BOREAS – 2. HIJ RAAST, DE WIND

Hij raast, hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust hier of daar,
een seconde.

En opnieuw, en opnieuw.

Hij ziet kinderen en denkt: “Ik stop even,” en

rust.

Hij zal de graspleinen en de stranden ontzien, zal ze met niet meer dan een zachte bries raken.

“Ik zal ook de kinderen sparen,” zegt de wind.

Wat later zweeft hij over de duinen.
Hij ziet een gele boot, ziet een kleine man, ziet een kleine vrouw. Samen zitten ze liefde-
vol naast elkaar.
De wind zegt: “Ik wil hen niet raken,” en maakt een omweg.

Hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust een seconde, raast voort over de continenten, de oceanen, tot de polen.

Is hij plots boos? Laat hij zich gelden?

en

woedt hij voort? Cirkelt hij over straten en voetpaden? Neemt hij mee: strobalen, loszittende granen, sjaals van de vrouwen?

of

roept hij tegen de vogels “Kom, zweef met mij, vlieg met mij, vlieg mee op mijn adem”?

BOREAS – 1. HIJ ZEGT, DE WIND

‘behalve Boreas die hen naar huis zou blazen.’
(http://nl.wikipedia.org/wiki/Anemoi )


1. HIJ ZEGT, DE WIND

1 – Zegt de wind:
“Ik ben de wind. Ik zie de bomen, ik loop ernaartoe, ik raak ze aan, ik beroer de bladeren en de takken, ik raas langs de stammen.”

2 – Ik ben een toeschouwer.
Ik luister naar wat de wind zegt, ik kijk. Ik hoor en zie de bomen ruisen, de takken wiegen, de bladeren bewegen.

3 – Het is laat.

4 – Zegt de wind:
“Ik begeleid de zonsondergang. Ik help de lucht kleuren, ik help de zon om over alle landen te schijnen. Ik blaas, ik streel, ik zucht. En de kleuren veranderen.”

“Voor jou,” zegt de wind, “verdwijnt deze zon, even.”

5 – Ik blijf toeschouwer.
Ik luister, ik weet dat de wind gelijk heeft, dat het kleurenpalet verandert, dat de zon in de zee zakt en dat de golven de overgang naar de nacht begeleiden.