En de wind, hij beroert mijn handen en haren, hij streelt mijn gezicht, hij speelt met mijn wimpers en gooit
- zilt
- heden
- verleden
- toekomst
- meer zilt
en kreunend, steunend, zuchtend en proestend verkent hij mijn lichaam. Hij streelt me met handen zo zacht en zo teer
en hij raakt met het zilt van zijn kracht
- een eerste porie
- een tweede porie
- een derde en vierde en honderdste duizendste
en hij zegt “Rust, mijn kind,” en wiegt me, draagt me, legt me neer op een van zijn zachtste banken, herhaalt met een zucht en raakt
- mijn eerste porie
- de tweede
- de honderdste duizendste


