BIJ WIJZE VAN

En ik dacht GOH nu is het WEL
WELLETJES geweest en ik gooide de stenen
in de VIJVER en dan sprong ik ze na. DE VISSEN
vonden me maar een RARE VERSCHIJNING
en vroegen wat ik in HUN VIJVER kwam doen.
Ik zei dat ik vond dat het nu WEL
WELLETJES was en dat ik het vaak WARM had
maar ook KOUD en vaak zelfs BEIDE TEGELIJK.
De vissen zegden dat ze dat KENDEN en dat
ze me OVERSCHOT VAN GELIJK gaven en dat
ik BIJZONDER WELKOM was.
Zo zwommen we, ZIJ AAN ZIJ, we hadden veel
PLEZIER en vanuit onze GECAMOUFLEERDE
VIJVER keken we naar DE MENS. We lachten
en WISTEN dat alles WEL, ja WEL, WEL, meer,
veel meer dan WELLETJES was en we vroegen
ons af of DE MENS, of DE MENS dat beseft?

LENTE, BIJNA LENTE, OVERAL

en mep me geen gedicht rond mijn oren
of gooi niet met tulpen of rozen
of lieve woorden.

Val niet op je knieën
en vertel me geen dromen, geen wensen
vertel me gewoonweg niks.

Hou je zachte gemurmel
hou je mooiste, je zoetste glimlach
hou je allerliefste, allerbeste, meest welgemeende groet

ik hoef hem niet
ik hoef niks.

Ik wil vooral en alleen de zon en de wolken
en de helderste maan
en de strafste sterren

en een zeldzaam vliegtuig met onbekenden
en een sporadisch bewegen van iets anoniems
of een auto, een moto, een fiets met de ene of andere, verre,
iemand.

Laat me hier
bij mijn groen en mijn blauw
bij mijn veelsoortige vogels – een zwaluw, een fazant, een koppel eenden verstopt in het hoge, malse gras van de beek, een witte kwikstaart, tien, honderd

laat me alleen
bij mijn bomen – de wilgen, de beuken
bij mijn wit met zachtpaarse anemonen – bijna, als de lente de lente is

bij mijn witte en rode rozen – bijna, als de lente
bij mijn pioenen en mijn ranonkels – bijna, als de lente
weer lente is, een lente, als ze mag, als ze mag.

INTERPRETATIES, OVERAL

We willen WE WILLEN NIET
We zullen WE ZULLEN NIET
We mogen WE MOGEN NIET
We kunnen WE KUNNEN NIET

We dansen WE DANSEN NIET
We lopen WE LOPEN NIET
We fietsen WE FIETSEN NIET
We zingen WE ZINGEN NIET

We lachen WE LACHEN NIET
We hopen WE HOPEN NIET
We dromen WE DROMEN NIET
We leven WE LEVEN NIET

Londerzeel, Pasen 2020

DIKKE VETTE ZWARTE LIJNEN, OVERAL

en ik zou je willen aanraken, maar dat mag niet. Niks mag. Ik wil je handen vastnemen, ik wil een arm, een schouder aanraken, maar het kan niet. Ik mag zelfs niet reiken. Ik sta ver van je, maar het moet nog verder. Nog verder. Nog! Nog twee meter verder! Achter die dikke vette zwarte lijn moet ik blijven. Ik moet. Het moet. Ik mag niet. We mogen niet, niemand mag. We moeten, allemaal, we doen niet anders, we blijven achter die dikke vette zwarte lijnen.

SLIKKEN, OVERAL

en de krop in de keel.
Marc probeert hem door te slikken maar het lukt niet. Hij haalt eens diep adem en probeert nog eens. Marc gorgelt, doet wat nekoefeningen, probeert, maar de krop blijft. Marc kucht. Hij ademt een paar keer rustig in en uit, de dokter had hem gezegd dat diep in- en uitademen een goede ontspanningsoefening was, en het ademen doet deugd maar de krop blijft. Hij slikt nog eens. Hij gaat even naar buiten, recht zijn rug en schouders, kijkt naar de nachtblauwe hemel, ziet de sterren, overal, voelt de krop, overal, ademt, slikt, de krop blijft.