GRIJZE EN ZWARTE EN VOOR DE ZOMER MISSCHIEN LICHTBLAUWE, OF ZO

Hoeveel?

Twee. Twee valiezen.

En dat is alles?

Ja. Nee. Ook nog twee Carrefour-zakken, voor de foto’s en de aandenkens. Een paar stylo’s en een blocnote. Een oude snoepdoos waar niks meer in zat. En wat kapstokken.

Schoenen?

1 paar. Ze komt niet buiten. En als ze toch eens buitenkomt, dan kan dat op die stevige pantoffels. Maar goh, wanneer komt ze buiten?

Twee valiezen dus?

Ja. Ik weet niet of de broeken nog passen. Die oudste zijn misschien te groot. En ik heb twee truien weggegooid. Die waren nog van het jaar stillekes. En ze heeft te weinig sokken. Zondag, zondag zal ik er op de markt in Wemmel kopen.

Of in de Carrefour.

Ja, dat kan ik doen.

Twee dus?

Ja. Twee. Dat is alles. Een restant. Een leven, herleid tot

Ja, tot

Tot niet veel hé?

Nee. Niet veel. Zo goed als

Ja, zo goed als

Advertenties

OF DE BLAUWE

Zij zei dat ze hem graag zag en hij zei dat hij haar graag zag. Ze kusten en omarmden elkaar en gingen slapen. De volgende ochtend zei hij dat hij haar graag zag en zij zei dat ze hem graag zag. Ze kusten en omarmden elkaar, ontbeten en vertrokken naar het werk. ’s Avonds zei zij dat ze hem graag zag en hij zei dat hij haar ook graag zag en ze kusten en omarmden elkaar en bleven zo een tijdlang staan. Maal dertig, vijftig, zestig, maal driehonderdvijfenzestig. Ze zegden dat ze iets moois te vieren hadden en kusten en omarmden elkaar en hij zei dat hij haar graag zag en zij zei dat ze hem graag zag, tienduizend, honderdduizend keer.

Hij zei dat het niet zo goed meer lukte, die sokken. Zij knikte. Ze kusten en omarmden elkaar, zij zei dat ze hem graag zag, hij zei dat hij haar graag zag, maal vele keren, benadrukten ze. Ze vroeg welke sokken hij het liefste had, deze? en hij zei ja, die dikke grijze, die wintersokken, ja.

IN ONGEZIENE VRIENDSCHAP EN LIEFDE

Googlemaps zegt dat ik hier twee jaar geleden geweest ben. Ik zeg dat het niet waar is, dat ik hier iedere dag. Het zegt ook dat ik prei en selder van de boeren, en dat ik met de paarden, en met de huifkar van een van de buren.

Mijn haren zijn nog nat en ik schud ze. De druppels vliegen tot in de volgende gemeente en ik moet een klachtenformulier beoordelen. Ik zeg dat ik liever een geel document had ontvangen. Zij zeggen dat een van hun stapels papier, enzovoort, enzovoort.

En plots staat daar iemand met een grote megafoon. Hij fluistert. Ik zeg dat ook dat geen zin heeft, maar hij doet voort. Hij verandert in de kat van de buren van het zogezegde huis van twee jaar geleden. De megafoon blijft liggen. Ik draai hem om en om en vraag me af

maar ik word onderbroken. Het fruit ligt in de mand en het vlees staat op het vuur. Honderden kinderen fietsen voorbij. Zij hebben gisteren het baantje, ons baantje, ontdekt en ze vertelden het voort en voort en voort. Zij zijn beter dan een Afrikaanse tamtam.

De bomen in het kleinste bos nemen er geen aanstoot aan. Ze praten tegen het mos en het struikgewas. Langs de rand: een rat. Ze graaft een doorgang in de mesthoop en verdwijnt. De eekhoorn heeft alles gezien maar doet alsof haar neus bloedt. Het is nog niet te laat.

Groentesoep hier, garnaalkroketten daar, un pavé en een entrecôte met donkere perpersaus. Zo zien we dat het spel van de politiek geen waarde heeft. Ze doen maar. Ze spelen met vijfduizend euro hier en vijfduizend euro daar en vergeten hoe het is met slechts een halve euro. ‘We zullen een telraam cadeau doen!’ roepen we. ‘Voor de kleuren!’ voegen we eraan toe. We heffen het glas (1).

Maar we moeten slikken en vijf van ons beginnen te huilen. Ze gedenken hun doden, hun levens die niet geleefd werden, de mogelijkheden ongezien, of te laat. ‘Misschien moeten we onze haren ook eens nat maken,’ zeggen ze en ze heffen het glas (2), in ongeziene vriendschap en liefde.

Links ligt het houtskool te smeulen, rechts zegt een collega dat hij het niet meer ziet zitten. ‘Drieëndertig pillen en vijfenveertig gesprekken later,’ zegt hij. Hij trekt bleek weg. ‘Ik moet kiezen maar mijn dochter,’ zegt hij. Hij toont een foto van een halve boom, ‘de blikseminslag’, zegt hij, en dat hij haar altijd moet helpen om in de halve boom de klimmen.

De collega is groter en breder dan het huis drie huisnummers verder, liever dan vijfendertig tamme konijnen. De tranen rollen over zijn wangen, tot in het houtskool, tot in de rode ballen voor de volgende kerstboom. ‘Ik meen het,’ zegt hij. ‘Zo’n blikseminslag,’ zegt hij.

We sudderen voort. Alle huidskleuren lopen voorbij en iets wits zegt dat iets zwarts voorbij de horizon zal eindigen. Het is grappig en lief en allen lachen. De dommeriken snappen er niks van en gebruiken moderne pamflettechnieken om de anderen te imponeren. Begrijpen ze dan niet dat het zinloos is, dat de huidskleuren in aantal zullen toenemen, dat het zo is en zal blijven tot onze aarde, en dat dat oké is?

Maar goed. Het was slechts een samenvatting. Ik bal haar bijeen. Ik steek haar in de gouden doos, linksachter. Ik neem iedere dag het stof af. De bal ontsnapt vaak en hij laat dan gouden schilfers na, op die verre horizon, op de gezichten van de honderden kinderen, op de achterwielen van hun fietsen. Het zij zo. Het kan niet anders. Het moet.

PUZZEL VAN ASSEN

Ja, ik was gevallen. Daar lag ik, mijn lichaam zo naakt
en onder de modder, zo zichtbaar voor mens en voor
onmens

en iemand verwondde me met een ijspriem en een
ander met een vork en nog een ander met een riek
en dan weer een met een schroevendraaier en

zelfs met brandende toortsen, met vuurpijlen, met
gloeiende poken, met spuwende draken, met hete
kolen en grimmige, likkende vlammen, ah, oh.

Ik was aan het bekomen van wat zij meenden te moeten.
Mijn ogen en oren: niets meer, mijn tong en lippen:
gesmolten, mijn handen en voeten: verkoold.

Ach, ik, arme ik, wat zij deden, wat zij meenden te
moeten, zij priemden en brandden, zij vonden het
resultaat opperbest en riepen, om ter luidst,

‘Zie hem, hij ziet ons niet meer! Hoor hem, hij hoort
ons niet meer! Ha, ha!’ en vrolijk dansten zij, op mijn
assen, op de donkere stofresten van mijn lijf,

tot ik ontwaakte en dacht ‘Vervloekt zijn zij, ik sta op,’
en, echt waar, ik raapte mijn assen bijeen en puzzelde
sneller dan snel een hand, nog een hand, een oor,
een oog, een been, en zo voort en zij snapten het niet.

‘Kuch en hum en oh en ah en wat doet hij en hoe en
waarom? Is dit een tovenaar, een monster, een duivel?’
vroegen zij maar ik bouwde voort et voilà! hier ben ik,
de puzzel van donkere assen, weer mens.

ZEGT HET ENE TAKJE TEGEN HET ANDERE

zegt het ene takje tegen het andere dat het het hoofd niet moet buigen.
zegt het dat weer en wind
en dat het verdriet.

zegt het andere takje tegen het ene dat het vandaag diep wil doorgaan,
met het hoofd tot op de grond,
gebukt, onder de last.

zegt het ene takje tegen het andere dat de lente op komst is
en het betere weer
en de zon en het licht.

het andere takje knippert met de ogen.
het is waar, zegt het,
maar het blijft zwaar,
het heft het hoofd, een beetje.
het ziet de aankomende lente.
het is waar, herhaalt het
maar het blijft zwaar, herhaalt het.

LIEFLICHT

Lichtblauw, lichtgeel, lichtpaars, lichtgroen, lichtwit, lichtzwart, lichtlicht.
Liefblauw, liefboom, liefbloem, liefdier, liefgras, lieflach, lieflicht.
Lachlief, lachlicht, lachzacht, lachgoed, lachlang, lachnu, lachgroot.
Stastil, stahier, stadaar, stahuis, statuin, stawolk, stazon, stamaan.
Blijfzus, blijfzo, blijflief, blijflach, blijfsta, blijfmooi, blijfeeuwig.
Voelvoel, voelveel, voelhier, voeldaar, voelmens, voelkind, voelsterk.
Leefnu, leefhier, leefschrijf, leeflees, leefleef, leefeet, leeflach.
Maaknu, maakhier, maakzacht, maakmooi, maakhem, maakhaar, maakwereld.

DE OUDE SCHELDE, RICHTING DE BRON

Eerst was hij hier en nu is hij daar. Dat is de normaalste zaak van de wereld. Het was zo gepland, weet ik. Hij knoopt zijn das los, ademt diep in en uit, glimlacht. ‘Hop hop, een volgende stap,’ zegt hij.

Vier jongen vrouwen dansen tussen de bloementapijten.

Hij bespreekt het met zijn vrouw.
Ja, ik wil terug verhuizen, ik wil terug naar de oevers van de oude Schelde, daar woonden we goed,’ zegt zij.

Ze letten er op dat ze de tapijten niet aanraken. Iedere bloem moet intact blijven.

‘Dat kan,’ zegt hij. ‘Maar ik zal vaak in het buitenland zijn.’

Veel uren laten zijn ze volledig uitgeput. Ze vleien zich naast het grootste tapijt. Ze rusten en

‘Dat geeft niet, zolang ik de oude oevers maar vlakbij weet, zolang ik het riet en het water kan horen. Zolang ik de bomen aan de overkant,’ zegt ze.

vallen in slaap. Ze dromen. Over prinsen, groot en klein, over danspassen, over grote of kleine levens, ooit. Ze glimlachen in hun slaap, alle vier.

‘Ik mis die bomen,’ zegt ze. ‘Wat doe je?’ vraagt ze.

Ze dromen voort. Witte rozen, witte anjers, witte lelies, witte orchideeën, danspassen, prinsen,

‘Ik zou eens in de krant, ja, en overal. Naar wat was en wat is. Sommige wegen kronkelen, maken zelfs rechtsomkeer,’ zegt hij.

tot ze wakker worden. Ze staan recht, zien de bloementapijten, glimlachen naar elkaar,

‘Ja, zoals wij, nu. Terug naar de oevers van de oude Schelde, naar het kleine gemeenteplein vlakbij de rivier, naar de ruisende bomen,’ zegt zij.

‘Ja,’ zegt hij.

dansen.