HET KAN VERKEREN

Gek. Ze maakten me gek. De aantallen, de hoeveelheden, de afmetingen! 5366, 9822, 3621, 10988, 527, 687, 13687, 9913! De cijfers en getallen vlogen door de lucht, meestal vliegensvlug, soms tergend langzaam.
Ik kon het niet meer verdragen, stond op en riep luid ‘GENOEG! GENOEG!’.
Het werd stil in de zaal.
Muisstil.
De frontman had zijn mond al open om een volgende afmeting of aantal te roepen, en bleef zo nog enkele seconden zitten. Ik besefte wat ik gedaan had en merkte dat iedereen me aangaapte. Ik wou in de grond zakken van schaamte, bleef in mezelf echter ‘GENOEG! GENOEG!’ herhalen en zakte niet in de grond, maar kromp ineen. Ik werd kleiner en kleiner. Centimeters. Ik werd een veldmuis! Een keer ik dat goed en wel besefte, liep ik bliksemsnel, zoals enkel een veldmuis dat kan, de zaal uit. Echt. Ik slalomde tussen de benen van de anderen, ik hoorde vrouwen gillen en mannen vloeken, een iemand vermorzelde me bijna maar ik was te snel, slalomde voort en kon door een openstaande kier ontsnappen, de gang door, recht naar buiten, de tuin in. Daar was ik veilig. Ik hoorde het tumult dat ik veroorzaakt had, een paar minuten later klonk de tot rust aanmanende stem van de frontman en niet veel later declameerde hij gewoon voort. ‘812, 7832, 6001, 15687,’ enzovoort. Ik kroop door de haag en verliet het domein tot ik ver genoeg was en niks meer hoorde. Ik kalmeerde en werd langzaamaan terug mens.
Advertenties

2019

Drieëndertigduizend televisieschermen, opeengestapeld tot een enorme muur.
Duizenden mensen op het plein voor de televisiemuur. Ze staan stil en hun blikken glijden over de vele verschillende, continu bewegende maar geluidloze schermen.
Een blind kind loopt door de mensenmassa. Het herhaalt: “Wat gebeurt er? Wat doen jullie? Ziet iemand mij? Wat gebeurt er? Wat doen jullie? Ziet iemand mij?”
Niemand reageert.
Het kind vindt zijn weg naar de rand van de massa. Het blijft staan en leunt tegen een van de grote huizengevels. Het concentreert zich en luistert, blijft luisteren naar wat de mensenmassa bezighoudt.

‘ZIT!’, IN MAX. TWEE BEVELEN

maar in feite kan ‘m alles moeiteloos.

(dit is nog een doorbreken van mijn voorlopige weigering om te schrijven, het is ook een weigering om in vreemde bijna-raadsels te schrijven)

Een enkele oefening vormt misschien (zeker, bedoel ik) een probleem, maar die ene oefening is slechts een onderdeel van een andere, grotere, en overall zou hij toch moeten slagen. Tenzij, natuurlijk, er weer veel te veel omgevingslawaai is, of tenzij het vochtig is, want dan ruikt alles veel sterker. Daarbovenop is er het begin van het vallen van de bladeren, die liggen er iedere keer meer, en die ruiken blijkbaar lekker. Ze nodigen erg uit tot snuffelen, snuffelen, het nieuwsgierige onderzoeken op de wijze van ‘Wat is dit? Ieder blad ruikt anders! Hop, hop naar het volgende en o, o daar nog een!’

(Wat hoorde ik over Joyce en het gewone leven? Ik zou het filmpje helemaal moeten bekijken, maar dat bekijken enzovoort zou niet meer zijn dan nieuwsgierigheid in de stijl van ‘Ik snuffel en snuffel want dit blad ruikt lekker en dat blad ruikt ook lekker en dat blad ook’. De bedoelde schrijf-weigering zal binnenkort vanzelf wegebben en later, jaren later, zal ze, met plezier, terugkomen, volledig overwinnen en eeuwig blijven. Dan zal ik me beperken tot het snoeien van de rozenstruiken, van de olijfboompjes, van de vijgenboom, en tot het wandelen met de hond. Dan zal ik glimlachen zonder dat er daarna een tekst over geschreven moet worden. Ik zal enkel nog kijken naar de bomen, naar de honden, naar de mensen.)

NUMMER TACHTIG

Reflectie van reflectie van reflectie van reflectie van
de zon, de zee, de lucht, de zon, de zee, de lucht.
Een bloemenveld, het waait, naar oost, naar west,
naar oost, naar west, naar oost, naar west

en dan, het spelen van de wind, een tekening
van lucht in bloemen en in velden, weer een
spelen van de wind en dan

reflectie van reflectie van reflectie van reflectie van de
zonnen, manen, zonnen, manen, zonnen, sterren en
reflectie van reflectie van de dagen en de nachten en
de dagen en de nachten en dan, erg duidelijk,

een maan, een zon, een sterrenfirmament.
Reflectie van reflectie en een spel met bladeren in
bomen door de wind, van links naar rechts
van rechts naar links en aargh

het spelen van de wind en nog en nog, een zucht
van lucht en dan weer spelen en reflectie van het
licht en van de wind, een bloemenveld, de zonnen en
de manen, nog een zucht, een zon, het spel weer,

weer, en telkens, telkens van de wind en van het licht.

ZELFS DE GARNALEN

‘De oceanen zijn leeg,’ zei hij.
‘Wat bazel je nu?’ vroegen zij.
‘Dat er niets meer in onze oceanen zit,’ zei hij.
‘Je bent niet goed snik, we kochten net nog garnalen en kabeljauw,’ zegden zij.
‘Toch zijn ze leeg,’ hield hij vol.
‘Jij weet van niks,’ zegden zij.
Hij zuchtte en zweeg. Hij slikte en keek naar de grond.
‘O jawel. En erger nog, ze zijn dood,’ fluisterde hij.

(een oud geschenk dat vanochtend door mijn hoofd zoemde en bleef zoemen. ik moest even denken en zoeken maar dat duurde niet lang. bedankt, M)

WAAR WIT WIT WAS

Waar wit wit was, staan nu
een letter, een woord, een zin,
een gans alfabet, begot,
en een streep, en een punt,
enzovoort. Wit is er niet meer,
meer

nog, wit is echt zwart daar waar
wit geen wit meer kan zijn, enkel die
letters en zinnen en zingeving,
zogenaamd, begot, en ja, samengevat,
wit was wit en werd zwart, met
een punt, hier en daar, tot het eind.

HOP, HOP

Ja, ik ben springlevend.
Ik liep net nog door de supermarkt.
Ik reed met de auto.
Ik speelde met de hond.
Ik at zelf-geïmporteerde oesters.

Daarna begon het tellen. Tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd. Honderd minuten.
Meer dan anderhalf uur duurde het.
Het was een kijken.
Vijf zwaluwen, een zonsondergang, een plant die rode blaadjes moet krijgen, een rozelaar die gesnoeid mag worden, een jonge vlinderboom, een, een, een

Ik herbegon.
Tien, twintig, dertig, veertig
Ik voelde mijn keel, ze werd dichtgeknepen
Mijn ogen bewogen niet meer en mijn keel, mijn keel.

Ja, ik ben springlevend.
Ik liep net nog door de supermarkt.
Ik reed met de auto.
Ik at een stuk fruit en nog een.
Ik praatte met iemand.
Jaja, springlevend.