BOREAS – 15. HIJ LEEST, DE WIND

De wind vertelt dat hij zes boeken heeft en dat hij die koestert.

Hij zit in de hemel, in een hoek van een grote kamer, en bladert door een van de boeken.

“Bij iedere lezing ontdek ik nieuwe dingen,” zegt de wind.

Hij leest een paragraaf voor.

“Mooi,” zeg ik.

“En? Heb je het gehoord?” vraagt hij.

“Wat?” zeg ik.

“Het geluid in dat boek.”

“Nee, niet gehoord.”

“Je moet beter luisteren,” zegt de wind.

Hij kijkt me recht in de ogen zoals enkel de wind dat kan en zegt dat hij het boek nog tientallen keren zal lezen.

BLEU

Kort.

Nog op VRT Max.

BOREAS – 14. HET BEREIK

De wind is gaan liggen.
Een jongen zit in een klaslokaal, hij kijkt door het raam.

De meester vraagt hem waarom hij steeds zit te dromen, de jongen weet het niet en haalt de schouders op, maar dan, toch, weet hij het wel en antwoordt hij dat hij meer van het uitzicht geniet dan van de woorden van de meester.

De meester zegt dat de jongen een eeuwige dromer zal blijven en dat hij in dit leven nooit iets zal bereiken.

“Wat moet ik bereiken?” vraagt de jongen.

De meester antwoordt niet.

De jongen laat zijn blik rusten – de wind die is gaan liggen.

“Ik hou van de wind, zelfs als hij stil is,” zegt de jongen.

BOREAS – 13. ZOUT ADEMT

“Volgens mij is de wind onaantastbaar.”

“Maar we kunnen hem voelen.”

“Ja. Toch is hij onaantastbaar. En hij is sterk. En ik hou van dat voelen.
Ik sta op de golfbreker. Kan ik hem ergens beter voelen dan hier? Hij raakt me in de kleinste
porie. Hij brengt de adem van alle mensen, dieren, bomen en planten tot bij mij. De leeuw. De iep. De – hoe heet die boom ook weer? De es. De hamster, de stokroos.
De adem van de stokroos raakt me.”

“Je praat in jezelf, hardop. Je bent niet hier, niet echt.  ”

“Nee. Ik sta op de golfbreker. Ik voel de wind en het zout, de adem van het zout.”

“Zout ademt niet.”

“Zout ademt.”

BOREAS – 12. O, DE WIND

Het is de wind, de wind, de eeuwige wind.

Hij draait en keert, hij neemt de bomen mee op zijn reis en splijt de stammen als hij honger heeft.

In een ander leven drinkt hij uit de rivieren, volgt hij zalmen en baarzen, keert hij zijn blik naar de hogere lucht en de zon.

Nu: er is sprake van een verduistering.
De wind begrijpt het niet, hij probeert het licht te keren maar het verdwijnt – de maan is sterk.

Daarna: klatergouden van licht, van stralen, het licht wordt herontdekt.

Later: de wind rust, hij hoeft zijn gelaat niet meer naar de vogels te wenden. Hij weet dat deze zon blijft tot zij de andere kant van de aarde verkiest en dat zij dan terugkomt, en komt, en komt.

En het is de wind.

En het is de Dageraad.

BOREAS – 11. BOREAS

“Vandaag heet ik Boreas. Ik kom uit het noorden.

Mijn kracht is groot.

Ik stuur mensen richting huis, ik draag hen mee in mijn romp.

We zijn bijna boven de Noordzee.

Ik adem in en uit.

Het is niet ver meer.

Ik wacht op de stroming.”

BOREAS – 10. DE WIND MAAKT EEN BUIGING

De wind laat zeventien dagen voorbijgaan.
Hij keert terug naar het strand en speelt met het zand.

Hij richt het woord tot een groep van dertig zandkorrels.
Zij gieren het uit.

De wind valt stil.
De zandkorrels wachten.

De wind herneemt.
De zandkorrels lachen en dansen.

De wind valt stil en herneemt, nogmaals.
De zandkorrels applaudisseren.

De wind maakt een buiging.
De zandkorrels buigen mee.

BOREAS – 9. EN DE SCHADUW

Achter de duinen: een kleine streep schaduw.

“Ik speel met haar, maak haar kort, maak haar lang. Ik streel het begin en het einde, rek haar, plooi haar.

De schaduw vraagt wat mijn plannen zijn.
Ik antwoord niet. Ik ben de wind! Ik kan toch niet praten!

De streep schaduw legt zich neer en kijkt me aan met haar grote ogen. Zie ik tranen?

Ik kniel.
De schaduwlijn plooit, de schaduwlijn danst, zij wordt langer en korter, verdwijnt, komt terug.

Ik ga liggen, naast de schaduw.”

BOREAS – 8. HET DIERBARE

Ze tekenen me in tabellen en pijlen, ze geven me cijfers.

En ik kijk

Zie, een vogelvlucht
de vijver en
de zwanen en het brood van de grootvaders

Zie, een kudde
de boer op zijn tractor en de grote boerderij met haar erf. De zonen en dochters, een feest op zondag, het harde werk, het graan, het vee, de melk en de wol –

Elders de tuinboer: op zijn land, in zijn serres, de kinderen helpen mee. Zijn vrouw is twee jaar geleden overleden, een eeuwigheid.
Ik draag haar in mijn stromen, ik breng haar soms even dichter bij man en kinderen –

Zij kijken verwonderd, voelen de vrouw, voelen mij, werken voort, koesteren de kracht van het groeien van het groene –

voelen de vrouw –
werken voort.”

BOREAS – 7. ZE VOORSPELLEN

het weer: de mate van regen en zon en de kracht van de wind.

Hij hoort de radioberichten, het gedaver en gedreun van de stad, de mensen. De wind haast zich in grote spiralen naar boven.

Hij verandert van richting, duikt weer naar beneden en scheert langs een motorrijder. Hij vergezelt haar over de ringweg, ze neemt een uitrit en rijdt in de richting van een andere, kleinere stad.

De wind stopt.

Hij rust op de oevers van de rivier.

Hij kijkt achterom en ziet enkele kinderen op weg naar school.
Hij volgt hen vanop een afstand.
Ze dragen kleurrijke boekentassen, ze joelen.
Een kind heeft een bal en dribbelt met zijn schooltas op de rug.
De wind kijkt.
De kinderen lopen het schoolplein op.
De wind haast zich weer naar boven.

Stopt.

Rust.

Kijkt neer op het schoolplein.