DE DAGEN – WOENSDAG

Het was muisstil.

Woensdag vond dat verdacht en stuurde een bericht naar dinsdag.

Dinsdag had geen idee.
Of misschien was het op maandag of zelfs op zondag al begonnen?
Dinsdag vond dat hij donderdag moest waarschuwen, zodat die alles goed in de gaten kon houden. Woensdag moest bovendien tot middernacht extra opletten en zelfs twee of drie controlemomenten inlassen.
Volledig onopvallend, natuurlijk.

Woensdag telefoneerde dadelijk met donderdag. Die dacht dat het al sinds vorige week aan de gang was. Toen had hij de eerste signalen gezien en alvast contact opgenomen met vrijdag en zaterdag om alles wat beter op te volgen.

Noch vrijdag, noch zaterdag hadden iets van zich laten horen. Donderdag maakte zich dan ook geen zorgen.

Wat nu?

WEELDE

Het groene, het blauwe,
het gras, de weiden,
de bloemen, de planten,
de lindeboom, de berken.

De lucht,
de merels, de reigers,
de mussen, de kwikstaarten,
de spelende zwaluwen.

De notelaar, de beuken,
de groene en rode hagen,
de jonge eiken, de late platanen,
de viooltjes – ze hikken.

De rode zon, de maan,
het ijs in de wolken.

Ver.
Hier.

EERDER EN LATER

Ze stuurden missionarissen en duizenden Bijbels, poogden van zwart wit te maken.
Daarna kwamen de richtlijnen, de onderverdelingen van de akkers, de verwarmingstoestellen.
Later vond iemand voor het eerst goud.
En nog later …

“De regen,” zeg ik. “Regen, oude kristallen, witte en zwarte harten.”

Een oude man noteert genummerde opdrachten in een schrift. “Ze moeten en zullen luisteren,” brult hij.

Een vrouw in een hut houdt haar kind een hand voor de ogen. Ze roept de oudere broers en zussen, tuurt boven de hagen, zoekt haar man, zoekt haar vader.

“Mijn hart klopt,” gooi ik in het midden. “Ik zal gaan waar ik hoor; langs rivierbeddingen en langs glazen paleizen, door de grotten en naar de woestijnen. Zelfs: op het water. Zelfs: op de hoofdkussens van vreemde bedden. Ik zal alle dromen lezen en vertalen.”

BOREAS – 24. LEVENS

Ik herinner me de laatste uren van luwte, twee eeuwen geleden

en de grootste storm aller tijden.

Ik herinner me de ijsbergen op het zuiderse vasteland
en de metershoge sneeuw
en de hagelbollen groter dan voetballen
en de aarde, onherkenbaar
en de mens, schuilend in onderaardse gangen, als een solitaire mol die zich voedde met bevroren aarde.

Ik herinner me de regenbuien die drie jaren duurden, tot de aarde een oceaan was,

tot al het water begon te verdampen en de zon eindelijk haar hitte temperde.


Op een dag besliste ik om de tijd te isoleren.

Links en rechts metselde ik een muur en liet ik de tijd binnen haar wanden dansen.
Uren werden dagen, jaren werden minuten.
Binnen de muren liet ik bomen zowel kaal als groen.
Ik maakte bloesems en rijpe appels.
Ik maakte een kind dat groter werd en weer kleiner.

Daarna blies ik de muren omver.
Ik liet de chaos”


Dit was het laatste deel van de Gedachtesprongen van de wind.
De witruimtes en de soms ontbrekende punten en komma’s zijn bewust.

BOREAS – 23. IJS

“Vandaag smijt ik ijs
en ik wacht en kijk en trek aan de bomen, tot hun wortels me voelen.

Ik donder en bliksem
smijt vanaf de hoogste verdieping
mijn woestende ijs.”

BOREAS – 22. DE STIP

De wind neemt me op de schouders.
De oceaan, Brazilië, de wouden, de papegaaien. We scheren over de watervallen en voort.

We landen op een verlaten strand.
De laatste stralen van de dag verwarmen me.
Aan de horizon zie ik een stip.
“Ja,” zegt de wind.
“Waarom zeg je dat?” vraag ik.
“Ja, hij zit op dat schip,” zegt de wind.
“Weet jij wat ik denk?” vraag ik.
“Ik weet dat.”
Ik blijf kijken.

BOREAS – 21. VOORLOPIG

“We zullen zien. Afspraak over tweehonderd jaar.”

BOREAS – 20. HET IS, ZEGT HIJ

De wind zucht.

De wind blaast.

De rokjes bollen.

“Het is een maskerade,” zegt hij.

BOREAS – 19. AURORA

De natuur is zwart.

Plots, een groene stengel.
Plots, een tweede.

De wind speelt met het nieuwe groene.