LENTE, BIJNA LENTE, OVERAL

en mep me geen gedicht rond mijn oren
of gooi niet met tulpen of rozen
of lieve woorden.

Val niet op je knieën
en vertel me geen dromen, geen wensen
vertel me gewoonweg niks.

Hou je zachte gemurmel
hou je mooiste, je zoetste glimlach
hou je allerliefste, allerbeste, meest welgemeende groet

ik hoef hem niet
ik hoef niks.

Ik wil vooral en alleen de zon en de wolken
en de helderste maan
en de strafste sterren

en een zeldzaam vliegtuig met onbekenden
en een sporadisch bewegen van iets anoniems
of een auto, een moto, een fiets met de ene of andere, verre,
iemand.

Laat me hier
bij mijn groen en mijn blauw
bij mijn veelsoortige vogels – een zwaluw, een fazant, een koppel eenden verstopt in het hoge, malse gras van de beek, een witte kwikstaart, tien, honderd

laat me alleen
bij mijn bomen – de wilgen, de beuken
bij mijn wit met zachtpaarse anemonen – bijna, als de lente de lente is

bij mijn witte en rode rozen – bijna, als de lente
bij mijn pioenen en mijn ranonkels – bijna, als de lente
weer lente is, een lente, als ze mag, als ze mag.

INTERPRETATIES, OVERAL

We willen WE WILLEN NIET
We zullen WE ZULLEN NIET
We mogen WE MOGEN NIET
We kunnen WE KUNNEN NIET

We dansen WE DANSEN NIET
We lopen WE LOPEN NIET
We fietsen WE FIETSEN NIET
We zingen WE ZINGEN NIET

We lachen WE LACHEN NIET
We hopen WE HOPEN NIET
We dromen WE DROMEN NIET
We leven WE LEVEN NIET

Londerzeel, Pasen 2020

DIKKE VETTE ZWARTE LIJNEN, OVERAL

en ik zou je willen aanraken, maar dat mag niet. Niks mag. Ik wil je handen vastnemen, ik wil een arm, een schouder aanraken, maar het kan niet. Ik mag zelfs niet reiken. Ik sta ver van je, maar het moet nog verder. Nog verder. Nog! Nog twee meter verder! Achter die dikke vette zwarte lijn moet ik blijven. Ik moet. Het moet. Ik mag niet. We mogen niet, niemand mag. We moeten, allemaal, we doen niet anders, we blijven achter die dikke vette zwarte lijnen.

SLIKKEN, OVERAL

en de krop in de keel.
Marc probeert hem door te slikken maar het lukt niet. Hij haalt eens diep adem en probeert nog eens. Marc gorgelt, doet wat nekoefeningen, probeert, maar de krop blijft. Marc kucht. Hij ademt een paar keer rustig in en uit, de dokter had hem gezegd dat diep in- en uitademen een goede ontspanningsoefening was, en het ademen doet deugd maar de krop blijft. Hij slikt nog eens. Hij gaat even naar buiten, recht zijn rug en schouders, kijkt naar de nachtblauwe hemel, ziet de sterren, overal, voelt de krop, overal, ademt, slikt, de krop blijft.

SLAGROOM, OVERAL

‘Veel, veel!’
‘Ben je zeker? Dat is helemaal niet gezond!’
‘Ja, ik wil veel, veel slagroom, een hoge toren!’
‘Maar dat is echt niet goed voor je. En het is slecht voor de lijn.’
‘Toch wil ik veel. Komaan, doe er nog maar een grote toef bij. Ik wil twee torens!’
‘Man man man, ben je zeker? Straks ontplof je!’
‘Tja. Maar ik wil slagroom. Slagroom, overal! En ik zal ontploffen, ja, maar eerst wil ik twee hoge torens!’

LACHEN, OVERAL

Ik kwam niet meer bij van het lachen. Een man deed alsof hij zat te vissen en zijn televisiescherm was de visvijver. Hilarisch. Een andere man, veel te dik, die ons buiten adem een paar yoga-oefeningen voordeed. Nog een andere man die, met zijn hond in de armen en zijn vrouw en dochter in het kielzog, een dansje rond de tafel deed, zingend, wuivend, dat we de zon in ons hart moesten laten, vrolijk, vrolijk, zonnen, harten, dansen, honden, mensen, lachen, lachen, lachen met tranen, tot we echt huilden, huilden, huilden.