GEVOELIG

Nee, langzaam. Heel langzaam. En let op, want het is gevoelig. Ja, dat is beter. Oei, nee, opletten. Wacht even. Herbegin. Goed zo. Ja, dat is veel beter. Nu de volgende stap. Nee, wacht een paar seconden. Rust. Adem in, adem uit, adem in. Neem de naald. Extra voorzichtig. Ja, laat ze wat opwarmen. Rustig. Denk aan het dons. Juist, ja, o zo zacht. Hm. Oei. Nee. Ik zou toch nog wat wachten. Tel tot vier. Ssst, stil, twee, drie, vier. Nee, herbegin. En het is beter als je fluistert. Heel zacht. Twee, drie, vier. En heel langzaam. Ja, goed, nu zal het lukken. Wacht, opletten. Ja dat is goed. Ja, zie je? Perfect. Gevoelig. Zo. Langzaam. Ja, langzaam. En heel zacht.

Advertenties

LAMLENDIG

‘Ik verveel me,’ zegt hij.
Hij geeuwt.
Neemt een boek vast.
Legt het weer weg.
Geeuwt.
‘Ik verveel me,’ zegt hij.
Neemt een blad papier en een potlood.
Schrijft een woord.
Legt het potlood weg.
Speelt met het papier.
Vouwt een vliegtuig.
‘Zou het vliegen?’ vraagt hij hardop.
Geeuwt.
Legt het vliegtuig neer.
Geeuwt.
‘Aaargh, de verveling,’ zegt hij.
Neemt het vliegtuig weer op.
Neemt het potlood.
Schrijft iets op een van de zijkanten van het vliegtuig. We kunnen niet lezen wat.
Hij geeuwt.
Hij probeert het vliegtuig te laten vliegen, maar het valt met de neus steil naar beneden.
Hij geeuwt.
‘Nee, echt niet, ik raap het niet op,’ zegt hij.
‘Goh, ik verveel me,’ zegt hij.
Geeuwt.
Neemt een blad papier en een potlood.
Schrijft iets.
Speelt met het papier.

EENENTACHTIG

‘Ik was bij mijn moeder,’ zei ze, ‘het is altijd hetzelfde, ze zal niet meer veranderen, ze vraagt hoe het met mij gaat en met de kinderen en met mijn broer, en of onze pa nu? en die laatste zin maakt ze nooit af, want ze weet het maar ze vergeet het of ze twijfelt, zegt ze, en dan begint ze te herhalen, hoe het met mij gaat, met de kinderen, herhaling herhaling.’

‘En de volgende keer,’ zei ze, ‘is het weer net hetzelfde. Nee, het zal niet meer veranderen, het zal zelfs verergeren, ze vraagt vijf keer hoe het met mij gaat en met de kinderen, met mijn broer, en of onze pa? En dat laatste blijft voor haar, in haar geheugen, waarschijnlijk voor eeuwig een vraagteken.’

‘Het is niet anders,’ zei ze. ‘We moeten hiermee voort. Ieder bezoek is een herhaling, herhaling, ze vraagt waar ze is en dan zegt ze Oh ja, ik was niet zeker maar nu weet ik het weer, ze zijn hier erg vriendelijk en het eten is goed en ze zegt dat ze niet wil klagen want mensen klagen al genoeg en zo slecht is het leven toch niet, zegt ze.’

‘Volgende week ga ik terug,’ zei ze. ‘Ik kan alles tegen haar zeggen en eindeloos vertellen, ze onthoudt het toch niet en ik mag telkens en telkens opnieuw beginnen, soms doet dat deugd, dat ik kan herhalen, herhalen.’

GELUKKIG

Er bestaat een app voor, de harmonicity-meter, en die meet dat de klanken zuiver, zuiverder zijn.

En leg die dan maar naast dat boek van Kandinsky, de gedichten.

Ondertussen gaat het gewone leven voort en de boeren bekijken de mosterdplanten en met hun tractoren

of het is de tijd van de koeien en de ganse familie – de boer en de boerin zelf maar ook hun dochters en hun bejaarde ouders – staan paraat, op zaterdag, zondag.

Het is echter ook een kwestie van de juiste kleuren en die kunnen vibreren, ja, en een mens gelukkig maken, ja, en dan kan hij een volgende app gebruiken, iets met de gezondheid van het hoofd, en misschien een nakende depressie.

‘Ach,’ zegt de boer, ‘maar mijn moeder en vader,’ en hij ziet zijn moeder daar staan, aan de ingang van de schuur, zij bewaakt de rust van de koeien

(‘De poort is gloednieuw, het hout is zo mooi, en deze nieuwe poort is veel beter geïsoleerd dan de oude,’ zegt hij.)

De oudste dochter kan een tractor herstellen, en als het moet zelfs de melkmachine, zegt hij.
De jongste dochter studeert voor landbouwingenieur, of zo, zegt hij.

En zo weet hij, bijvoorbeeld, dat er ook een app voor de melk bestaat, maar eerst gebruikt hij de harmonicity-meter, voor het geloei, voor de tijd en voor de

noodzaak.

De zoon zit met zijn neus in de boeken. Het ene gaat over kunst, iets met vormen en kleuren, er staat telkens een gedicht naast en hij wil wel een ets, zegt de zoon, en die meer dan twintig houtsneden, maar ze zijn vast onvindbaar of

veel te duur, zegt hij.

Het andere is een detective.

‘Dat mag, dat moet,’ zegt hij, ‘voor de verschillende geluiden, de kleuren, de paletten, de mensen, de levens,’ zegt hij en hij probeert de

harmonicity-meter.

‘Het is goed,’ zegt hij.

PAPRIKA-ACHTIG

Anne zegt: ‘Het was een grapje.’
Ik antwoord dat ze beter wat paprika’s zou plukken, ze kleuren al rood, en de pepertjes zijn niet groen meer maar fleuren, in hun flitsende oranje, de hele achtertuin op.
‘Jaja,’ zegt ze, ‘maar morgen, weet je…’
Nee, ik wil het niet weten, ik vind haar grappen niet grappig en ik wil op haar uitnodiging tot een langer gesprek niet ingaan. Geef mij dan maar de tuintjes en de keukentjes, of de huisjes, of de kinderen en de honden.
Ik zeg dat ze ruiven.
‘Pardon?’ vraagt Anne.
‘Ze ruiven,’ herhaal ik.
‘Wat bedoel je?’ vraagt ze.
‘Je zou beter de paprika’s en de pepertjes,’ antwoord ik.
‘Jaja,’ zegt ze. ‘Maar misschien word ik burgemeester,’ zegt ze.
‘De rode paprika’s zijn wat zoeter maar de groene zijn ook lekker,’ zeg ik.
‘Jaja,’ zegt ze. ‘Een echte burgemeester, jaja.’
Ik zie dat ze wegdroomt. Ik haal zelf de paprika’s en de pepertjes.

IJVERIG, -IG, -IG

Anne haar keel werd dichtgeknepen maar ze leeft nog.

Die app van de sterrenhemel.

Koen had weer een lekke band, de vijfhonderdste.

De klokt tikt hier, de klok tikt daar.

Het water, het water.

Rimbaud aan de drugs.

Hij ligt daar, paars te wezen.

Tik, tik, de klok tikt vooral hier.

Een bobbel in het wegdek, een kleine.

Drieëndertig pogingen om ons te overtuigen.

Tik, tik.

Links, als trouwe compagnon, de papieren papegaai, eeuwig.

Recht naar Flaubert.

IJverig, -ig, -ig.

RUIG

Er zijn ook échte putboorders; ruige en stoere maar kleinhartige mannen, met eeuwig vuile handen, handen zo groot als kolenschoppen. Ik kén ze, die echte putboorders, ik zie ze vertrekken, ’s ochtends, met hun enorme en indrukwekkende vrachtwagens, om zes uur zijn ze al weg voor hun bijzondere werk, voor het diepe boren in onze aarde. Ze kennen hun job, hun gereedschap, de grondlagen, ze weten dat er geen ‘goed water’ meer te vinden is op 30 of 40 meter en dat ze tot 60 meter moeten boren en binnenkort nog dieper, want ‘Die met hun zwembaden zijn verspillers maar het water is niet onuitputtelijk.’  Ik ken ook hun vrouwen, die zeggen ‘Ze hebben grote werkhanden en een goed hart, het kon veel erger zijn,’ en dat is nog waar ook.