, veel grotere speelmat in de maak. Een derde staat op het programma. Daar zal ze ook horizonten, oceanen en zelfs zonnebloemen op borduren. Spreien, dekens, kussens doet ze niet meer. Af en toe nog een paar grote wandtapijten, en die voorziet ze uitsluitend van vlinders. Dat blijft.

PANORAMA

Zwartop zwartna zwartin zwartmee zwartlos zwartuit zwartbij.

Licht.
Lichtlicht.
Lichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlicht.

Zwartdoor. Zwartis zwartlui zwartklaar zwartbest zwartluid zwartloos.

Licht.
Lichtlicht.
Lichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlicht.

Zwartkin. Zwarthoofd. Zwartlus zwartkom zwartniet zwarttoch zwartfuif.

Licht.
Lichtlicht.
Lichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlicht.

Zwarter. Zwartvoor. Zwartik zwartjij zwartwij. Zwartsom. Zwartduur.

Licht.
Lichtlicht.
Lichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlicht.

Zwartstraf zwartstil zwartof. Zwartprijs. Zwartsnik zwartlos zwartdos.

Licht.
Lichtlicht.
Lichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlicht.

(Hardop te lezen. Liefst declameren. Intonatie naar keuze, maar
‘Lichtlicht’ en ‘Lichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlichtlicht’ moeten snel en toch duidelijk uitgesproken worden. Veel plezier!)

IMMER

En de maan, flinterdun, amper zichtbaar, moe van de nacht.

En drie, acht, zeven is een juiste volgorde, of zes, twee, elf.

En de zon komt op, de zon gaat onder, de zon komt op. Zelfs van achter haar wolkendek zegt ze ‘Komaan joh’ en geeft ze ons een tik op de rug, ‘De dag,’ zegt ze, ‘de dag!’

WAAR WIT WIT WAS

Waar wit wit was, staan nu
een letter, een woord, een zin,
een gans alfabet, begot,
en een streep, en een punt,
enzovoort. Wit is er niet meer,
meer

nog, wit is echt zwart daar waar
wit geen wit meer kan zijn, enkel die
letters en zinnen en zingeving,
zogenaamd, begot, en ja, samengevat,
wit was wit en werd zwart, met
een punt, hier en daar, tot het eind.

ZWART, ZWART

Huh? Zwart? Hij bestudeerde het uitvoerig maar had niet veel tijd want een nieuwe aanval kondigde zich aan. Ja, inderdaad, alweer zwart, en er leek geen einde aan te komen. Moest hij zich zorgen maken? Nee? Maar zo zwart? Hij liep naar de kast en nam een propere zakdoek. Snel, want het herbegon. Zwart, zwart, zwarter dan zwart. ‘Wat is dit toch?’ vroeg hij zich af, en hij snoot en hij snoot.

GANSE BOSSEN

Mijnheer Macharis, ik heb u gemist. Ik had het te druk. Maar vanmiddag zag ik een volledige regenboog, pal voor mij, en daardoor dacht ik aan u.
Ja, ik weet het.
Nee.
O, absoluut.
Binnenkort weer iedere dag, hoop ik.
Nee. Waanzin. Grootheidswaanzin, ook. Moto’s, auto’s, bestelwagens. Bestelbonnen. FSMA-dingen.
Ja, dat zei ik, FSMA.
Och. Er was ook het zwichtende zwart, hahaha. Die twee woorden hangen nog steeds in mijn hoofd. Zwichtend zwart. Het licht op het zwart. Door het zwarte het licht. Soulages. Het mooie van zijn werk. Ja, dat was een fijne dag.
En er waren kleurrijke kanttekeningen. Strohalmen. Goede seconden. Adembenemingen. Vreemd, Word keurt dat woord goed. Adembenemingen, adem.
Diepe zucht. Nee, niet vergeten te ademen, ademen. Mijn bloeddruk laag houden, hahaha. Mijn spierscheur laten rusten.
Ja.
Och. Misschien moet ik, naast de prent van de strohalm, ook een foto van het werk van Pierre Soulages naast mij hangen. Vlakbij mijn werk-werk. Misschien moet ik dat ganse stuk muur bekleden met kleine briefkaarten met bijzondere werken van allerlei kunstenaars. Zal ik ze verzamelen?
Toch maar niet.
Ja.
Ja en ja.
Ja, koppig. Ik zeg nog steeds dat het moet.
Ook ja. Het toont me de mensen. Het toont. Het toont.

IN ONGEZIENE VRIENDSCHAP EN LIEFDE

Googlemaps zegt dat ik hier twee jaar geleden geweest ben. Ik zeg dat het niet waar is, dat ik hier iedere dag. Het zegt ook dat ik prei en selder van de boeren, en dat ik met de paarden, en met de huifkar van een van de buren.

Mijn haren zijn nog nat en ik schud ze. De druppels vliegen tot in de volgende gemeente en ik moet een klachtenformulier beoordelen. Ik zeg dat ik liever een geel document had ontvangen. Zij zeggen dat een van hun stapels papier, enzovoort, enzovoort.

En plots staat daar iemand met een grote megafoon. Hij fluistert. Ik zeg dat ook dat geen zin heeft, maar hij doet voort. Hij verandert in de kat van de buren van het zogezegde huis van twee jaar geleden. De megafoon blijft liggen. Ik draai hem om en om en vraag me af

maar ik word onderbroken. Het fruit ligt in de mand en het vlees staat op het vuur. Honderden kinderen fietsen voorbij. Zij hebben gisteren het baantje, ons baantje, ontdekt en ze vertelden het voort en voort en voort. Zij zijn beter dan een Afrikaanse tamtam.

De bomen in het kleinste bos nemen er geen aanstoot aan. Ze praten tegen het mos en het struikgewas. Langs de rand: een rat. Ze graaft een doorgang in de mesthoop en verdwijnt. De eekhoorn heeft alles gezien maar doet alsof haar neus bloedt. Het is nog niet te laat.

Groentesoep hier, garnaalkroketten daar, un pavé en een entrecôte met donkere perpersaus. Zo zien we dat het spel van de politiek geen waarde heeft. Ze doen maar. Ze spelen met vijfduizend euro hier en vijfduizend euro daar en vergeten hoe het is met slechts een halve euro. ‘We zullen een telraam cadeau doen!’ roepen we. ‘Voor de kleuren!’ voegen we eraan toe. We heffen het glas (1).

Maar we moeten slikken en vijf van ons beginnen te huilen. Ze gedenken hun doden, hun levens die niet geleefd werden, de mogelijkheden ongezien, of te laat. ‘Misschien moeten we onze haren ook eens nat maken,’ zeggen ze en ze heffen het glas (2), in ongeziene vriendschap en liefde.

Links ligt het houtskool te smeulen, rechts zegt een collega dat hij het niet meer ziet zitten. ‘Drieëndertig pillen en vijfenveertig gesprekken later,’ zegt hij. Hij trekt bleek weg. ‘Ik moet kiezen maar mijn dochter,’ zegt hij. Hij toont een foto van een halve boom, ‘de blikseminslag’, zegt hij, en dat hij haar altijd moet helpen om in de halve boom de klimmen.

De collega is groter en breder dan het huis drie huisnummers verder, liever dan vijfendertig tamme konijnen. De tranen rollen over zijn wangen, tot in het houtskool, tot in de rode ballen voor de volgende kerstboom. ‘Ik meen het,’ zegt hij. ‘Zo’n blikseminslag,’ zegt hij.

We sudderen voort. Alle huidskleuren lopen voorbij en iets wits zegt dat iets zwarts voorbij de horizon zal eindigen. Het is grappig en lief en allen lachen. De dommeriken snappen er niks van en gebruiken moderne pamflettechnieken om de anderen te imponeren. Begrijpen ze dan niet dat het zinloos is, dat de huidskleuren in aantal zullen toenemen, dat het zo is en zal blijven tot onze aarde, en dat dat oké is?

Maar goed. Het was slechts een samenvatting. Ik bal haar bijeen. Ik steek haar in de gouden doos, linksachter. Ik neem iedere dag het stof af. De bal ontsnapt vaak en hij laat dan gouden schilfers na, op die verre horizon, op de gezichten van de honderden kinderen, op de achterwielen van hun fietsen. Het zij zo. Het kan niet anders. Het moet.