VEEL EN VEEL

Haar jaren zijn voorbij.

Ze kijkt terug op een vol leven met veel kinderen, kleinkinderen, honden, katten en ook kippen, een paar schapen, ezels, zelfs een pauw.

Ze zucht.

Ze vouwt een handdoek, strijkt een zakdoek, kijkt eens rond en ziet het stof, ze stofzuigt en zo voort.

Ze rust wat.

Ze neemt het doosje van weleer met ringen en een halsketting, draait alles een voor een en om en om en denkt

aan hem. Reeds lang vertrokken, slechts een schim nog, ach, een verre echo van wat was, zijn basse stem, zijn luide lach, zijn stille liefde en zijn spel

met Joren, Antje, Steven, Lieselotje, Lena en met Cas.

Ze glimlacht, draait de ringen en de halsketting weer een voor een en om en om en denkt

aan hem en weet

EN EEN GROTE POT RODE BEGONIA’S OP DE TAFEL

Dag 4 van de quarantaine.
Evy gaat naar buiten. Ze ademt diep in en uit. Ze kiest links en loopt voorbij het huis van de buren. Ze ziet de buurvrouw. Die schrikt en minder dan een seconde later dreigt ze met haar vuist. Evy haalt de schouders op, loopt voort en kijkt nog even achterom. Ze ziet nog net dat de buurvrouw haar telefoon neemt.
Evy loopt bijna huppelend over het voetpad en ziet in de verte een fietser aankomen. Ze steekt over. Als de fietser voorbij is, gaat ze terug naar de overkant en vervolgt haar weg. Ze voelt de blijdschap, hinkelt even, maakt nog een sprongetje en begint luidop de stapstenen te tellen. Nog een huppel, nog een hinkel, vijftien, negentien.
Plots ziet ze in de verte de blauwe zwaailichten van twee politiecombi’s. Ze houdt haar adem in, twijfelt, maakt rechtsomkeer. De politiewagens stoppen, er springen vier mannen met mitrailleurs uit. Ze blijven op een veelvoud van de wettelijke afstand, maar houden haar onder schot.
‘Mevrouw, u bent in overtreding. U mag niet over de straat lopen,’ brult een van de mannen.
Evy antwoordt: ‘Ik weet het, ik ben alweer weg.
”In looppas alstublieft!’ buldert een andere. ‘Dit kost u drieduizend strafpunten, u kent de gevolgen!’
Evy stapt snel door en zucht. Ondertussen zoekt ze haar huissleutel. Ze ziet de buurvrouw, die dreigt nog eens met een vuist en houdt haar andere hand gedecideerd in haar zij.
Evy is  terug thuis. Ze laat de rolluiken naar beneden en ploft met een diepe zucht in de sofa.

HET KAN KEREN

De volle maan bleef drie dagen en nachten helder staan.
Immers, als onze aarde gekke dingen doet, waarom zou de maan dat niet kunnen?
En zo werd een van de vele dode maankraters plots een actieve vulkaan en spuwde, spuwde, doofde weer uit en een volgende krater spuwde en een volgende. En de maan bleef weer drie dagen en nachten helder staan.

De aarde, zij kleurde volledig groen.
Op een snik en een wip was dat groene weer verdwenen en kleurde de aarde grijsbruin, dan paars, dan oranje met vuilgrijze spikkels.
Ze begon te beven. Bergen, dalen, rivieren, bossen en oerwouden vonden hun plaats op de continenten niet meer. Oceanen en woestijnen werden door elkaar geschud. Oases verdwenen en doken elders weer op, om dan toch te zinken of op een van de polen tevoorschijn te komen. De winden raasden, rustten, bliezen, bolden en tolden. Zij rustten weer en begonnen opnieuw. Boreas was zijn noorden kwijt en draaide en keerde, tolde en rustte en raasde mee met de andere, telkens veranderend, telkens elders.

Mens en dier? Koeien, varkens, leeuwen, tijgers, mieren, vliegen? Zwaluwen? Meeuwen en mussen? Nachtvlinders? Honden en katten? Mannen en vrouwen, kinderen? Werden zij echt naar binnen gezogen? Langs riolen, langs grotten? Langs kraters? Wat gebeurde er met alles en iedereen?

En de zon? Zij draaide drie dagen rond haar as, stond dan stil, draaide twee dagen, stond stil, draaide vijf dagen, stond stil. Ze sneed zichzelf middendoor, kleefde zich weer aaneen, sneed, kleefde, draaide, stond stil, sneed, draaide, stond, kleefde, draaide, sneed. En zo voort.

De aarde, alle grote en kleine lichamen in het heelal, zij hadden een ander ritme en een andere vorm gevonden en niks verliep nog volgens een patroon of een schema. Eb werd vloed en vloed werd dubbel eb. Noord stond op zijn kop en west was verdwenen. Bergen spleten in honderden stukken, oceanen liepen leeg, polen liepen vol.

Niets was nog wat het was. Niets was nog. Alles was anders en elders.


(n.a.v. drie opeenvolgende avonden volle maan, ergens begin november, of was het eind oktober? En nee, ik overdrijf niet, ik heb het zelf gezien.)

EN VOORBIJ DE VELDEN HET BOS

We vertrokken vroeg en hadden er niet op gerekend dat de paden zo steil en zo glibberig waren: veel natte keien, veel modder waar het water in dunne stralen doorheen liep.Plots riep hij: ‘Goh, een edelweiss!’ en ik antwoordde ‘Jaja, verdorie!’ want mijn linkervoet zat gekneld tussen twee spitse stenen en ik kon niet meer

maar hij kwam terug tot bij mij en was slimmer en sterker dan ik, rukte eerst aan de ene en dan aan de andere steen tot er beweging in kwam. Met wat wringen en plooien kon ik weer voort. ‘Kom, kom dan toch kijken!’ riep hij en ik moest hem snel volgen, naar die grijsgroene melkwitte bloem, de gedoodverfde pracht van de bergen. Ik geeuwde

dat ik honger had, maar we moesten nog zeker een uur. ‘In de hut zal het lekker warm zijn,’ zei hij, ‘en het uitzicht over de vallei, en de hoge witte wonderen der natuur.’ ‘Ik wil er een beklimmen,’ zei ik, maar hij lachte dat de hoge kammen niks voor een beginneling waren, ‘Jij kunt dat niet,’ beweerde hij en ik zweeg.

De volgende ochtend was ik alleen. In de verte zag ik de hoogste der hoge. Ik stapte flink door en keek geen enkele keer achterom. Een van de echte klimmers die ik onderweg tegenkwam vroeg of ik wist wat ik deed maar ik gebaarde dat ik hem niet begreep. De kop warme chocolademelk nam ik graag aan, ik dronk gretig en knikte dankbaar. Ik zette mijn eenzame tocht verder, tot helemaal boven en ik daalde zonder ongelukken weer af.

Drie dagen later was ik elders. De grote, knolachtige stammen van de woestijnrozen stonden klaar om op de uiteinden van hun frisse, groene takken een pracht aan bloemen te tonen en niet veel later werd ik beloond: felroze met wit, twee, drie weken lang. Daarna knipte ik zonder pardon de takken weg. Ja, ja, ik was voorzichtig, je hoeft me niet op het gif te wijzen.

Vandaag ben ik thuis en mag ik zeggen dat de stammen vol nieuw, monter groen staan. De takken zullen terug groeien, zij en ik wachten op het licht van de zomer en op de bloemen. Je ziet, de knollen overleefden mijn laatste tocht en vonden een goede plaats, hier, waar ik woon. Zij en ik hebben uitzicht op de velden, aan dit raam op het zuidoosten. Ze staan bij de bijzondere orchids, in de warmte, binnen, maar zonder te overdrijven.

MET EEN ZACHT VLOERKLEED, MISSCHIEN

De jongste dochter heeft geen vriend en iedereen vraagt altijd of het nog niet gelukt is en of ze alleen wil blijven, misschien.
En als ze dan wel een of andere mooie man aan de haak heeft geslagen, meestal voor even, dan worden dadelijk de andere vragen afgevuurd, of er al een datum is, en hoeveel kinderen, jongens of meisjes. Maar het wordt telkens niets, want in feite, tja

Ze vlijt zich languit op haar bed, staart naar het plafond, vindt alles goed zoals het is en de vragen vervelend.
Ze plooit een arm onder haar hoofd, laat haar gezicht tegen haar bovenarm rusten en sluit de ogen.
Ze droomt over een groot kasteel, met een warme woonkamer, een open haard, een bibliotheek en af en toe een vriend, meer heeft ze immers niet nodig, behalve toch ook een tuin, en een aanpalend bos, en misschien een kat en twee grote, zwarte honden om haar en het kasteel te bewaken.

Ze staat op.
De kamer is niet groot, het plafond iets te laag, ze zou de kleuren en zelfs de meubels eens kunnen veranderen.
Ze heeft een groot raam met een mooi uitzicht, de tuin, de straat, de gracht, het wandelpad naar het bos en naar het grote domein van de directeur van de pantoffelfabriek. De zoon groette haar nog, vorige donderdag, of was het woensdag? Ja, het plafond is net iets te laag, misschien een andere kleur, zodat het optisch, optisch, ze weet het niet meer, neemt haar computer en zoekt op hoe dat zit met de kleuren en hun effect op de kamer.

OVER HET LAND

De gordijnen, witter dan wit, hangen aan de wasdraad.
De boer staat aan het raam, kijkt over het land.
‘Wat is er?’ vraag zijn vrouw.
‘Niets, niets,’ zegt hij.
‘Heb je honger?’
‘Nee, nee,’ zegt hij.
Wil je iets drinken?’
‘Nee, nee,’ zegt hij.

Hij ziet zijn zonen en dochters, ze ploegen, zaaien, oogsten.
Hij ziet zijn kleinkind, twee.
‘Heb je echt geen honger?’ vraagt zij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.

De gordijnen, witter dan wit, hangen terug waar ze horen.
De boer staat aan het raam, schuift het gordijn wat opzij, kijkt.
‘Wil je?’ vraagt zij.
‘Niets, niets,’ zegt hij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.
Hij ziet zijn zonen en dochters, een kleinkind, twee, drie.
‘Heb je echt geen?’ vraagt zij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.

DE VAALBLAUWE WERKBROEK, MET MODDERVLEKKEN

Op een zonnige zondagochtend, vroeg,
zegt de boer: ‘Ik ga nog wat mollen,’ en
ruilt hij zijn goeie broek voor een van de oude.

De boerin knikt. Ze ziet hem, over het erf en
na al die jaren van koeien, bieten en maïs,
krijgt ze de tranen in de ogen.

Ze loopt naar buiten, roept
‘Hier, een flesje water,’ en niet-
begrijpend neemt hij het aan.

‘Merci,’ zegt hij, maar ze ze is al terug
binnen, de patatten

OF ZAL ZE

En de zon?
Zij wacht.
Zou ze? Wil ze?
Nee, ze heeft geen zin om te stijgen. Of zal ze toch?
Ze stijgt tien centimeter.
Dan aarzelt ze, blijft waar ze is.
Kijkt.
Ze ziet een vrouw, een man. Nog verder ziet ze een boom en een kind.
Ze schijnt zacht, weet het niet, denkt na, aarzelt weer.
Ze bekijkt de boom, ziet ook een huis, een tweede boom, een hoge haag, een rivier en een woud.
‘Schijn maar voort,’ denkt ze.
‘Ja, doe maar, en klim,’ overtuigt ze zichzelf.
Ze doet het, ze klimt.
Haar twijfel is niet helemaal weg.
Ze blijft hangen, klimt wat, kijkt.
Klimt hoger.
Ze is niet meer te houden, ontplooit al haar stralen, hoog, hoger.

HART

En ze zei dat ze ook dit jaar veel te veel tomaten en dat ze niet wist wat ze ermee moest, tientallen kilo’s en kilo’s.

En dat haar man nog steeds de planten en de bloemen, heel veel, ja, ja, de overvloed, de rijkdom.

En ook dat ze heel de tijd thuis waren gebleven.

‘Niemand, niemand, we waren streng, erg streng,’ zei ze.

Maar ze hebben een grote tuin en een grote serre, en de kleinkinderen mochten in het zwembad en dan bleven zij binnen en keken ze, keken ze, en hun hart smolt en telkens wat tranen, ha ja, iedere keer, natuurlijk, wat wil je, die grote afstand, te groot, het niet mogen, het niet durven. Maar toch ook een glimlach, en blijdschap, want de luxe, de overdaad, het mooie weer, de lachende gezichten, het geluk, zo ver, maar toch zo dichtbij, ja, ook, ik kon dat goed voelen, zei ze.