Ligt de wind aan de voeten van een slanke jonge man in een elegant pak en weet hij dat de man wacht.
Zegt de wind dat hij met de man wil praten en beroert hij de stof van het pak.
De man voelt iets aan zijn linker bovenbeen, buigt het hoofd, vraagt zich af wat hij voelde.
Hij weet het niet
en hij vermoedt “Het was de wind.”
Denkt de man aan voorbije tijden van lange wandelingen en een nog langer durend stilzwijgen op een wrakhouten balk.
Denkt de man dat hij erover wil praten met de wind. Over het striemen van het zand en over de diepe groeven in het hout
en na enige aarzeling spreekt de man. Voelt hij dat de wind zijn mond beroert want deze god-wind wil de klanken en woorden van de lippen voelen. En hij luistert, hij luistert, de wind.