SALDO EEN DERDE

Maar ik raak niks aan, mijnheer Macharis. Ik hou mijn handen thuis. Geen Sontag, geen Pavese, geen Rimbaud, zelfs geen Borges. Ze lijken van vuur. Zou ik mijn vingers verbranden, mijnheer Macharis? Nietzsche? Ook niet. Plato? Ook niet. Niks, helemaal niks. Net of, of, of ik durf niet, of ik stel het uit, of ik schuif het voor me uit en net of ik ben bang voor wat de lectuur van enkele pagina’s van de grote namen zal bewerkstelligen, en ik wil niet dat er iets bewerkstelligd wordt, en ik wil niet dat ik mijn vingers, of mijn hersencellen verbrand. Of misschien staken mijn hersenen?
Maar wel: Ik lees de laatste, of een van de laatste, van Auster en ik wacht tot hij me meeneemt maar kijk, hij doet het niet, het lukt hem niet, misschien komt het nog, ik ben benieuwd. Voor het overige keek ik naar de golven en gisteren keek ik naar de bomen (‘Zij zijn nog een derde’) en naar de blauwe lucht en naar wat overvliegt; vogels, vliegtuigen, sterren, tractoren, restanten van maïs, vallende bladeren, stof bij hoogzon, bijna-droge lakens, ander pluimvee, ja, zoals de eenden van madame Carine, en ook oesters, soeptassen, oleanders, rozen, hortensia’s in buitenaardse maten, volle manen, heuvelwegels waar geen enkele auto op passeert, het huis van madame Paris, en dan, de jeugd op de fiets, nieuwe asfaltlagen, zuchtende honden. Een rijkdom, ik zeg het u, een rijkdom is het, hij vliegt voorbij, alles vliegt voorbij en ik verbrand me er niet aan.


(de bomen, saldo een derde, gsm-foto)

Bewaren

Advertenties

REUTEMETEUT NUMMER HONDERDDRIEENZESTIG

’t Is ’t een en ’t ander hé mijnheer Macharis. Gisteren een man die zijn vrouw de keel over sneed. Eergisteren drie jongeren die met supermachogeweren een groep buurtbewoners neerkogelden. Vorige week vijftien doden in de Chinese wijk en niemand weet wat er gebeurde. En de week daarvoor een gezin van moeder, vader en drie kleine kinderen…

Ik dacht, ik leg die hele reutemeteut naast me neer. Het geweld, de oorlogen, de moordpartijen maar ook het oude bankengedoe en gedwongen faillissementen en overnames door nog grotere groepen. Geen dikkenekburgemeesters meer voor mij. Geen omgekochte douaniers meer – bij ons in de haven…. Het heeft geen naam, mijnheer Macharis… U kunt zich niet voorstellen wat daar het voorbije jaar gebeurde…. En het wordt hoe langer hoe erger….
Maar goed.
Ik dacht ik trek de bossen in, voorgoed. Weg van het geweld en het racisme, weg van het zevenenveertigste geval van omkoping. Weg van de zoveelste aanbesteding die niet klopt. Aaargh, de miljoenen.
Ik dacht dus echt ik trek de bossen in.
Maar wat dan, mijnheer Macharis? Wat doet een mens daar een ganse dag, in het bos? Ik kan toch geen bomen omhakken en blijven bomen omhakken en blijven etc? Of de eekhoorntjes achtervolgen, week na week na week na week? Bovendien, houden die geen winterslaap? Moet ik me dan bij hen neervlijen?
Ik blijf dus nog even gewoon aan het werk, mijnheer Macharis. Ik leg dat laatste omkoopgeval van beambte nummer achthonderdzestien wel naast me neer. Ik doe nog even alsof mijn neus bloedt, nog een maand misschien, of twee, of misschien drie of vier of langer.