CAMION

Zegt de ene camion tegen de andere:
Ik ben hier.
Zegt de andere:
Niks van, ik ben hier.
Uit de weg, jij!
Nee, jij!
Nee, want ik ben groter!
Nee, want ik ben zwaarder!
Nee, want mijn inhoud!
Nee, want de mijne!
Wat dan?
Goud!
Pfff, die van mij: wit goud!
Ja, maar ik soms olie!
Ja, maar ik soms nog meer olie!
Kan me niet schelen! Ik ben de beste!
Nee, ik!
Nee, ik! Uit de weg!
Nee!
Ik ook niet!
Niet dan!
Niet dan!

Advertenties

VERSTANDIG

De man monsterde me van kop tot teen, liet zijn blik even op mijn versleten en in weken niet gepoetste schoenen rusten, keek me aan en vroeg:
“Ben je verstandig?”
Of ik verstandig was? Wat moest ik daar op antwoorden?
“Ik ben niet dom,” zei ik.
Hij staarde naar de middelste knoop van mijn hemd.
“Ja maar, ben je verstàndig?”
“Euh, ja, ik denk dat ik verstandig ben.”
“Je moet niet denken, je moet zijn. Je hoeft je niet te schamen en je mag je verstand etaleren. Wat weet jij?”
Ik wist alvast niet wat ik met deze man aan moest. Verwachtte hij een antwoord?
“Ik weet hoe oud ik ben,” probeerde ik, maar dat was natuurlijk niet wat hij bedoelde.
“Nee, wat wéét jij?”
“Ik ken de namen van bloemen en planten?”
“Ja, dat is een goed begin. En wat weet je nog? En hoe bewaar je jouw kennis? Draag je zorg voor jouw verstand? Of gooi je jouw hersenen te grabbel en prop je er dagelijks een massa te snelle beelden bij?”
“Te snelle beelden?” Ik wist niet wat hij bedoelde.
“Televisie. Computer.”
O, dat.
“Eum, ja, af en toe.”
“Dan ben je te nieuw.”
“Te nieuw?”
“Ja. Je bent te nieuw om goed en geschikt verstand te hebben. Hersenen moeten op de oude en traditionele manier bewaard worden. Anders kwijnen ze weg, of verstikken ze onder de snelheid. Je moet meermaals per dag even stilstaan, en je moet je niet laten afleiden door de snelle beelden, ook niet door de grote reclames. Heb je dat paneel met publiciteit voor het museum gezien? Hoe groot kan de tegenstelling zijn? Een modern en veel te lichtgevend bord met flitsende slogans en foto’s? En dat om mensen naar een museum te lokken?”
“Misschien moet de moderne mens met flitsende beelden overtuigd worden?” vroeg ik.
Maar hij hoorde me niet.
“Oververzadiging,” zei hij. “De wereld ontploft. Miljoenen soorten fluo. Overal valse regenbogen. Overal schreeuwerige kunst. Moet kunst niet stil zijn, zodat de mens er over kan nadenken? Moet muziek alles overstemmen, zoals zij nu doet? Zij is overal aanwezig! Het lawaai! Moet muziek luid, moeten kunstwerken immens zijn? De mens struikelt over de afmetingen en hij beseft het niet eens. En hij vergeet de hele tijd zijn veters te knopen! Wacht maar! Als hij van de trap afloopt zal hij op zijn donder gaan, en dan zal het bliksemen tot in de bovenste verdieping van de hoogste wolkenkrabber!”
Ik beaamde. Sterker nog; ik zei braaf “Ja meneer”.
“Ben jij er zo een?” Hij brieste. “Knik jij gehoorzaam als iemand zulke dingen zegt? Heb je zelf geen mening, dan?”
“Jja,” stamelde ik. Hij wuifde me weg.
“Verdwijn,” siste hij. Met de wijsvinger van een hand maakte hij een cirkelende en opstijgende beweging, vanuit zijn mond kwam een zoemend geluid.
“Je stijgt op,” zei hij.
Ik keek naar mijn versleten schoenen. Ik steeg niet op, ik stond waar ik stond.
“Nee hoor, ik blijf,” zei ik.
“Wacht maar,” zei hij. “Al dat kunstlicht en al die flitsende helikopterbeelden, al die dingen zullen jou tot op het dak van de wolkenkrabber brengen, en daar zal je ontwaken net voor je naar beneden stort.”
De man was gek.
“Maar ik ben verstàndig,” zei ik.
“Jaja,” zei hij. “Dat zal wel. Maar laat je hersenen niet rotten!” zei hij. “En poets je schoenen!”
Toen ik terug opkeek was hij bijna de hoek om. Ik zag nog de opwaartse beweging van zijn hand en dan niks meer.

STUURS

“Meneer, u kijkt stuurs.”
“Stuurs? Ik kijk niet stuurs. Bovendien: ik ken u niet.”
“Nee u kent me niet. Mijn naam is Matthias. En ik vind dat u stuurs kijkt.”
“Ik kijk niet stuurs, zei ik. Dit is mijn gelaatsuitdrukking en ik wil die niet veranderen.”
“Oké meneer. Meneer, wat doet u hier in Brussel?”
“Dat zijn uw zaken niet.”
“Bent u een toerist?”
“Nee, ik ben geen toerist. En ik herhaal dat het uw zaken niet zijn.”
“Ja maar, ik dacht..”
“U hoeft niks te denken. En laat me met rust.”
“Ja maar, ik wou u enkele vragen stellen.”
“Vragen? Waarom? Ik ken u niet. Ik heb niks met u te maken en u niet met mij.”
“Vragen over u, beste meneer. Ik verzamel antwoorden.”
“Antwoorden verzamelen? Wie verzamelt er nu antwoorden? Ik heb nog nooit zoiets doms gehoord. Heeft u niks beters te doen? U zou beter een job zoeken en werken voor de kost.”
“O, wees gerust, ik werk voor de kost. Maar ik verzamel ook antwoorden. Mijn vraag voor u is, waarom u niet van de lente geniet?”
“Maar ik wandel toch door de stad?”
“Ja, maar u kijkt stuurs. U lijkt niet gelukkig.”
“Waarom zou ik gelukkig moeten zijn?”
“Ik weet het niet. Bent u niet blij?”
“Nee, ik ben niet blij, ik ben nooit blij en ik zie geen enkele reden om blij te zijn. Kent u een goede reden?”
“Ja. De lente.”
“Tja. Het mooie weer is goed meegenomen, dan hoef ik geen regenjas aan en ik voel zelf ook de warmte van de zon op mijn huid. Maar blij of gelukkig? Nee, ik zie niks op de wereld dat me nog blij kan maken.”
“Kinderen?”
“Kinderen zijn lastpakken. Ze hebben altijd honger of dorst, ze gehoorzamen meestal niet en ze maken kabaal.”
“Vakantie?”
“Vakantie is duur.”
“Mooie vrouwen?”
“Mooie vrouwen zijn ook duur.”
“Een hond? Heeft u geen huisdier?”
“Nee. Ik haat honden, ik haat katten, ik haat konijnen, tenzij in de pan.”
“Aha, u houdt van goed eten?”
“Nee. Ik eet omdat dat moet. Maar het ene gerecht smaakt me beter dan het andere.”
“Een mooie foto. Maakt een mooie foto u dan niet blij?”
“Nee. De wereld stikt van de foto’s. De mensen gooien al hun kiekjes op het grote internet en ze worden er door overspoeld en letten niet meer op de inhoud of op de kwaliteit. Vijftigduizend of vijfhonderdduizend bossen of stranden op het internet, dat is voor iedereen te veel. Of spelende kinderen. Of whatever. Voor mij hoeft dat niet.”
“Stilte? Houdt u niet van de stilte?”
“Nee. Ze doet me aan mijn eenzaamheid denken.”
“Eenzaam? Bent u eenzaam?”
“Dat zijn uw zaken niet, dat zei ik toch reeds?”
“U houdt misschien van muziek?”
“Nee.”
“Van een avond op stap, met de vrienden?”
“Ik heb geen vrienden. Ik ben alleen.”
“Helemaal alleen?”
“Inderdaad.”

De Dialogen, 7.

MAX

“Drieëndertig, vierendertig, vijfendertig,”
“Jongeman, wat doe je?”
“Ik tel de staptenen.”
“De stapstenen? Waarom?”
De jongen maakte een gebaar in de richting van de De Keizerlaan. “Daarom. Alle stenen.”
“Vijfendertig?”
“Twintigduizend en vijfendertig. Zesendertig, zevenendertig,”
“Maar waarom tel je die stenen?”
“Omdat ik ze wil tellen. Ik wil weten hoeveel het er zijn.”
“Om te weten?”
“Ja.”
“Vind je dat leuk?”
“Ja. Wacht.”
De jongen nam een papiertje en een potlood, noteerde iets, hij nam ook een stuk krijt en markeerde een steen.
“Wat doe je?”
“Ik markeer de eerste stapsteen.”
“De eerste?”
“Ja. De eerste die ik straks moet tellen.”
“De tienduizend en achtendertigste?”
Hij keek op zijn papiertje en knikte.
“Ja, want de laatste was de tienduizend en zevenendertigste.”
“Ik begrijp het.”
“Het is eenvoudig.”
“En plezierig?”
“Ja. Het is mijn hobby.”
“Ben je hier alleen? Waar zijn je ouders?”
“Mijn vader is in de buurt van de Grote Markt.”
“Wat doet hij?”
“Hij koopt boeken en drinkt een pintje. Hij komt me over een half uur oppikken. U bent wel nieuwsgierig hé meneer?”
Ik knikte.
“Hoe heet je?” vroeg ik.
“Max.”
“Max is een goede naam. Lekker kort.”
“Ja. Duidelijk ook.”
“Ja, je hebt een duidelijke naam.”
Max bestudeerde zijn papiertje en keek in de richting van de stenen die hij nog moest tellen.
“Wat bekijk je?” vroeg ik.
“Ik schat het aantal stenen.”
“Hoe veel nog? En waar stop je?”
“Ik weet het niet. Ergens. Ik stop als ik daar zin in heb. Of als ik geen zin meer heb om te tellen.”
“Tel je alleen die van het voetpad?”
“Ja.”
“Hoe lang doe je dit al?”
“Een jaar.”
“Het is immers jouw hobby.”
“Ja, ik verzamel de stapstenen. Tenminste, ik verzamel de tellingen. Ik markeer de eerste steen voor een volgende telling, als ik straks voortdoe, of als ik eens terugkom.”
“In alle steden van het land?”
“Ja. Van de belangrijke straten.”
“Zoals hier?”
“Ja.”

De Dialogen, 8

MARJA

Mijn volgende slachtoffer, als ik haar zo mag noemen, was een vrouw op leeftijd. Korte, grijze haren, donkerbruine ogen en een aangenaam gezicht. Ze had het warm, dat was duidelijk.
‘Marja’ heette ze, zei ze. Ze was onlangs zestig geworden.
“Ik kom om de twee maanden naar Brussel,” zei Marja. “Ik loop rond. Ik doe de Grote Markt. Ik loop tot aan het Museum, mijn dochter werkt daar. We lunchen samen, of we drinken gewoon een kop koffie. Ik loop nog wat rond en ik zoek ondertussen naar uilen, want ik verzamel uilen.”
Terwijl ze dat vertelde opende ze haar boodschappentas – zo’n groot geruit exemplaar, stevig en waterdicht.
“Kijk.” Ze maakte aanstalten om de tas te openen maar ze bedacht zich.
“Misschien kunnen we even zitten?”
Ze was al op weg naar een van de banken in de buurt van de fontein. Ik volgde.
“Kijk,” zei ze nogmaals. Ze opende de tas.
“Mijn vondst van vandaag!”
Marja pakte een spaarpot in de vorm van een uil uit. Hij was klein, maar van stevig porselein.
“Ik heb meer dan vijftig uil-spaarpotten,” zei ze.
“En kijk!”
Ze haalde drie kantwerkjes uit een doos. De uilen waren piepklein en ieder apart ingekaderd.
“Twintig euro per stuk,” zei ze. “Ik heb al een hele collectie. Ze zijn mooi, niet?”
Ik knikte.
“Dat was het voor vandaag,” zei ze. “De rest kocht ik niet. Ik hoef geen glazen meer. En tafelkleden met uilen heb ik ook al. En kussens ook. Zij zijn te alledaags, en ik koop er geen bij. Alleen nog speciale dingen. En af en toe een juweel in uilvorm.”
Ik bleef naar de kantkloswerkjes kijken. Ze namen me mee naar mijn jeugd – mijn grootmoeder zat  dagelijks aan haar kantkloskussen  en ik veel uren en dagen naast haar. Ik kon toen onnoemlijk lang blijven  staren naar de bewegingen van haar handen en van de klosjes. Of naar het opspelden. Ik mocht vaak mee patronen kiezen en een keer of drie nam ze me mee naar tentoonstellingen.
“en zakdoeken,” hoorde ik Marja zeggen.
“Zakdoeken?” vroeg ik. “Sorry,” voegde ik er dadelijk aan toe, “ik heb dat laatste niet gehoord. Uw uilen deden me aan mijn grootmoeder denken.”
“Dat is normaal,” zei ze.
“Ja,” antwoordde ik. “Dat is normaal.”
Ik maakte een foto van de ingelijste uilen, bedankte Marja voor de herinnering en wenste haar nog veel mooie aankopen.
“Daar twijfel ik niet aan, ik vind overal uilen!” lachte ze. Ze stak alles terug in de doos en in de tas en stond op.
“Het Centraal Station is vlakbij,” zei ze.
“Ja, ginder,” antwoordde ik. Ik stond ook op.
“Dag ?“ zei ze vragend.
“Matthias. Matthias Toby.”
“Mijn naam is Marja maar dat wist je al. Dag Matthias,” zei ze.
“Dag Marja,” zei ik, maar ze was al op weg naar haar trein.

De Dialogen, 6

IN DE RICHTING VAN HET HART VAN DE STAD

Francis Bacon, Self Portrait 1969

Zijn neus: hoog.
Zijn ogen: priemend.
De man wou me niet te woord staan. Ik moest naar hem opkijken; Hij was bijna dubbel zo lang als ik, tenminste, zo leek hij zich te voelen. Hij hield zijn rug kaarsrecht en het was alsof hij recht door me heen keek, maar na enkele seconden draaide hij zijn ogen van me weg. Ik wou met hem praten en versperde hem de weg.
“U snijdt me de pas af,” zei hij.
“Met veel plezier,” antwoordde ik rustig, maar zijn blik had me kwaad gekregen en ik zou deze man niet zo maar laten gaan. Ik moest en zou met hem praten.
“Bent u groot, meneer, of lijkt dat alleen maar zo?”
Zijn ogen priemden alweer en ik voelde dat hun naalden dwars door mijn wangen, voorhoofd en ogen gingen en dat ze mijn hersenen probeerden te raken, maar ik schudde die idee snel van me af en herhaalde mijn vraag.
“Bent u groot, meneer, of lijkt dat alleen maar zo?”
Hij bewoog zijn rechterarm en gebruikte zijn gehandschoende hand (ik meen het – het was 20 graden en hij droeg dunne lederen handschoenen van een onbestemde vuilbruine kleur) om me opzij te duwen. Ik zette me schrap en beeldde me in dat ik zijn elleboog vastgreep en er mijn tanden inzette.  Het bot kraakte, ik herpositioneerde en beet een hap vlees uit zijn bovenarm. Hij gilde.

Het veranderde niks.
Hij riep me beschuldigende woorden toe. Wie ik dacht dat ik was? Dat hij het me betaald zou zetten! Dat hij veel connecties had en die onmiddellijk zou gebruiken om mij in staat van beschuldiging te stellen en om me in de gevangenis te gooien!
Het bloed gulpte uit zijn rechterarm en met zijn linker bleef hij me aanwijzen. De wijsvinger raakte bijna mijn hoofd maar ik zette een stap achteruit zodat hij me niet kon aanraken. Zijn ogen priemden nu vlammend, de gloeiende naalden probeerden zich weer door mijn voorhoofd en ogen te dringen maar ik schoot in een lach.
“U bent de grappigste man die ik hier ooit tegenkwam,” hikte ik. Ik hield mijn hand voor mijn mond om het lachen wat tegen te houden, maar dat lukte niet. Ik proestte het uit.

“Mag ik nog eens?” lachte ik luid.

Het maakte hem alleen maar kwader. Furieus. Ondertussen stroomde zijn bloed over het voetpad, dat vond ik vies en ik zei dat hij het voetpad bevuilde.
Met zijn linkerhand wurmde hij zijn telefoon uit zijn rechter zak. Ik zag hem knoeien om een nummer in te tikken, daarna hoorde ik hem luid met de politie bellen, dat hij klacht wou indienen en dat ze een ziekenwagen moesten sturen.
Ik huppelde weg.
De man probeerde me achterna te komen, maakte wilde bewegingen met zijn nog gezonde linkerarm.
Ik liep vrolijk voort, versnelde mijn pas en verdween naar beneden, richting het hart van de stad.

De Dialogen, 5.

Afbeelding: Francis Bacon, Self Portrait 1969

33

Study for a Self-Portrait ,Triptych, 1985-86, Francis Bacon

“Drieëndertig.”
“Pardon?”
“Drieëndertig. Vandaag ben ik drieëndertig geworden.”
Ik had net een man aangesproken en het eerste dat hij me vertelde was zijn leeftijd.
“Ik vind dat een scharnierleeftijd,” zei hij.
“Een scharnierleeftijd?”
“Ja. Vanaf deze leeftijd wordt mijn leven anders.”
“Zo maar? Vanzelf?”
“Ja.”
“En jij weet dat?”
“Ja, ik weet dat.”
Hij leek ouder dan drieëndertig. Ik keek naar zijn gegroefde gelaat. Zonnebruin, stoppelbaard, onverzorgde haren. Warrig, vond ik hem, maar hij straalde bijzonder veel energie uit.
“Je mag vertellen,” zei ik.
“Natuurlijk niet,” antwoordde hij. Zijn ogen liepen rustig over de omgeving. Ik zag dat ze terugkeerden naar de onderste trap die naar de Bibliotheek leidde.
“Ga je binnen?” vroeg ik.
“Nee, vandaag niet. Morgen misschien.”
“Wil je iets opzoeken?”
Ik kreeg geen antwoord en probeerde iets anders.
“Woon je hier?”
Hij bleef stil.
Zijn blik was ondertussen de trap opgelopen en had daar een rustpunt gevonden.
Hij zei nog altijd niets.
Hij wreef eens in zijn linkeroog.
“Ik wil iets drinken,” zei hij. “Ga je mee? Ik trakteer, het is immers mijn verjaardag. Dat wordt dan mijn verjaardagsfeestje.”
“Graag,” zei ik. Ik moest die dag niet meer terug naar het werk en had tijd.
“Een van de terrassen vlakbij de Grote Markt?” vroeg hij. “Ik zit graag in de zon.”
Voor mij was dat goed. Ik zou hem overal gevolgd zijn; alles voor een pint van een drieëndertigjarige, vreemde en zwijgzame man.
We liepen het hellende voetpad af. In de winter zou dat een kunstentoer geweest zijn, maar nu was het hoogzomer en liepen sommige toeristen zelfs op blote voeten. Niemand dacht nog aan de veel te lang durende koude van de voorbije winter.
“Zomer in de stad,” zei hij. Misschien dacht de man hetzelfde als ik?

Het terras waar hij op af stevende was maar halfvol. We hadden zicht op de toeristen en op de eeuwig blijvende kraampjes op het plein.
“Ze verkopen altijd hetzelfde,” zei hij. “Volgens mij legt de stad hun de aard van de koopwaar op.”
Ik bekeek hem. Hij had echt veel te diepe groeven voor zijn leeftijd.
“Voor mij een Duvel,” zei hij. Hij speelde met een bierkaart, nam nog enkele kaarten en bouwde een huisje. Een oefening in kartonnen evenwicht op een wankele aluminium tafel.
“Voor mij een gewone pint,” zei ik.

De Dialogen, 4.

Afbeelding: Study for a Self-Portrait Triptych, 1985-1986, Francis Bacon.