STERREN, OVERAL

Blauwe hemels om ons te troosten. Blauwe hemel overdag, blauwe hemel ’s nachts, sterren, overal sterren, overvol sterren, alsof de andere zonnestelsels ons willen bijstaan, alsof ze zeggen dat ze over ons waken, dat ze ons helpen, dat ze hun krachten tot op onze aarde sturen.

SLAGROOM, OVERAL

‘Veel, veel!’
‘Ben je zeker? Dat is helemaal niet gezond!’
‘Ja, ik wil veel, veel slagroom, een hoge toren!’
‘Maar dat is echt niet goed voor je. En het is slecht voor de lijn.’
‘Toch wil ik veel. Komaan, doe er nog maar een grote toef bij. Ik wil twee torens!’
‘Man man man, ben je zeker? Straks ontplof je!’
‘Tja. Maar ik wil slagroom. Slagroom, overal! En ik zal ontploffen, ja, maar eerst wil ik twee hoge torens!’

LACHEN, OVERAL

Ik kwam niet meer bij van het lachen. Een man deed alsof hij zat te vissen en zijn televisiescherm was de visvijver. Hilarisch. Een andere man, veel te dik, die ons buiten adem een paar yoga-oefeningen voordeed. Nog een andere man die, met zijn hond in de armen en zijn vrouw en dochter in het kielzog, een dansje rond de tafel deed, zingend, wuivend, dat we de zon in ons hart moesten laten, vrolijk, vrolijk, zonnen, harten, dansen, honden, mensen, lachen, lachen, lachen met tranen, tot we echt huilden, huilden, huilden.

OF BIOLOGIE: DE BESTUIVING DOOR DAGVLINDERS

Maar wat gebeurde er met de sprookjes van Hans Christian Andersen?
En met de gedichten van La Emily Dickinson?
Zijn zij lucht geworden? Opgelost in het blauwe? In de regen? In de hagel?
Zijn zij onzichtbaar, ongrijpbaar?
Of niet, en steeds klaar om gelezen te worden?

En wat met Walt WhItman? Met zijn Ooo zo groener dan groene diepnervige blAden?
Hangen zij, zweven zij? Waar? In het water? Of leven zij, EEuwig, in onze adem?

Spoor hier, spoor daar, O, mensen, gebouwen…
Langs hier, langs daar, O dreunende paden…
Toch daar, toch hier, O eeuwige beelden…
Zo daar, meer hier, O, ja, in de mooiste dandelions, in die immer blijvende pAArdenbloemenpluizen.

OF HELDER

Vanaf nu beluister ik enkel nog Beethoven en Wouter Dewit en gebruik ik hun klanken om de ratten van deze winter weg te jagen, zelfs de muizen en alles, alles, recht naar het donkerste veld

Of klamp ik me vast aan een grasspriet, een strohalm, een rietstengel en test ik hun veerkracht door met mijn volle gewicht en met de hulp van mijn adem de sombere dagen en nachten de oneindige ruimte in te jagen

En keer ik dan terug naar het zachte tapijt vol van rust in muziek, met haar noten en stille akkoorden van liefde, haar symfonieën en klanken, de schone, de schoonste en haar vele, vele verhalen, tot over de grenzen, tot over de dromen

EN

1 moet en 2 moet maar 3 moet eerst en 4 moet eerst eerst maar 5 is dringendst nee 6 is noodzakelijk nee 7 moet eerst of toch maar beter 8.
Maar in feite is het eerst 9 oei nee eerst 10 ai 11 moet en 12 moet maar 13 moet eerst of toch niet 14 echt allereerst maar eerst eerst is 15.
Of beter beginnen met 16 maar niet voordat 17 en toch moet 18 eerst maar 19 nog eerder, veel eerder, allereerst echt allereerst.
En 20.
En 21.
En 22.
En 23.
En 24.
En 25.
En 26.
En
En
En

ZOETE

Ze ruiken nog naar Nieuwjaar
(meneer)
Het is een zachte, zoete geur die ik niet ken
alsof het nieuwe jaar ook een nieuwe lucht en een nieuwe omgeving brengt
en geen oorlog

Ze hebben een andere trui aan
(meneer)
Merino, denk ik, of iets anders, synthetisch
alsof er weer eindeloos veel en en de modernste productieprocessen

Zelfs hun blik is anders
(meneer)
De goede voornemens blinken in hun ogen, nog een dag of twee, drie, zeven
(maximum, meneer)

Maar dan wordt het nieuwe jaar reeds gebroken
(meneer)
Een raket, een bom, een dode, tien doden, vijftig, of honderd, of duizend

En hun goede voornemens
(meneer)
Ik weet het niet
(meneer)
Ik weet het niet meer
(meneer)