HET IS HETZELFDE WATER

Weet je nog?
7 uur ’s ochtends, Le Sud, we zwommen en we hadden het water, het strand, het licht en de wereld voor ons alleen. De onmetelijkheid! Van het bestaan! Van de wereld! Hoe het water, de warmte, het licht en de lucht ons droegen!

Nu, jaren later, draagt en herbergt het water hun lichamen. Ze vochten en vechten, werden en worden gekocht, moesten en moeten grote sommen betalen, wisten of weten niet wat hen te wachten stond of staat en legden of leggen hun levens en kinderen in de handen van kwaadwillige dragers. Ze werden, worden gepropt en geslagen. Ze verdronken, verdrinken, ze stierven en sterven.

Het is hetzelfde water.

Onze zee is diezelfde zee, de golven zijn de golven en het licht het licht. Het water, de stranden, de zon en de wereld, zij zijn wat ze waren en zijn.
Hetzelfde toen, hetzelfde de laatste jaren en nu. Het is hetzelfde water.

Advertenties

EN WAT WE NOG HEBBEN

En zo.
Wordt gepropt.
In een vierkant:
De schoonheid.
De kleuren: geel rood roze groen blauw oranje oker het mooie taupe maar ook gebroken wit, fuchsia, donkergroen, nachtblauw en daarnaast de anjers en rozen en fresia’s en oleanders en de beukenhagen naast de notelaars en de essen en eiken. Vlakbij enkele springkastelen voor de kinderen en de pantoffels die ze zelf kozen en en en de langstdurende pyjamadagen in zachte sofa’s of in grote, warme tuinen met veelkleurige ballen en voor de groten heerlijke maaltijden en alle mogelijke vriendschappen en zomerse dagen en nachten met silhouetten van hoge bomen en de fonkelende sterren er vlak boven. En mix al de kleuren, kastelen en dagen met vijfenvijftig struiken van ieder vijfenvijftig margrieten (ze sterven uit maar voorlopig nog niet) en zeldzame vlinders in november of die van Nabokov, op papier. En mix voort met de boeken (het volledige proza van Poe, het Beginners van Carver en en en, en gedichten van Pavese en rode stenen en nog meer warme boeken of lachend of lief, naast een handwerk van draden en spelden van vissen en zeepaardjes, van naaisters en bakkers, van wegenwerkers en kraanmannen, van ballerina’s, toneelmeesters, vrachtwagenchauffeurs en vroedvrouwen.
Prop het leven en de hollende mensen en alles wat ze kunnen en liefhebben maar prop ook wat ze voelen nog, soms, als de haast weer voorbij lijkt, voor even.
Plus giraffen en tijgers en leeuwen plus alle katten en cavia’s en honden en al het gezelschap dat we willen, van dieren, van mensen, naast stiltes, naast niets.
En wat we nog hebben, al de joelende kinderen, al de bevende ouderen en ze lezen nog boeken of ze luisteren naar schlagers en mompelen mee maar ze zijn blij en gelukkig, nog even. En jongen en ouden kleuren de prenten, binnen en buiten de randen, voor altijd en graag, levenslustig, en helemaal gratis.

EN NOG EEN KLAVER

Maar van wat? vraagt hij.
Het is het eerste kwartier, zegt zij.
Van een man? vraagt hij.
En het is een heldere nacht, zegt zij.
Of van een vrouw? vraagt hij.
Kijk, nog late wandelaars, zegt zij.
Of van een kind, of van een ouder? vraagt hij.
En morgen, morgen is het een feestdag, zegt zij.
Of van de wereld? Van het gewicht? vraagt hij.
En er zijn nog madelieven, nog enkele, zegt zij. En nog een klaver, hier en daar.

BIJNA ONHERKENBARE IJSBEREN

Wat doe je? vraagt hij.
Genezen, zegt zij.
Hoe doe je dat? vraagt hij.
Een voor een, zegt zij.
Ja maar, zegt hij.
Ik meen het, zegt zij.
Hoe kan het? vraagt hij.
Met beide handen, zegt zij.
En het hoofd? vraagt hij.
Altijd, zegt zij.
Misschien moet je? vraagt hij.
Laat me de madelieven maar zelf, zegt zij.
Madelieven? vraagt hij.
Yes. En dadels en vijgen, en mooie doosjes, en schilderijen van bijna onherkenbare ijsberen, en vriendschapsbrieven, en een bosje met kleuren, en de vulkanen halverwege, en, en, en zegt zij.
Ja, je meent het, zegt hij.
Ja, het moet, zegt zij.
Ja, je zult, zegt hij.
O ja, het kan niet anders, zegt zij.

Norham Castle, Sunrise c.1845 Joseph Mallord William Turner 1775-1851 Accepted by the nation as part of the Turner Bequest 1856 http://www.tate.org.uk/art/work/N01981

HET IS DE TIJD VAN HET JAAR.

Nog meer namen? Goed.
(Goed, zeg ik, maar zo eenvoudig is dat niet.)
Ik neem me voor om, in de plaats, snel even mijn familieverhaal te schrijven; verwekt, geboren, geleefd, dood. De ene ziek, de andere dement, nog een andere in blakende gezondheid en gisteren honderd jaar geworden, tijd voor een feestje! De rest van de familie feest graag, dat is dan tenminste eenvoudig; hamburgers, hotdogs met zuurkool en mosterd of zonder, chips, nootjes, olijven, kaas, vijf soorten bier (Duvel, Estaminet, Stella, Jupiler, en dan dat ene nieuwe van brouwerij De Palm, hoe heet het ook weer?) en vijfentwintig verschillende soorten witte wijn en evenveel soorten Cava, naast een zeldzame fles Champagne.
‘Leest hier iemand?’ vraag ik, maar ik vraag het met mijn mond gesloten, ik vraag dus helemaal niks want het antwoord zou wel eens negatief kunnen zijn.
Strindberg, iemand?
Thoreau, iemand?
Terwijl ik om me heen kijk zie ik het rode boekje van Auster liggen, alweer Auster, maar mijn blik zoekt nu ook De Dubliners van Joyce, en ik schrijf met opzet de ‘De’ ervoor, laat de puntjesopdeizetters maar zagen, het kan me niet schelen.
Het ene noch het andere raak ik aan, mijn vingers zijn van karton en zouden snel vuur kunnen vatten, nog steeds.
Cornet.
Er is ook rode wijn, zeker tien verschillende flessen.
Er is een kar met veel licht, er zijn voetballen en honden, er zijn blote achterwerken, er zijn moppen en er is nog meer bier, nog meer vuile glazen of gewoon uit de fles en de chips en de olijven en kaas zijn op, ik vind er nergens meer, de kinderen, vast? Maar die hollen achter de ballen en achter de honden of vechten om wie de bal mag houden en wie met de honden een wandeling mag maken, maar het is donker, de moeders willen dat niet, sommige vaders ook niet en ze nemen nog een Estaminet, een Cornet of een Duvel en de moeders halen hun schouders op, roepen nog eens op de klein mannen, die komen terug en dan vliegt iedereen weer in de witte wijn, of andere.
En dan regent het.
Het is de tijd van het jaar.
Frank Deboosere zei het vanmiddag.
Iemand houdt een krant boven het hoofd.
Lectuur, denk ik.
Iemand anders een paraplu.
Cherbourg, denk ik.
Iemand tikt me op de schouder.
Hoe gaat het? vraagt hij.
Honderd jaar, zeg ik.
Ja, zegt hij.
Zoals de hortensia’s, de goeie sterke, en zoals de geldbomen met hun dikke stammen, zeg ik.
Ja, zegt hij.
Ginder zijn ze blauw, zeg ik.
Ik weet het, zegt hij.
En de rots aan de vuurtoren.
Ik weet het, zegt hij.
Het is de tijd van het jaar, zeg ik.
Ja, de tijd van het jaar, zegt hij.

SALDO EEN DERDE

Maar ik raak niks aan, mijnheer Macharis. Ik hou mijn handen thuis. Geen Sontag, geen Pavese, geen Rimbaud, zelfs geen Borges. Ze lijken van vuur. Zou ik mijn vingers verbranden, mijnheer Macharis? Nietzsche? Ook niet. Plato? Ook niet. Niks, helemaal niks. Net of, of, of ik durf niet, of ik stel het uit, of ik schuif het voor me uit en net of ik ben bang voor wat de lectuur van enkele pagina’s van de grote namen zal bewerkstelligen, en ik wil niet dat er iets bewerkstelligd wordt, en ik wil niet dat ik mijn vingers, of mijn hersencellen verbrand. Of misschien staken mijn hersenen?
Maar wel: Ik lees de laatste, of een van de laatste, van Auster en ik wacht tot hij me meeneemt maar kijk, hij doet het niet, het lukt hem niet, misschien komt het nog, ik ben benieuwd. Voor het overige keek ik naar de golven en gisteren keek ik naar de bomen (‘Zij zijn nog een derde’) en naar de blauwe lucht en naar wat overvliegt; vogels, vliegtuigen, sterren, tractoren, restanten van maïs, vallende bladeren, stof bij hoogzon, bijna-droge lakens, ander pluimvee, ja, zoals de eenden van madame Carine, en ook oesters, soeptassen, oleanders, rozen, hortensia’s in buitenaardse maten, volle manen, heuvelwegels waar geen enkele auto op passeert, het huis van madame Paris, en dan, de jeugd op de fiets, nieuwe asfaltlagen, zuchtende honden. Een rijkdom, ik zeg het u, een rijkdom is het, hij vliegt voorbij, alles vliegt voorbij en ik verbrand me er niet aan.


(de bomen, saldo een derde, gsm-foto)

Bewaren

GEBROKEN

Zij braken mijn hart in stukken, mijnheer.
twee, drie, vijf, zeven, elf.
Het is door hun toedoen dat de wereld niet meer is, mijnheer,
dan wat hij is.
dertien, zeventien, negentien.
Zij vinden dat het een wereld van vooral verkopen moet zijn, mijnheer, met kleurrijke slogans en prenten, mijnheer, die een betere wereld
drieëntwintig, negenentwintig.
beloven.
Zij vinden dat het nu beter is dan vroeger, mijnheer, beter dan al het groene
eenendertig, zevenendertig.
en dan het gewone licht mijnheer, of zij maken van bloemen, van oesters, van alles wat groeit, mijnheer,
eenenveertig, drieënveertig.
niet meer dan wat koopwaar in het hevigste neon en in kolkende slogans, mijnheer.
zevenenveertig, drieënvijftig.