GATEN

Gisteren: een gat in de wolken, een blauw gat. Een vage regenboog priemde erdoorheen. Plantte de regenboog zich in het veld van Thijs en Lise? Zullen er nieuwe regenbogen groeien?

Vanochtend: de man met de bordercollie heeft voor het eerst heel duidelijk zijn hand naar me opgestoken. Jarenlang hield ik vol: een knik, een glimlach, een hand in de hoogte. Maar hij wuifde, overtuigend, en als eerste.

Nieuw boek van heum. Het is zo anders dan het marmerboek.

Twee minuten voor het werk: twee minuten Niedekker. De opsommingen, de opsommingen. Plots doet het boek me aan Virginia Woolf denken. Ik google. Het klopt – er is een link.
Mag het zo duidelijk zijn? Moet het zo duidelijk zijn?

De dozen haalde ik al binnen; ze zijn open, de paklijsten liggen naast me. Ik blijf bij de ‘boeken’ en ga inboeken. Major error in de leverancierssite. Fatal error? (Wat me luidop doet lachen.)

SPAARSTAND

Patrick stond plots voor de zaak. Ik had hem niet zien aankomen, Bart wel. Het was hier lekker druk, maar Bart dook als de bliksem weg — floep, het atelier in — luid zuchtend: ‘Ik ben hier weg.’

Daar stond ik dan.
Drie seconden om te beslissen: welke houding neem ik aan, wat zeg ik?
IJs breken was geen evidentie.

‘Dag Patrick, en… is het gelukt?’

Dat volstond om een glimlach op zijn lippen te toveren, maar hij schudde zielig van niet.

Alweer drie seconden om na te denken. Hoe? Wat?

‘Je moet er je tijd voor nemen en rustig blijven,’ zei ik. En dat ik er ook niets van kende. Dat hij het zelf moest doen. Dat ik een print had met richtlijnen. Dat ik het snel met hem zou overlopen, al had ik het nog nooit bekeken of gebruikt.

‘Iedereen doet dat zelf,’ zei ik.

Ik nam zijn telefoon uit zijn handen, vluchtte naar een spuitbus instant reiniger, maakte het scherm proper.
‘Ja, sorry,’ zei Patrick.

Ik vroeg zijn vingerafdruk en deed een inspectieronde door de instellingen.

‘Zie je wel, hier ook nog — je gebruikt de spaarstand. Dat mag niet, dan werkt het niet. Kom, start je moto.’

Nog een vingerafdruk.

Het lukte.
Vreemde, moderne turn-by-turn-toestanden. Ik ken er niets van en ik wil er ook niets van kennen. Maar het werkte. Het ding praatte. Ik gaf Patricks thuisadres in — zonder huisnummer. ‘Dat hoeft niet, dat is veiliger,’ zei ik.

Patrick zette blij zijn helm op, trok zijn handschoenen aan en reed weer weg.
Ik ging terug naar binnen.

‘Hoezo, is het gelukt? Hoe heb je dat gedaan?’ vroeg Bart.

‘Rustig blijven, focussen en alles overlopen. Zijn instellingen stonden niet juist,’ zei ik.

‘Rare man,’ zei hij.

‘Ja, heel speciaal. Maar nu moet hij wat oefenen. Ik ga eerst mijn handen wassen,’ zei ik.

——————–
Er zijn hiaten. Een soort lege kamers. Lege dagen-kamers.
Wat niks wil zeggen.

(Hier stond het relaas over Patrick en het koppelen van zijn telefoon aan zijn moto.)

Ondertussen is er nog altijd minstens 1 hiaat, iets met ‘iets’ dat zich verstopt achter de borden in de keukenkast of in de suikerpot, grijpbaar maar net niet, zo gaat dat met hiaten. En het kan ook onder de sofa zitten.

OF NEGENENDERTIG (2/2)

Ritten naar een industriezone in Zaventem, andere ritten naar een andere industriezone in de buurt van Schiphol. Telkens veel vliegtuigen, ja, maar enkel in de verte en zonder vooruitzicht op licht, water, zorgeloze en stralende dagen.

Wat naar Cunningham leidt.
Misschien moet ik zijn Stralende dagen herlezen. Het ligt op de stapel in de keuken, ik zou het zo kunnen vastnemen, doorbladeren, me ervan laten doordringen. Lezend mens-zijn. I am a reader.

En de klaprozen! En de viooltjes!

(En de blik in de ogen van hun dochter! Plots een shift, plots twijfel in haar ogen! Besefte ze het?
‘Vasthouden, dit! Laat je niet doen, laat je niet meenemen in de té hooggegrepen droom van die ouder wordende man, die droom is niet de jouwe!’ probeerde ik te seinen.
Achteraf gezien hebben mijn signalen niks geholpen. Nog niks. Ik had het moeten uitspreken. Ik mocht het niet uitspreken.)

What else?
Music?
The Cello Song, Gina Birch? Hutterite Mile van 16 Horsepower? Yo La Tengo, For You Too?
En, en?

OF NEGENENDERTIG

Op een paar weken tijd zag ik minstens zeven of acht regenbogen. Of negen of tien. Hele en halve.

En blikken op — of verhalen over — geiten, schapen en ezels.

Over paarden.

Over stortafval achteraan in hunnen hof.

Over appelbomen.

Over cursussen, examens, nog meer cursussen en nog meer examens.

En over quota en bonussen, marktanalyses, marketing, Salesforcetoestanden, POS’en, KPI’s en ander Latijn – woorden en afkortingen die niet verdienen om te bestaan, om te blijven bestaan, om voortdurend druk te leggen op zo veel mensen. Zij zijn geen woorden, zij zijn betonnen platen.

KORT – 14

Franz Kafka spookt hier rond en laat sporen na.

WINDE WINDE

‘Ik denk dat hij gewoon een hersenschudding heeft…,’ mailt Bart me.

Ik schiet in een lach en stuur een smiley terug.

Het klopt: die man van het bloed en de boordsteen, die heeft een hersenschudding. Geen lichte. Hij zou moeten rusten, maar loopt door de tuin, tast aan zijn hoofd, alsof hij kan voelen wat er aan de hand is.

Binnen gaat hij op bed liggen. Zijn lichaam zakt weg, zijn hoofd niet. Hij droomt even weg en schiet weer wakker. Met gesloten ogen zoekt hij zijn hersenen af, alsof de droom ergens verstopt ligt. Er blijven enkel wat kleuren over: groen, rood, zachtgeel. Ze vloeien in elkaar, vormen patronen die doen denken aan de jaren vijftig en zestig. Behang misschien. Of een gordijn.

Hij houdt zijn ogen gesloten – dat moet, dat is rust – en richt zijn gedachten op Proust, op diens woorden over de Tuilerieën. De geraniums, de wildgroeiende winde.


Ik wist niet dat winde winde was. Ik moest het opzoeken.
Het patroon van het groene, rode en zachtgele komen uit een sjaal die ik kreeg van Leen.
Enkele zinnen uit de Tuilerieëntekst die ik bedoel, vond ik hier: https://www.znor.be/2014/09/05/vrijdag-poeziedag-de-tuilerieen-marcel-proust/
Het boekje waar ik het in las is: Zeewind op het platteland : zeventien rêverieën en een verhaal, van Marcel Proust.
Ik wou dat boekje, vond het niet, maar via het leensysteem van de bibliotheken kwam het toch naar Londerzeel.

Ik kreeg de tip vh boekje dankzij het interview met Dirk De Wachter in De Morgen




VOLLENBAK

De colruyt trekt zich van de oorlogen en doden en daklozen en miserie just niks aan en doet vrolijk voort.
Hij zegt ‘Vollenbak leven’ maar bedoelt in feite en natuurlijk niet dat we vollenbak moeten leven, wel dat we de blauwe collect&go bakken vollenbak moeten vullen en dat we de kofferbak van onze auto vollenbak en met de grootste glimlach vol moeten stoempen en vooral dat we een zo lang en zo hoog mogelijk kasticket moeten krijgen en betalen.
Dat is ‘vollenbak leven’.
Trap er maar in, dat is normaal, want de gekte in de winkels en de winkelstraten en de stapels in de bestelwagens van de pakjesdiensten bevestigen dat i e d e r e e n erin trapt.
Pf.
En de colruyt is niet de enige.
Opsommen wil ik niet, of ja toch, eentje.
Een groot motorrijwielenmerk zegt dat we ten volle van het leven moeten genieten, en dat kan natuurlijk niet zonder hun merk. Vollenbak genieten, absoluut.

En nu ben ik weg, want anders wordt dat hier toch een opsomming en merken-namedropping van jewelste.

Of nee, wacht, ik wil er nog aan toevoegen dat ik voorlopig niet veel zin heb om hier iets te zetten.
Er wachten wel degelijk enkele teksten, maar de moeite om ze rap nog eens na te lezen en ze hier te droppen [plop] is te groot. Te veel gevraagd.
Kader het maar in dat commerciële en marketinggedoe van de colruyt en van dat motorrijwielenmerk en van al die andere. En van de algehele blindheid. Blindheid die overal te zien is. Is dat geen goeie?

Mijn onwil ebt wel weer weg en dan herneem ik.
Fijne feestdagen alvast. Geniet ervan, vollenbak.

GEZELSCHAP

En de kater heeft alweer een muis te pakken en vindt dat hij die per se in huis moet brengen.
Ik haast me snel naar binnen en sluit de deur, maar blijf het schouwspel in de gaten houden.
Kater Maurice maakt rechtsomkeer, zegt ‘Foert, dan kruip ik met mijn muis tussen de salie en speel ik daar nog even verder. Maar oei, die domme muis beweegt niet meer. Grrr, ik moet een andere zoeken.’
Maurice huppelt in grote sprongen over de kasseistrook en het gazon, richting het bos.
Ik ga weer naar buiten en kijk even rond.
De steenraketten!
De kamperfoelie!
Met diepe halen adem ik zo veel mogelijk frisse lucht in.
‘Max!’ roep ik.
Max komt direct, ik lijn hem aan en neem hem mee de garage in. Hij springt het liefst in de kofferbak terwijl ik het niet zie, dus draai ik me om en zeg ‘Hop!’
‘Goed zo,’ zeg ik, geef hem een aai en sluit de klep van de kofferbak.
Ik stap in de auto en start de motor.

OVER

Ik heb het boek over fotografie terug in mijn buurt gelegd. Niet DEZE buurt, waar ik nu ben, wel mijn andere buurt, waar ik vanavond even ben.
(de zin trekt op niks maar ik ga me niks aantrekken van op niks trekkende zinnen)
(echo, echo)
Het boek gaat over foto’s en vooral over fotografie – de titel, nietwaar – en plots sprong dat boek (letterlijk) weer in mijn hoofd en moest en zou ik het klaarleggen. Vlakbij. Boven Hopper, that is.
Eerst Kundera voort – Kundera die ook (weer) al zo lang bleef sluimeren en waar ik me nu, mits een onderbreking van een paar weken (onderbrekingen maken dagelijks, uurlijks, minutenlijks deel uit van mijn leven) toch weer al drie avonden op rij (i.e. twintig minuten) heb kunnen/willen/mogen in lezen. Hop hop met Tomas, hop hop met Tereza en met de korte hoofdstukjes van Kundera. Ik hou van die korte stukjes, altijd van gehouden, ook bij vorige lezingen. Kundera zegt daardoor tegen de lezer ‘Denk even na en het hoeft niet te lang te duren,’ maar dat is slecht een van de verschillende mogelijke interpretaties.
Ik vermeldde onbewust/bewust ook Hopper. Hopper van de stillevende mensen. Hopper van de eigenzinnige kleuren. Hopper van het licht. Hopper straalt de mens en de wereld van de mens uit. Zijn werken, bedoel ik. Ook hij zegt ‘Denk even na,’ maar natuurlijk zijn Hopper en Kundera niet de enige kunstenaars die dat zeggen. Hopper is sinds een paar jaar een van de vele hypes. Niks aan te doen.
Genoeg namen gedropt. Twee. Nee, drie, in feite. Vier, want ik wil het er licht van Turner bovenop gooien. De kracht en het licht.
Dat volstaat.
Ik moet me inhouden.
Want ik wil helemaal geen namen droppen. Enkele, heel af en toe.
Ik moet/wil nu de nachtbox leegmaken en ik moet/wil wérken. Er ontbreekt een en ander in die nachtbox, dat zag ik in de bevestigingen van levering. De mail naar de leverancier is al weg, natuurlijk. En tegen de klanten zal ik het mogen uitleggen. Maar het zijn vriendelijke mensen en het zal, in geen van deze drie gevallen, een dramavertoon worden, zelfs niet als ik hen vertel dat ze een paar weken moeten wachten.
Na Kundera en Hopper en voordat ik aan Over Fotografie begin (of tussendoor) zal ik over de witte vloeistof in onze hersenen lezen. Ik zal wel moeten. Zal ik er uit leren?
En wat ik hier ook nog wou vertellen – uitstelgedrag, ik beken – is, dat ik vind dat de beste momenten van de voorbije weken me op een bankje in Vilvoorde overvielen. Telkens. Ik, zeker volle tien minuten op een bankje, drie keer, in de zon, met een warme chocolademelk. Voor een van die drie gelegenheden moest ik wat meer moeite doen, want de automaat aan de uitgang deed het niet maar ik besefte (gelukkig!) dat er ook een cafetaria was. Lang leve de cafetaria’s en de vriendelijke diensters. De meneer voor mij was veel minder vriendelijk, maar dat is een ander verhaal. Ik liep naar buiten, met mijn warme chocolademelk in een kartonnen wegwerpbeker, naar dat bankje. In de zon.

HET IS DE SCHULD VAN DE JEUGD

Eergisteren J.
Jong, student, rijdt met een sportief ogende 125cc, draagt netjes de vereiste motokleding inbegrepen goeie laarzen en handschoenen, maar over zijn motorpak draagt hij een zo’n fameuze onesie. Een donzige blauwe, met vinnen op de rug. Daarbij hoort ook een ‘overtrek’ van zijn helm, even donzig en blauw, en met oren.
Als we zoiets zien, dan denken en zeggen we ‘aiai’ en zijn we benieuwd welke vreemde vogel onder die vermomming zit.
J. leek verlegen. Beleefd. Onwennig.
‘Mijn moto heeft een herstelling nodig. Het rijden moet veilig blijven.’

Gisteren kwam hij zijn 125cc terughalen.
‘J., die onesie, dat is echt een opvallende uitrusting,’ zegden we.
‘Ja,’ zei hij. ‘Ik rijd graag, ik reed op drie maanden tijd al drieduizend kilometer en ik maak het met mijn blauwe overpakje extra plezierig, de politie hield me hier in Londerzeel vorige week staande, controleerde mijn documenten, vroeg of ik me wel aan alle regels hield, jaja zei ik, ik rijd altijd voorzichtig en nooit te snel. Oké vertrek maar, zegden de politiemannen, maar laat je door je vrienden niet uitdagen tot stoer rijgedrag en ik zei daarop dat ik dat nooit doe en dat ik hier zelfs helemaal geen vrienden heb, snif, ik ken hier niemand, snifsnif, zei ik en ik lachte maar zei ik ken hier echt niemand.’
Hij had twinkelingen in zijn ogen.
‘Ik moet straks naar Kortrijk, naar een trouwfeest en ik zal mijn nette pak onder mijn motokleding dragen, hahaha, en ik rijd supergraag met de moto en het wordt mooi weer.’
‘J., het is echt nodig dat je je oliepeil wat meer controleert, zeker als je langere ritten rijdt,’ zei Bart.
‘Oei ja, dat vergeet ik dikwijls, ik weet ook niet of ik dat wel correct doe.’
Bart liep mee naar buiten, tot bij de moto. Ik zag de lichaamstaal van beiden. Ze lachten.
Ze kwamen terug binnen, J.’s helm lag nog op de toonbank en hij moest nog betalen. Of dat ook met zijn telefoon kon?
‘Ja, natuurlijk,’ zei ik.
‘Nu rijd ik naar huis en moet ik douchen en mijn nette pak aantrekken,’ zei hij. Hij nam zijn donzigblauwe helm, bedankte ons nog uitvoerig, gespte zijn helm vast en startte zijn motor.

‘IRL’. Alles met de tag ‘irl’ is grotendeels echt gebeurd. Ik weet niet of ik de lees- en werkverhalen zal voortzetten. We zien wel.