ELISE (4 van 4)

Hij is hier, bij mij en we praten vaak. Niet iedere dag, maar als ik hem iets wil vertellen, dan is hij er.
‘Kom hier, nieuw meisje,’ zo zei hij het ook vaak toen hij leefde, ‘je bent weer helemaal anders en nieuw,’ zei en zegt hij telkens, en hij bleef en blijft zacht, zo zacht, en strelend, met zijn houthakkershanden.

Advertenties

ELISE (3 van 4)

Of toen die ene boom omverviel. De storm.
‘Ze zijn kaprijp, ik moet een kapvergunning aanvragen, ze moeten allemaal omgelegd worden, de sterkte is nu uit het bos, er moeten nieuwe komen, ook zij zullen groeien,’ zei hij. Het maakte hem zowel verdrietig als blij, en hij kon er uren blijven naar kijken, zelfs als er bezoek was, dan ging hij aan het raam staan, of buiten, en zei hij niks meer en keek hij naar de bomen.

ELISE (1 van 4)

Ik word tachtig, maar ik weet het allemaal nog heel goed. Hij. Hem. Wij.
We waren elkaars grootste liefde. Ik voel hem nog altijd, hier, in mijn hals, zijn lippen. En zijn handen. Zacht en strelend. Minnend, verkennend, altijd opnieuw.
‘Jij blijft eeuwig nieuw, Ik vind altijd nieuwe poriën,’ zei hij. ‘Ze zijn van jou, ze zijn van mij,’ zei hij. En hij minde en verkende en streelde en vond en mocht en hij minde, beminde, opnieuw en opnieuw en opnieuw.

DE TAFEL

‘Het antwoord blijft nee,’ zei Martine. ‘Tom is dood. Maar Tom was enig en uniek. Je weet wat hij voor mij betekende en wat hij allemaal voor me deed. En de meubelen die hij maakte. De tafel, de kastjes, de blanke eik! En al die kleine dingen. En zijn liefde, zijn zachtheid! Hoe zou ik kunnen doen wat jij vraagt? Meegaan? Waarom? Ik hield van hem, ik hou van hem. Ik heb mijn herinneringen, ik heb dit huis en de tuin, ik heb de buren, ik heb enkele vrienden en vooral, ik heb de kinderen. Heb je gezien hoe sterk Pieter op Tom lijkt? Hoe zou ik het kunnen? Niet dus. Het antwoord blijft nee.’

NUL KOMMA NUL

‘Maar ik heb je zo veel gegeven! Al die kleren! Schoenen! Twee museumabonnementen! Dat mooie kastje! Die prachtige mantel! Onze reizen, onze citytrips! Besef jij wel hoeveel dat allemaal gekost heeft?’

Inge huilde. Hij kon dat niet zien, en ze was niet van plan om er iets van te laten merken. Ze slikte de tranen weg.

‘Nu zeg je niks meer he, meiske! Wie denk je wel dat je bent! Je hebt van me geprofiteerd! Ik heb zo veel in jou geïnvesteerd!’

Inge kon terug gewoon praten.
‘Geïnvesteerd?’ vroeg ze.

‘Ja, je hebt me goed verstaan! Geïnvesteerd! En wat heeft het me opgebracht? Niks. Nul komma nul nul procent! Ik lijd zelfs verlies! Al die geschenken! En die nieuwe telefoon! Wat zei ik? Dik verlies lijd ik! Ik wou dat ik je nooit gekend had! Jij was een domme investering!’

‘Zo had ik het nog niet bekeken,’ piepte Inge.

‘Nee, zo slim ben je niet hé, kieke. Daar had je niet over nagedacht hé! Maar ik wel! Dik verlies, ja.’

Inge hield haar telefoon nu wat steviger vast. ‘Een snijplank zou beter geweest zijn,’ zei ze.

‘Wàt zeg je?’

‘Een snijplank.’ Ze articuleerde zorgvuldig.

Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Inge hoorde zijn ademhaling, maar hij zei niks.

‘Zo’n houten,’ zei ze. Ze hikte. Ze moest lachen en huilen tegelijkertijd, en dat leek op een grote hik.

‘Wàt zeg je?’ vroeg hij nog eens.

‘Zo’n grote mooie,’ zei ze. ‘Ze bestaan nu ook in bamboe. Ik denk dat ze vijftig euro kosten. Ze verkopen ze overal. Vijftig euro. Ik zag er een die over het aanrecht past. Dat zou een goeie investering zijn,’ zei ze. ‘Dan kun je groenten snijden.’ Inge was bang dat hij de lach in haar stem zou horen of dat ze niet meer zou kunnen stoppen met lachen. Ze hoorde niks aan de andere kant van de lijn.
‘Dàg Fred,’ zei ze.

ZEI HIJ, VROEG HIJ

Maar hij was gehaast, zei hij, hij moest immers nog langs de boomgaard en het was al halfzes. Maar morgen wil ik je terugzien, kan dat? vroeg hij, en hij raakte bijna haar wang aan.
Ze knikte. Meer dan dat kon ze niet, ze had een krop in haar keel en ze voelde de tranen prikken.

Morgen? Misschien. Ze was nog niet zeker. Ze zou hem een bericht sturen. Of niet. Gewoon zwijgen? Maar ze voelde zijn ogen nog branden in de hare, ze zag nog zijn glimlach, zijn blijdschap.

Ik ga, ik ga niet, ik ga, ik ga niet, twijfelde ze. Ze ging. Hij stond haar op te wachten. Je bent mooi, zei hij. Dank je, antwoordde ze. Daar stonden ze dan, onhandig, verlegen.

Hoe gaat het met je ouders? En met je broer? Maar vooral, hoe gaat het met jou? Woon je terug in de Dorpsstraat? Nee? In een appartementje, zeg je? In de Holle Eikstraat? Ja, daar is het mooi, zei hij.
Ze luisterde luisterde en liet zijn stem diep in zich doordringen.

Ik heb vaak aan je gedacht, zei hij. Die dag van het licht, weet je nog, toen, aan de Oosterschelde? Iedereen zat binnen en ik zag jou op het gras aan de uitgang van de haven, je keek naar de zeilboten. De zon en de wind speelden hun spel met je haren, ik kwam tot bij jou gelopen, weet je dat nog? Ik was buiten adem.

Ze knikte. Ik weet het nog, zei ze, we waren met meer dan twintig.
Ja maar jij stond daar alleen, en ik zag jou en je haren en de wind en het licht, zei hij.
Ja, zei zij.

Je bent niets veranderd, zei hij.
Jawel, zei zij. Ik ben vijf jaar ouder.
En mooier, zei hij. Nog mooier. Weer raakte hij bijna haar wang aan.

Waarom ben je teruggekomen? Vroeg hij.
Goh, zei zij. Ik veranderde van werk en ik dacht misschien kan ik dat appartementje
En nu ben je terug, zei hij. Voor altijd? vroeg hij.
Tja, zei zij, wie weet.

Mag ik? vroeg hij.
Ze liet zijn stem in haar doordringen, slikte de krop in haar keel weg, knikte, liet toe dat hij zijn hand op haar wang, over haar haren, haar hoofd tegen zijn schouder, ze voelde zijn longen, zijn adem, zijn wachten.