UITGESTREKT

Ines zei:
Plots lag mijn hart daar. Open en bloot. Zonder pijn, zonder bloedvergieten. Gewoon floep. Heel eenvoudig uitgestrekt op de tafel. Ik had niets gemerkt en er zat niet eens een gat in mijn borst.’

‘Nee, niets romantisch. Eerder iets met de wereld en met die vele, grote, té brede schouders die ik-weet-niet-wat beloven en beweren. Dat ze zomaar alles kunnen veranderen, alles kunnen bedwingen. Zelfs branden en stormen. Dat ze van veel rottigheid goud kunnen maken. Vooral stapels dollars.’

‘Naalden. Een hart vol naalden. Nee, zelf voelde ik niets. Het lag daar, pal voor mijn neus. Een uitgestrekt hart, vol naalden.’

‘Tja. Plots lag het er niet meer. Het zat terug in mij. Ik voelde het. En nee, weer geen pijn, geen bloed, geen wonde.’

‘Met of zonder de naalden, dat weet ik niet. Ik denk zonder, maar zeker ben ik niet. Wie zou die naalden uit mijn hart getrokken hebben? En het klopte. Rustig. Mijn bloed stroomde zoals altijd.’

‘Ik keek naar de plaats op de tafel waar eerder mijn hart lag. Er zat een deuk in het hout. Zou mijn hart echt zo zwaar zijn? En nu? In mijn lichaam? Een zwaargewicht in mijn borstkas?’

‘Ik nam een tafelkleed en legde het over de tafel. Zocht een vaas, plukte snel wat bloemen en zette ze naast de deuk. Ik nam mijn jas en de leiband, riep de hond. Misschien moet ik eeuwig wat wandelen, dacht ik. Dus hier ben ik. Ik rust wat. Ik hou van deze zitbank aan de rand van een veld, of van die andere, aan de rand van een bos. Ik rust en ik kijk. Waar het kan, laat ik de hond los. Die verkent dan vrolijk de omgeving. Zelf blijf ik zitten en kijken.’