LICHT LICHT

Het licht was te licht.

We besloten om er iets aan te doen. Met dunne, witte stalen kabels hingen we er loodgrijze gewichten aan.

Het effect liet niet op zich wachten.
Alles werd donkerder en zwaarder.

Een man uit een nabijgelegen huis kwam kijken.
Hij vroeg wat we aan het doen waren.

We zijn bezig met het licht, zeiden we. We maken het minder licht.

Hij keek omhoog en zei dat hij niet wist of dat een goed idee was. Dat hij er niet van hield.
Een uur later stond hij er weer, met een kniptang.
Hij liep naar de kabels, struikelde en viel onder het licht.
Hij kreunde dat licht licht moest zijn. Dat de zwaarte niet eens mocht bestaan.

Ach man, zeiden we.
We lieten hem liggen onder dat licht en reden naar de ijzerhandel om nog meer kabels en gewichten te halen.

BOREAS – JWL

In zijn blogpost van twee weken geleden verwijst JWL naar Boreas – dank je.

Boreas deed hem denken aan Donald Niedekker, maar ook aan Alberto Caeiro [Fernando Pessoa]

Hartelijk dank aan JWL, en aan de andere AW volgers, lezers, likers.
Jullie zijn niet de grote massa – mijn social-media-marketing is niet zoals het hoort 😊 – maar jullie zijn me dierbaar.

Om BOREAS wat vlotter leesbaar te maken zet ik hieronder de (licht herwerkte) tekst in pdf.

Prettige dag, prettig weekend, veel groeten aan allen.

Eliane.

DE DAGEN – ZATERDAG

Plots besliste zaterdag om een feestdag te worden.
De anderen revolteerden: hoe kan een zaterdag iedere week een feestdag zijn?
Zaterdag bleef bij zijn beslissing.
‘Ik ben beter dan zondag,’ vond hij.

Maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag en zondag konkelfoesden en gniffelden.
‘Zaterdag is net een kleuter die zijn zin niet krijgt,’ sneerde donderdag.

Ze deden alsof ze zich erbij neerlegden, lieten de dagen de dagen en de uren de uren.

DE DAGEN – DINSDAG EN DONDERDAG

Dinsdag en donderdag vonden het maar niks en wisselden van plaats. Woensdag ruilde dan met vrijdag, zaterdag met zondag.

Maandag pakte het anders aan: hij schoof gewoon een paar uur door.

Een dag later vond zondag dat er eens flink geschud mocht worden.
De dagen hupten wat over en weer, maar bleven toch op hun nieuwe plaats.
Enkel maandag schoof nog een paar uur terug.

Het verschil was nu anderhalf uur. Niemand nam daar aanstoot aan.

De tulpenbollen werden als vanouds geplant, de platanen kregen een snoeibeurt, de vijgenbomen verloren stilaan hun bladeren.

Zo eenvoudig was het.

DE DAGEN – WOENSDAG

Het was muisstil.

Woensdag vond dat verdacht en stuurde een bericht naar dinsdag.

Dinsdag had geen idee.
Of misschien was het op maandag of zelfs op zondag al begonnen?
Dinsdag vond dat hij donderdag moest waarschuwen, zodat die alles goed in de gaten kon houden. Woensdag moest bovendien tot middernacht extra opletten en zelfs twee of drie controlemomenten inlassen.
Volledig onopvallend, natuurlijk.

Woensdag telefoneerde dadelijk met donderdag. Die dacht dat het al sinds vorige week aan de gang was. Toen had hij de eerste signalen gezien en alvast contact opgenomen met vrijdag en zaterdag om alles wat beter op te volgen.

Noch vrijdag, noch zaterdag hadden iets van zich laten horen. Donderdag maakte zich dan ook geen zorgen.

Wat nu?

WEELDE

Het groene, het blauwe,
het gras, de weiden,
de bloemen, de planten,
de lindeboom, de berken.

De lucht,
de merels, de reigers,
de mussen, de kwikstaarten,
de spelende zwaluwen.

De notelaar, de beuken,
de groene en rode hagen,
de jonge eiken, de late platanen,
de viooltjes – ze hikken.

De rode zon, de maan,
het ijs in de wolken.

Ver.
Hier.

EERDER EN LATER

Ze stuurden missionarissen en duizenden Bijbels, poogden van zwart wit te maken.
Daarna kwamen de richtlijnen, de onderverdelingen van de akkers, de verwarmingstoestellen.
Later vond iemand voor het eerst goud.
En nog later …

“De regen,” zeg ik. “Regen, oude kristallen, witte en zwarte harten.”

Een oude man noteert genummerde opdrachten in een schrift. “Ze moeten en zullen luisteren,” brult hij.

Een vrouw in een hut houdt haar kind een hand voor de ogen. Ze roept de oudere broers en zussen, tuurt boven de hagen, zoekt haar man, zoekt haar vader.

“Mijn hart klopt,” gooi ik in het midden. “Ik zal gaan waar ik hoor; langs rivierbeddingen en langs glazen paleizen, door de grotten en naar de woestijnen. Zelfs: op het water. Zelfs: op de hoofdkussens van vreemde bedden. Ik zal alle dromen lezen en vertalen.”

BOREAS – 24. LEVENS

Ik herinner me de laatste uren van luwte, twee eeuwen geleden

en de grootste storm aller tijden.

Ik herinner me de ijsbergen op het zuiderse vasteland
en de metershoge sneeuw
en de hagelbollen groter dan voetballen
en de aarde, onherkenbaar
en de mens, schuilend in onderaardse gangen, als een solitaire mol die zich voedde met bevroren aarde.

Ik herinner me de regenbuien die drie jaren duurden, tot de aarde een oceaan was,

tot al het water begon te verdampen en de zon eindelijk haar hitte temperde.


Op een dag besliste ik om de tijd te isoleren.

Links en rechts metselde ik een muur en liet ik de tijd binnen haar wanden dansen.
Uren werden dagen, jaren werden minuten.
Binnen de muren liet ik bomen zowel kaal als groen.
Ik maakte bloesems en rijpe appels.
Ik maakte een kind dat groter werd en weer kleiner.

Daarna blies ik de muren omver.
Ik liet de chaos”


Dit was het laatste deel van de Gedachtesprongen van de wind.
De witruimtes en de soms ontbrekende punten en komma’s zijn bewust.

VALLEND

BOREAS – 23. IJS

“Vandaag smijt ik ijs
en ik wacht en kijk en trek aan de bomen, tot hun wortels me voelen.

Ik donder en bliksem
smijt vanaf de hoogste verdieping
mijn woestende ijs.”