BOREAS – 3. DE WIND LIGT, DE WIND LUISTERT

Ligt de wind aan de voeten van een slanke jonge man in een elegant pak en weet hij dat de man wacht.
Zegt de wind dat hij met de man wil praten en beroert hij de stof van het pak.

De man voelt iets aan zijn linker bovenbeen, buigt het hoofd, vraagt zich af wat hij voelde.
Hij weet het niet
en hij vermoedt “Het was de wind.”

Denkt de man aan voorbije tijden van lange wandelingen en een nog langer durend stilzwijgen op een wrakhouten balk.
Denkt de man dat hij erover wil praten met de wind. Over het striemen van het zand en over de diepe groeven in het hout

en na enige aarzeling spreekt de man. Voelt hij dat de wind zijn mond beroert want deze god-wind wil de klanken en woorden van de lippen voelen. En hij luistert, hij luistert, de wind.

BOREAS – 2. HIJ RAAST, DE WIND

Hij raast, hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust hier of daar,
een seconde.

En opnieuw, en opnieuw.

Hij ziet kinderen en denkt: “Ik stop even,” en

rust.

Hij zal de graspleinen en de stranden ontzien, zal ze met niet meer dan een zachte bries raken.

“Ik zal ook de kinderen sparen,” zegt de wind.

Wat later zweeft hij over de duinen.
Hij ziet een gele boot, ziet een kleine man, ziet een kleine vrouw. Samen zitten ze liefde-
vol naast elkaar.
De wind zegt: “Ik wil hen niet raken,” en maakt een omweg.

Hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust een seconde, raast voort over de continenten, de oceanen, tot de polen.

Is hij plots boos? Laat hij zich gelden?

en

woedt hij voort? Cirkelt hij over straten en voetpaden? Neemt hij mee: strobalen, loszittende granen, sjaals van de vrouwen?

of

roept hij tegen de vogels “Kom, zweef met mij, vlieg met mij, vlieg mee op mijn adem”?

BOREAS – 1. HIJ ZEGT, DE WIND

‘behalve Boreas die hen naar huis zou blazen.’
(http://nl.wikipedia.org/wiki/Anemoi )


1. HIJ ZEGT, DE WIND

1 – Zegt de wind:
“Ik ben de wind. Ik zie de bomen, ik loop ernaartoe, ik raak ze aan, ik beroer de bladeren en de takken, ik raas langs de stammen.”

2 – Ik ben een toeschouwer.
Ik luister naar wat de wind zegt, ik kijk. Ik hoor en zie de bomen ruisen, de takken wiegen, de bladeren bewegen.

3 – Het is laat.

4 – Zegt de wind:
“Ik begeleid de zonsondergang. Ik help de lucht kleuren, ik help de zon om over alle landen te schijnen. Ik blaas, ik streel, ik zucht. En de kleuren veranderen.”

“Voor jou,” zegt de wind, “verdwijnt deze zon, even.”

5 – Ik blijf toeschouwer.
Ik luister, ik weet dat de wind gelijk heeft, dat het kleurenpalet verandert, dat de zon in de zee zakt en dat de golven de overgang naar de nacht begeleiden.

BOREAS & CO

Hoor, de wind!
Hij rolt en hij tolt!
Hij raast en hij vraagt:
‘Wat met de aarde? Mijn aarde?’

Hij vraagt het de zeeën. Zij weten het niet.
Hij vraagt het de wolken. Zij weten het niet.
Hij vraagt het de zon. Ook zij weet het niet.

Hij roept en hij zoekt, hij raast en herhaalt:
‘Wat met de aarde? Wat nu met mijn aarde?’