BOREAS – 12. O, DE WIND

Het is de wind, de wind, de eeuwige wind.

Hij draait en keert, hij neemt de bomen mee op zijn reis en splijt de stammen als hij honger heeft.

In een ander leven drinkt hij uit de rivieren, volgt hij zalmen en baarzen, keert hij zijn blik naar de hogere lucht en de zon.

Nu: er is sprake van een verduistering.
De wind begrijpt het niet, hij probeert het licht te keren maar het verdwijnt – de maan is sterk.

Daarna: klatergouden van licht, van stralen, het licht wordt herontdekt.

Later: de wind rust, hij hoeft zijn gelaat niet meer naar de vogels te wenden. Hij weet dat deze zon blijft tot zij de andere kant van de aarde verkiest en dat zij dan terugkomt, en komt, en komt.

En het is de wind.

En het is de Dageraad.

BOREAS – 11. BOREAS

“Vandaag heet ik Boreas. Ik kom uit het noorden.

Mijn kracht is groot.

Ik stuur mensen richting huis, ik draag hen mee in mijn romp.

We zijn bijna boven de Noordzee.

Ik adem in en uit.

Het is niet ver meer.

Ik wacht op de stroming.”

BOREAS – 10. DE WIND MAAKT EEN BUIGING

De wind laat zeventien dagen voorbijgaan.
Hij keert terug naar het strand en speelt met het zand.

Hij richt het woord tot een groep van dertig zandkorrels.
Zij gieren het uit.

De wind valt stil.
De zandkorrels wachten.

De wind herneemt.
De zandkorrels lachen en dansen.

De wind valt stil en herneemt, nogmaals.
De zandkorrels applaudisseren.

De wind maakt een buiging.
De zandkorrels buigen mee.

BOREAS – 9. EN DE SCHADUW

Achter de duinen: een kleine streep schaduw.

“Ik speel met haar, maak haar kort, maak haar lang. Ik streel het begin en het einde, rek haar, plooi haar.

De schaduw vraagt wat mijn plannen zijn.
Ik antwoord niet. Ik ben de wind! Ik kan toch niet praten!

De streep schaduw legt zich neer en kijkt me aan met haar grote ogen. Zie ik tranen?

Ik kniel.
De schaduwlijn plooit, de schaduwlijn danst, zij wordt langer en korter, verdwijnt, komt terug.

Ik ga liggen, naast de schaduw.”

BOREAS – 8. HET DIERBARE

Ze tekenen me in tabellen en pijlen, ze geven me cijfers.

En ik kijk

Zie, een vogelvlucht
de vijver en
de zwanen en het brood van de grootvaders

Zie, een kudde
de boer op zijn tractor en de grote boerderij met haar erf. De zonen en dochters, een feest op zondag, het harde werk, het graan, het vee, de melk en de wol –

Elders de tuinboer: op zijn land, in zijn serres, de kinderen helpen mee. Zijn vrouw is twee jaar geleden overleden, een eeuwigheid.
Ik draag haar in mijn stromen, ik breng haar soms even dichter bij man en kinderen –

Zij kijken verwonderd, voelen de vrouw, voelen mij, werken voort, koesteren de kracht van het groeien van het groene –

voelen de vrouw –
werken voort.”

BOREAS – 7. ZE VOORSPELLEN

het weer: de mate van regen en zon en de kracht van de wind.

Hij hoort de radioberichten, het gedaver en gedreun van de stad, de mensen. De wind haast zich in grote spiralen naar boven.

Hij verandert van richting, duikt weer naar beneden en scheert langs een motorrijder. Hij vergezelt haar over de ringweg, ze neemt een uitrit en rijdt in de richting van een andere, kleinere stad.

De wind stopt.

Hij rust op de oevers van de rivier.

Hij kijkt achterom en ziet enkele kinderen op weg naar school.
Hij volgt hen vanop een afstand.
Ze dragen kleurrijke boekentassen, ze joelen.
Een kind heeft een bal en dribbelt met zijn schooltas op de rug.
De wind kijkt.
De kinderen lopen het schoolplein op.
De wind haast zich weer naar boven.

Stopt.

Rust.

Kijkt neer op het schoolplein.

BOREAS – 6. HIJ VAART, DE WIND

“en kijk, de meeuwen glijden door mij
en kijk, het rimpelende water –

Ik ben in een klein havendorp aan de Oosterschelde. Ik verken de straten en pleinen, langs de trap naar beneden, over de slipway.

Een man komt aangereden, loodst de bestelwagen met trailer de helling af. De RIB-boot schuift het water in.

Mijn adem raakt de zwarte romp.

Ik streel de man over het hoofd. Hij voelt iets, kijkt naar de heldere hemel, werpt een blik op het water, houdt de hand boven de ogen –

De boot ligt in het water, de man stuurt hem naar de steiger –
weer die hand – hij vergat zijn pet en zijn zonnebril –
hij test de radio –
bergt een en ander op –

De man verwelkomt een vriend en diens vrouw –
ze zeggen het is mooi weer –
er is amper wind –

Ze varen de haven uit, de kleine brug onderdoor, langs de smalle strook, langs de zondagsvissers aan de haveningang –
gooien de lijnen uit –
zitten op hun stoelen, keuren het water, de rimpels –
wachten op de vissen –
de boot verdwijnt uit het zicht –

en ik, de wind, ik vaar mee”

BOREAS – 5. HIJ TEKENT, DE WIND

De wind zegt:
“Ik beweeg niet vandaag. Ik bewaak de wiggen tussen de wolken en laat hier en daar het hogere schemeren.”

“De kinderen zien mijn tekeningen, ze weten me in de wolken, ze kennen me stormen, dieren en dromen toe en beseffen dat ik dit ben. De wind.”

“Het is groot, het is veel. In mijn wolken zitten miljoenen dromen. De dieren, de bloemen, alle objecten. In veelvoud.”

“Getekend, doortekend. Zo ben ik.”

Hij vervolgt zijn weg, bewaakt de wiggen en tekent.

BOREAS – 4. HIJ ZILT, DE WIND

En de wind, hij beroert mijn handen en haren, hij streelt mijn gezicht, hij speelt met mijn wimpers en gooit

  • zilt
  • heden
  • verleden
  • toekomst
  • meer zilt

en kreunend, steunend, zuchtend en proestend verkent hij mijn lichaam. Hij streelt me met handen zo zacht en zo teer

en hij raakt met het zilt van zijn kracht

  • een eerste porie
  • een tweede porie
  • een derde en vierde en honderdste duizendste

en hij zegt “Rust, mijn kind,” en wiegt me, draagt me, legt me neer op een van zijn zachtste banken, herhaalt met een zucht en raakt

  • mijn eerste porie
  • de tweede
  • de honderdste duizendste

BOREAS – 3. DE WIND LIGT, DE WIND LUISTERT

Ligt de wind aan de voeten van een slanke jonge man in een elegant pak en weet hij dat de man wacht.
Zegt de wind dat hij met de man wil praten en beroert hij de stof van het pak.

De man voelt iets aan zijn linker bovenbeen, buigt het hoofd, vraagt zich af wat hij voelde.
Hij weet het niet
en hij vermoedt “Het was de wind.”

Denkt de man aan voorbije tijden van lange wandelingen en een nog langer durend stilzwijgen op een wrakhouten balk.
Denkt de man dat hij erover wil praten met de wind. Over het striemen van het zand en over de diepe groeven in het hout

en na enige aarzeling spreekt de man. Voelt hij dat de wind zijn mond beroert want deze god-wind wil de klanken en woorden van de lippen voelen. En hij luistert, hij luistert, de wind.