IK

En ik is niet altijd ik, ik is vaak een andere hij of zij die beweert dat hij ik is. Die ik zegt dan ‘ik’ en lacht eens in zijn of haar of mijn vuistje, zegt nog eens ‘ik’ en ratelt voort in zijn of haar of mijn verhaal, en geeft er nog een draai aan.
‘Ik voel me goed,’ zegt die ik, en hij zegt dat hij ook iemand anders zou kunnen zijn maar verkiest ik en zet hem eens op zijn kop en laat hem een half uur door de moerassen dwalen, of over de huizen vliegen, of water uit de Oosterschelde scheppen. Hij zegt dat ik alles kan, alles kan doen, alles kan denken, alles kan zeggen.
‘Alles wat ik wil,’ zegt hij. Of zij. Of ik. Of een dode. Of een nog niet geborene.
Hij loopt eens tot aan de grote Linde en vraagt zich af of die voldoende te drinken heeft.
‘Het is immers heet, en het wordt nog heter,’ zeg ik, zegt hij. ‘Ik kan hem in mijn rugzak steken en hem naar een betere plaats verhuizen,’ zeg ik, zegt zij. ‘En die hortensia’s staan in volle zon, wacht, ik zal die in mijn binnenzak steken en in de schaduw planten,’ zeg ik, zeg ik.
‘Maar eerst een kop koffie,’ zeg ik. ‘En dan zal ik met mijn matras over de huizen vliegen en kijken wie er wakker is, het is een goed uur, waarom slaapt de wereld zo lang?’ vraag ik, hij, zij.

Voor JWL, voor MB/MP, voor DV.

TOP TOP TOP

Meer en meer, en meer en nog groter
en het beste van alles
en weer meer en weer meer
en sterker en luider en blinker dan blink

het is het geld

The top of the bill en het meest perfecte
het duurste en hoogste en diepste en rijkste
en meest zichtbare
en best verkopende

het is de macht

De al de te winnen prijzen
het uniekste unieke – het meer dan sublieme
en duizend maal straffer
en nog sterker dan dat

het is de angst

De top van de top
de meeste foto’s en volgers en duizenden sterren
het leukste en beste, het hipste
tot ginder en elders en vooral overal

het is het willen bestaan

En meer, telkens meer
veel meer dan de krachten van al de vulkanen
duizenden keren de wereld en sneller
tot verder dan ver, tot voorbij al de zwarte gaten

het is het denken, het dénken dat alles niet anders kan.

MISSCHIEN, NET NA DE OCHTENDNEVEL

‘Een roos is een roos,’ zei zij.
‘Een roos kan ook wit zijn,’ zei hij.
Ze glimlachten en keken elkaar onderzoekend in de ogen.
‘Wat denk je?’ vroeg hij.
‘Misschien,’ aarzelde zij.
‘Ja, misschien,’ vond ook hij.
‘Zouden we, zullen we?’ vroeg zij.
‘Willen we?’ vulde hij aan.
‘Ja, misschien,’ glimlachte zij.
‘Ja, misschien,’ echode hij.
‘Vast wel,’ zei zij.

ZOALS MET EEN GROTE BOOM EN DAN LOST ER MISSCHIEN EEN ENKEL BLAADJE

En dan wilt ge weer eens met de wereld schudden, ge denkt dat ge hem helemaal wakker kunt maken maar ge hebt nog genoeg gezond verstand dat u zegt dat dat toch niet zal lukken, dat de wereld te neig in slaap ligt, dat hij duizenden te diepe dromen droomt, over dingen die nooit echt kunnen bestaan, die nooit echt kunnen of zullen zijn. Maar de wereld gelooft daar toch in, denkt echtechtecht dat het allemaal echtechtecht is en hecht zich aan die dromen, met klauwen, zelfs, en met nog meer hardnekkige dromen. En gij staat erbij en kijkt ernaar, af en toe schudt ge toch eens aan een klein stukske van die wereld maar, ziet ge, het lukt niet, of soms lukt het wel, heel heel efkes maar het duurt nooit lang door dat veel te diepe slapen, de veel te diepe dromen van de wereld, ziet ge.

BIJNA ZWART

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, sommige bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven volgen, willen en zullen volgen

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten dat dat licht en die lucht veel beter en groter en voller en blauwer zullen zijn

– zullen zijn. ‘Waarschijnlijk, het kan niet anders,’ zeggen ze.

Ze staan in groep, ze groeien in groep, ze bloeien in groep, voorlopig.

– ‘Zie je wel?’ zeggen ze.

Zoals de kamperfoelie

– deze met gele bloemen, en altijd felruikend.

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven willen en moeten en immer zullen volgen,

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten

NVDR

Hij is nu meer dan een eeuw oud maar hij waart hier nog altijd ergens rond: Mijnheer Macharis. De oudste lezers van AW zullen zich hem misschien herinneren.
En met ‘hier’ bedoel ik letterlijk hier, op deze AW-blog.

Terzijde: afkorten tot AW mag, maar voluit is het ANDEREWOORDEN en niet Anderewoorden of ANDERE WOORDEN  of Andere Woorden.

ANDEREWOORDEN of AW of anderewoorden of aw dus, please.

Mijnheer Macharis liet zich de voorbije tweedrie weken een paar keer zien en herhaalde telkens luidop wat Zafón in een van zijn romans schreef: ‘Schrijf geen brieven. Schrijf.’
Of moet ik dat wat nadrukkelijker typen? Dan wordt dat: ‘SCHRIJFGEENBRIEVEN.SCHRIJF.’

Ik zal Zafón en met hem zijn verhalen toevoegen aan mijn honderd-lijst. Vandaag niet. Morgen, misschien. Immers, de honderd-lijst is ook een brief. En deze ene blogpost ook.

.GPX-FILE A LA CARTE

https://goo.gl/maps/dqdLCKRiYPaxj6mv6

Van laag naar hoog, van hoogst naar laagst, doe maar. Via de trampoline naar de top van de eik, van daar terug naar de zonnebloem (die van zeven of 8 meter hoog, met de stevigste stengel van 15 centimeter diameter) en van daar naar de kleine fuchsia. Vlieg terug naar de nok van het dak, zo naar het dak van de buren, dan weer naar beneden, naar het aardappelveld en nu met een gewone sprong naar de eerste maïskolf.

Je mag vijf minuten rusten.

Ga rustig te voet naar de elektriciteitscabine in de eerste bocht van de Pluimennest. Hop er op. Start en vlieg over de twee boerderijen, klim, blijf stijgen, stijgen, maak een paar salto’s, stijg, stijg, land langs de andere kant van de Pluimennest, adem in, adem uit, steek de Brusselsestraat over en ga te voet naar de Rozen. Koop een klein boeket, stijg terug op, vlieg rakelings over de Cattemansdreef en blijf die volgen tot op het einde. Leg het boeket op de tuintafel van het eerste huis links van de Slozenstraat. Rust. Kijk. Blijf nog vijf minuten zitten. Kijk.

Vertrek en kies nu zelf uw route en het aantal salto’s.

(en dan vergat ik het Krinkelsteertje nog!)

ERGENS HET NOORDEN

Hij zei dat hij het niet goed wist, dat zijn hoofd alle kanten op draaide, bijna als een tol, zei hij, en dat hij regelmatig moest gaan zitten om het Noorden niet kwijt te geraken.
‘Wat ligt er ook weer in het Noorden?’ vroeg hij. ‘Antwerpen, Nederland, dan de Noordzee,’ mompelde hij snel zelf, maar hij moest zich concentreren om het woord ‘Antwerpen’ zonder aarzelen uit te kunnen spreken.
‘Maar ik zou toch liever in het Zuiden, jeweetwel, Frankrijk, de mimosa’s aan de Azurenkust, dat hemelse blauwe en de wonderen diep in de zee, daar zijn zelfs alleskleurige reservaten,’ zei hij.
Maar voorlopig wist hij het niet goed, hij wist niks, zijn hoofd tolde, noordoostzuidwest en alle tussenliggende windstreken, NNO enzovoort wist hij, ZZW vond hij de mooiste, hij zette zich weer, ‘Ik moet aan iets anders denken en even rusten,’ zei hij.

ANNIKA

Onmens! Dat zijn jouw zaken niet! Ik had het tegen de kleine Annika! Jaja, ik weet dat ze ondertussen bijna dertig is, maar ik had het tegen haar, als kind, toen ze een jaar of tien was.
En o ja, ik weet het, nu, meer dan twintig jaar later is ze een mooie jonge vrouw met lange hoogblonde haren en met een lief en open gezicht van waaruit die grote, groene ogen je doordringend aankijken. Ze is een bijzondere verschijning en ik denk dat ze veel van haar patiënten het hart en hoofd op hol brengt.
Maar daar staat ze zelf niet bij stil. Ze doet consequent haar job, gaat naar de volgende kamer, naar de volgende patiënt. Altijd vriendelijk, altijd rustig, altijd efficiënt. Tegen deze Annika, haar jonge, even mooie en toen nog erg speelse versie, had ik het. Nee, wat ik vertelde doet er niet toe. En jij, jij bent een donkere, zwarte ziel. Meer woorden wil ik er niet aan vuil maken.