HET IS EEN ZEIL EN HET LEKT

ld6
LD6 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Ze gaven me kleren. Het was een aalmoes. Ik moest dankbaar zijn, zegden ze. Dankbaar ook, voor het voorlopige dak boven mijn hoofd.

Er is geen dak. Het is een zeil. Het lekt.
Mijn jongste broer is ziek. Er is geen dokter, er zijn geen medicijnen.
Het dak is echt helemaal lek – het is een vergiet.
Ze kwamen me halen en ze hadden goede bedoelingen, zegden ze.
Maar ook daar was het dak lek.
De andere vrouwen waren nagenoeg naakt.
Allemaal samen, naakt en koud, onder een lekkend zeil dat beschutting zou bieden.
Geen beschutting.

Ik kon terug naar mijn broer. Ik mocht me gelukkig prijzen, zegden ze.
Hij was nog zieker.
Twee dagen later was hij dood.
‘Uw muren en daken lekken,’ schreeuwde ik.
Ik nam een parlofoon en liep door de modderstraten. Telkens dezelfde zin. Ik schilderde het op de zeilen, op de omheiningen, op hun auto’s. Overal. ‘Uw muren en daken lekken,’ met grote halen, met luide stem, overal.

Advertenties

FATIMA XXXIV, IN KLEUREN

ld5
LD5 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Ik zei dat ik zou proberen om in kleuren te leven. Blauw was de eerste kleur, zei ik. Daarna zou ik rood, geel, groen toevoegen.
Ik wist niet waar ik moest beginnen.
Ik raapte mijn gereedschap bijeen, maakte mijn valies en stapte in de auto.
Ciney? Dinant? Remouchamps? De tweede brug over de Amblève, richting Aywaille? Of in de andere richting? Trois-Ponts? De Ninglispo?
Ik was er al lang niet meer geweest.
Blauw, ja. Blauw was de eerste kleur.
Honderdveertig kilometer. Ik reed ze in een ruk, natuurlijk. Ik zocht het restaurant. Daar. Leeg en vervallen. Even verder, het wegeltje naar boven.
Mijn rugzak woog.
Ik klom.
Bijna.
Nog tweehonderd meter, schatte ik.
Blauw. Blauw was de eerste kleur, dat wist ik nu wel zeker.

FATIMA, NEXT : NOEST

ld4
LD4 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Noest.
Ik.
Kijk, mijn handen.
Noest.
Ik.
In het zweet en in het eelt. Kijk, mijn handen. Noest.

Ik neem mijn
emmer, vod, mijn dweil, mijn borstel, mijn vuilblik en mijn vuilniszak.
Ik poets.
Ik neem mijn kuisproducten en mijn groene doeken, rode doeken, gele doeken, swiffer en et cetera.
Blinken doe ik, wrijven, duwen.
Blinken doe ik, wrijven, duwen.
Kijk, mijn handen, vol met eelt, mijn harde handen, noest.

 

‘Noest’ in de etymologiebank: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/noest1

FATIMA, NOG EEN

ld3
LD3 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

en ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel.
Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna?

FATIMA

ld2LD2 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

1.  FATIMA
Van mij. Helemaal. Niks af te geven. Niks te declareren. Gekregen. Ik. Het was koud. Ik bevroor. Uit de lucht komen vallen. Van mij. Ik geef niks terug. Uit de lucht, zeg ik. Nee, niet gestolen. Natuurlijk niet. Ik ben geen dief. Vast. Vasthouden. Van mij. Mijn naam staat erin. Helemaal. Ja, speciaal. Nee, niet nieuw. Nee, niet alledaags. Mijn naam. De mijne.

2. FATIMA
En ze stopten me in een kamp en ik moest bevallen en het kind is dood het was te koud er was niks er was een man die me heeft geholpen die heeft het kind
Het was zo koud het regende er was geen warm water er was geen verwarming er was geen eten er was helemaal niks.
Miezer.
Huilende kinderen. Huilende kinderen van anderen.
Het mijne is dood. Dood.

Het was te koud. Koud.

Er was niks. Niks.
Geen warmte geen licht geen liefde geen behoedzaamheid geen mensen geen hulp geen noodziekenhuis geen dokter. Geen.
Enkel die man.
Die vreemde.
Hij hielp me.
Het kind is dood.
Het is niet.

NIET HIER

ld1
LD1 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Ik? Ik ben er niet. Ik ben hier niet. Ik ben niet hier.
Ik hou me gedeisd binnen mijn eigen hoofd.
Ik zie het gebouw niet, ik zie de straat niet, ik zie de stad niet, noch de wereld.
Want.
Dit bestaat niet.
Want.
Het is een reproductie.
Want.
Het is een bouwval.
Want.

Ik heb het koud, ik wil de zon. Ik trek mijn mantel uit. Ik ben niet hier. Ik ben NIET HIER. Ik heb het koud en trek mijn mantel uit en laat de zon mijn huid

Ik laat de zon mijn huid aanraken. Ik laat me door haar opnemen. Ik laat me door haar innemen. Ik baad mijn voeten in het gras en in het licht. Ik laat mijn ganse lichaam ademen. Het ademt lucht, het ademt licht, het ademt gras en groen en al de velden. Het ademt alles, maar niet hier. Het is hier koud. Het is hier niet. Het is NIET HIER.

MAANDAG

Hopper Hotel by a Railroad

“Yep.”
“Spreek Nederlands.”
“Nope. En daarbij, Stefan, ‘Yep’ is korter dan ‘Ja’.”
“Doe niet zo stom.”
“Pff.”
“Breng me gewoon die bak mee.”
“Nee.”
“Moet ik dan zelf rijden?”
“Ja.”
“Maar jij rijdt naar het dorp. Dan kun je dat toch makkelijk doen?”
“Nee.”
“Trut.”
“Eikel. Haal ‘m zelf. Ik doe het niet. Niet meer. Voor niemand. Ook niet voor jou.”

Stefan schoof aan in de rij aan de kassa. Een kar had hij niet genomen en de bak stond aan zijn voeten.
“Kieke,” dacht hij.
Zij had die bak gerust voor hem kunnen komen halen.
Hij tilde hem op om hem te laten scannen.
“Duvel, meneer?”
“Begin jij ook al?” snauwde Stefan.
“Ik zou niet durven, meneer.”
Hij betaalde en droeg de bak naar buiten.

(Afb.: Edward Hopper, Hotel by a Railroad, 1952.)