BOREAS – 6. HIJ VAART, DE WIND

“en kijk, de meeuwen glijden door mij
en kijk, het rimpelende water –

Ik ben in een klein havendorp aan de Oosterschelde. Ik verken de straten en pleinen, langs de trap naar beneden, over de slipway.

Een man komt aangereden, loodst de bestelwagen met trailer de helling af. De RIB-boot schuift het water in.

Mijn adem raakt de zwarte romp.

Ik streel de man over het hoofd. Hij voelt iets, kijkt naar de heldere hemel, werpt een blik op het water, houdt de hand boven de ogen –

De boot ligt in het water, de man stuurt hem naar de steiger –
weer die hand – hij vergat zijn pet en zijn zonnebril –
hij test de radio –
bergt een en ander op –

De man verwelkomt een vriend en diens vrouw –
ze zeggen het is mooi weer –
er is amper wind –

Ze varen de haven uit, de kleine brug onderdoor, langs de smalle strook, langs de zondagsvissers aan de haveningang –
gooien de lijnen uit –
zitten op hun stoelen, keuren het water, de rimpels –
wachten op de vissen –
de boot verdwijnt uit het zicht –

en ik, de wind, ik vaar mee”

BOREAS – 5. HIJ TEKENT, DE WIND

De wind zegt:
“Ik beweeg niet vandaag. Ik bewaak de wiggen tussen de wolken en laat hier en daar het hogere schemeren.”

“De kinderen zien mijn tekeningen, ze weten me in de wolken, ze kennen me stormen, dieren en dromen toe en beseffen dat ik dit ben. De wind.”

“Het is groot, het is veel. In mijn wolken zitten miljoenen dromen. De dieren, de bloemen, alle objecten. In veelvoud.”

“Getekend, doortekend. Zo ben ik.”

Hij vervolgt zijn weg, bewaakt de wiggen en tekent.

BOREAS – 4. HIJ ZILT, DE WIND

En de wind, hij beroert mijn handen en haren, hij streelt mijn gezicht, hij speelt met mijn wimpers en gooit

  • zilt
  • heden
  • verleden
  • toekomst
  • meer zilt

en kreunend, steunend, zuchtend en proestend verkent hij mijn lichaam. Hij streelt me met handen zo zacht en zo teer

en hij raakt met het zilt van zijn kracht

  • een eerste porie
  • een tweede porie
  • een derde en vierde en honderdste duizendste

en hij zegt “Rust, mijn kind,” en wiegt me, draagt me, legt me neer op een van zijn zachtste banken, herhaalt met een zucht en raakt

  • mijn eerste porie
  • de tweede
  • de honderdste duizendste

BOREAS – 3. DE WIND LIGT, DE WIND LUISTERT

Ligt de wind aan de voeten van een slanke jonge man in een elegant pak en weet hij dat de man wacht.
Zegt de wind dat hij met de man wil praten en beroert hij de stof van het pak.

De man voelt iets aan zijn linker bovenbeen, buigt het hoofd, vraagt zich af wat hij voelde.
Hij weet het niet
en hij vermoedt “Het was de wind.”

Denkt de man aan voorbije tijden van lange wandelingen en een nog langer durend stilzwijgen op een wrakhouten balk.
Denkt de man dat hij erover wil praten met de wind. Over het striemen van het zand en over de diepe groeven in het hout

en na enige aarzeling spreekt de man. Voelt hij dat de wind zijn mond beroert want deze god-wind wil de klanken en woorden van de lippen voelen. En hij luistert, hij luistert, de wind.

HET. HET WAAIT – EXTRA

Jan-Willem Lubbers is een van mijn oudste en trouwste lezers – waarvoor dank, Jan-Willem, maar dat weet je. We hebben elkaar nooit ontmoet en hadden in al die jaren wel eens contact, meestal met lange tussenpozen.

Weken geleden reageerde hij, via mail, op mijn blogpost ‘HET. HET WAAIT’.   https://anderewoorden.be/2026/04/03/het-het-waait/

Met veel plezier wil ik hier zijn reacties eindelijk ‘delen’ – het moderne woord ‘delen’ vind ik maar niks, maar anderzijds klopt het natuurlijk.
Dank aan Jan-Willem!

Een tekst van Jan-Willem zelf, op JWL  https://www.janwillemlubbers.nl/2023.html#1972  :
#1972 (2 augustus 2023)

Het waait, denk ik. Is het ‘het’ uit ‘het waait’ niet hetzelfde als de ‘ik’ uit ‘ik denk’? Is ‘ik’ uiteindelijk niet net zo onbepaald en bepalend als het ‘het’. Ik waai, denkt het. Of misschien zelfs wel ‘het denkt, waai ik’. Zou het mogelijk zijn dat meneer Descartes te vroeg stopte? Dat het ‘ik denk’ weliswaar naar het bestaan van ‘ik’ verwijst, maar wat doet ‘ik’ dan ontstaan? Ik denk, dus het bestaat? Het denkt, dus ik besta? Wat blijft er over wanneer ik alle ideeën, opvattingen, opinies, verwachtingen … wanneer ik alles wat ik tot ik maakt over boord gooi? Wanneer ik ‘ik’ uitwis? Wat waait er dan?

Mijn antwoord: Het. Het waait. (Met de glimlach)

Jan-Willem stuurde me enkele dagen later ook een gedicht van Gerrit Kouwenaar: ‘Kijk, het heeft gewaaid‘. Het is integraal te lezen op de website van Poetry International.

BOREAS – 2. HIJ RAAST, DE WIND

Hij raast, hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust hier of daar,
een seconde.

En opnieuw, en opnieuw.

Hij ziet kinderen en denkt: “Ik stop even,” en

rust.

Hij zal de graspleinen en de stranden ontzien, zal ze met niet meer dan een zachte bries raken.

“Ik zal ook de kinderen sparen,” zegt de wind.

Wat later zweeft hij over de duinen.
Hij ziet een gele boot, ziet een kleine man, ziet een kleine vrouw. Samen zitten ze liefde-
vol naast elkaar.
De wind zegt: “Ik wil hen niet raken,” en maakt een omweg.

Hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust een seconde, raast voort over de continenten, de oceanen, tot de polen.

Is hij plots boos? Laat hij zich gelden?

en

woedt hij voort? Cirkelt hij over straten en voetpaden? Neemt hij mee: strobalen, loszittende granen, sjaals van de vrouwen?

of

roept hij tegen de vogels “Kom, zweef met mij, vlieg met mij, vlieg mee op mijn adem”?

BOREAS – 1. HIJ ZEGT, DE WIND

‘behalve Boreas die hen naar huis zou blazen.’
(http://nl.wikipedia.org/wiki/Anemoi )


1. HIJ ZEGT, DE WIND

1 – Zegt de wind:
“Ik ben de wind. Ik zie de bomen, ik loop ernaartoe, ik raak ze aan, ik beroer de bladeren en de takken, ik raas langs de stammen.”

2 – Ik ben een toeschouwer.
Ik luister naar wat de wind zegt, ik kijk. Ik hoor en zie de bomen ruisen, de takken wiegen, de bladeren bewegen.

3 – Het is laat.

4 – Zegt de wind:
“Ik begeleid de zonsondergang. Ik help de lucht kleuren, ik help de zon om over alle landen te schijnen. Ik blaas, ik streel, ik zucht. En de kleuren veranderen.”

“Voor jou,” zegt de wind, “verdwijnt deze zon, even.”

5 – Ik blijf toeschouwer.
Ik luister, ik weet dat de wind gelijk heeft, dat het kleurenpalet verandert, dat de zon in de zee zakt en dat de golven de overgang naar de nacht begeleiden.

STACCATO

Stac
Staccat

Er zit iets in mijn k
Ik kan amper pr
Het lijkt muurv te zi
Ik weet niet w

Ik probeer het door te sl
Het voe
Het is niet nik

Zelfs ademen luk

Is er een verdi ?
Ik kijk in de spi

Ik doe een paa oefe
Mijn hals mijn n
Beweeg ook mijn arm en be

Misschien moet ik wat wan ?
Wat ontsp ?

Daarna blijf ik rus zitt
Ik slik en sli

Ik wacht
Ik wa

Het is een no
Het is een noot

KAFKA AFORISME 109

“We kunnen niet zeggen dat het ons aan geloof ontbreekt. Alleen al het eenvoudige feit dat we leven heeft een onuitputtelijke geloofswaarde.”
‘Zit daar geloofswaarde in? Je kan toch niet niet-leven.’
‘Juist in dat “kan toch niet” huist de waanzinnige kracht van het geloof; in die ontkenning krijgt die kracht gestalte.’

_____________________________


Je hoeft het huis niet uit te gaan. Blijf aan je tafel zitten en luister. Luister niet eens, wacht gewoon. Wacht niet eens, wees volkomen stil en alleen. De wereld zal zich bij je aandienen om te worden ontmaskerd, ze kan niet anders, in extase zal ze voor je kronkelen.

uit: Franz Kafka, Een kooi ging eens een vogel zoeken
Aforismen
Vertaald door Martin de Haan | Kopernik 2025

DARGER

Gisteren:
Het veranderende licht, het veranderende blauw.

1 enkele blik op kunst. Op iets wat kunst zou moeten zijn / zou kunnen zijn. Lignes et surfaces. Escaliers. Ik kijk even rond.
De ‘Lignes et surfaces’ doet me aan het werk van Mieke voor Merel en Mus denken. 1 van de trappen doet me dan weer denken aan het werk van Leon Spilliaert.

(Ik ga naar zee, zee)

En een flashback naar het werk van Henri Darger. Ik zoek hem nu [vandaag] terug. https://flash—art.com/2017/06/henry-darger-center-for-intuitive-and-outsider-art-chicago/

https://www.paris-art.com/lignes-surfaces/

Vandaag: ik verdraag blijkbaar enkel Calexico.
Ik moet P1 opmaken. Ik moet inboeken en uitpakken. 13 dozen, die zullen me geluk brengen, ha.