VRIJ NAAR MICHAEL CUNNINGHAM

‘Het is scheef.’
‘Nee, het is recht.’
‘Recht, zeg je? Ik vind dat het scheef is.’
‘Maar het is recht, zeg ik je.’

‘Het is rond.’
‘Nee, het is vierkant.’
‘Nee, rond. Maar anders zou ik het eerder rechthoekig noemen.’
‘Een rechthoek? Nee, een vierkant.’
‘Ik blijf bij rond.’
‘En ik bij vierkant.’

‘Anderzijds…. Het is niets.’
‘O jawel.’
‘Jawel? Je bedoelt dat het niet niets is? Wat is het dan?’
‘Het is alles.’
‘Alles, zeg je?’ Ik vind het eerder niets.’
‘O nee. Het is niet niets. Het is veel meer dan niets. Het is alles, dat is het. Alles. Punt.’

KOEN, KOEN EN KOEN

– Vanaf morgen regent het.
– Hartkloppingen.
– Werkmannen, altijd, overal!
– De geur van de bloemen.
– Ik moet die factuur nog maken. Nu.
– ‘Vieren’.
– Koen, Koen en Koen.
(Koen waart hier al lang ergens rond. Altijd. Onder ons dak, maar ook onder deze woorden. Mogelijk zelfs van in het begin.)
Koen zegt dat hij al lang geen lekke band meer had.
“Hela,” zegt hij. “Is dat niet straf?”
Hij heeft twee bussen olie nodig.
“Zijn dat twee dezelfde bussen?” vraagt hij.
Hij weet niet meer wanneer hij op onderhoud moet komen.
“Ik heb er nu 19.000,” zegt hij. “Nee, eum, 19.650,” zegt hij. En dat hij dan rond de 20.500 zal telefoneren. “Rond de 20.500 hé?” vraagt hij nog eens.
“Mag dat met bancontact?”
“Dag vrienden,” zegt hij tegen de honden maar ook een beetje tegen mij, mag ik hopen. En “Oei, ik vergeet mijn olie nog.”