WAAR WIT WIT WAS

Waar wit wit was, staan nu
een letter, een woord, een zin,
een gans alfabet, begot,
en een streep, en een punt,
enzovoort. Wit is er niet meer,
meer

nog, wit is echt zwart daar waar
wit geen wit meer kan zijn, enkel die
letters en zinnen en zingeving,
zogenaamd, begot, en ja, samengevat,
wit was wit en werd zwart, met
een punt, hier en daar, tot het eind.

ZUIVER

en hij is zuiver, zuiver

als het reinste water, als het puurste goud. Als

paardenbloemenpluizen –

wist je dat die tot in China vliegen? Als ze willen?

Als

jonge vogels – weet je hoe ze zijn? Zag je hen al bezig?

 

Als

Eenvoud, onbezoedeld. En als de sterren van

Whitman

wist je dat hij nog veel verder kon vliegen? Kijken?

Tot voorbij alle grenzen?

Alsof ze niet eens

getekend werden, nooit, door niemand?

 

Witter dan wit, is hij. Bijna onzichtbaar, zo fragiel

lijkend en

eeuwen en eeuwigheid, alles. Altijd, o zo overal en

nergens.

IN ONGEZIENE VRIENDSCHAP EN LIEFDE

Googlemaps zegt dat ik hier twee jaar geleden geweest ben. Ik zeg dat het niet waar is, dat ik hier iedere dag. Het zegt ook dat ik prei en selder van de boeren, en dat ik met de paarden, en met de huifkar van een van de buren.

Mijn haren zijn nog nat en ik schud ze. De druppels vliegen tot in de volgende gemeente en ik moet een klachtenformulier beoordelen. Ik zeg dat ik liever een geel document had ontvangen. Zij zeggen dat een van hun stapels papier, enzovoort, enzovoort.

En plots staat daar iemand met een grote megafoon. Hij fluistert. Ik zeg dat ook dat geen zin heeft, maar hij doet voort. Hij verandert in de kat van de buren van het zogezegde huis van twee jaar geleden. De megafoon blijft liggen. Ik draai hem om en om en vraag me af

maar ik word onderbroken. Het fruit ligt in de mand en het vlees staat op het vuur. Honderden kinderen fietsen voorbij. Zij hebben gisteren het baantje, ons baantje, ontdekt en ze vertelden het voort en voort en voort. Zij zijn beter dan een Afrikaanse tamtam.

De bomen in het kleinste bos nemen er geen aanstoot aan. Ze praten tegen het mos en het struikgewas. Langs de rand: een rat. Ze graaft een doorgang in de mesthoop en verdwijnt. De eekhoorn heeft alles gezien maar doet alsof haar neus bloedt. Het is nog niet te laat.

Groentesoep hier, garnaalkroketten daar, un pavé en een entrecôte met donkere perpersaus. Zo zien we dat het spel van de politiek geen waarde heeft. Ze doen maar. Ze spelen met vijfduizend euro hier en vijfduizend euro daar en vergeten hoe het is met slechts een halve euro. ‘We zullen een telraam cadeau doen!’ roepen we. ‘Voor de kleuren!’ voegen we eraan toe. We heffen het glas (1).

Maar we moeten slikken en vijf van ons beginnen te huilen. Ze gedenken hun doden, hun levens die niet geleefd werden, de mogelijkheden ongezien, of te laat. ‘Misschien moeten we onze haren ook eens nat maken,’ zeggen ze en ze heffen het glas (2), in ongeziene vriendschap en liefde.

Links ligt het houtskool te smeulen, rechts zegt een collega dat hij het niet meer ziet zitten. ‘Drieëndertig pillen en vijfenveertig gesprekken later,’ zegt hij. Hij trekt bleek weg. ‘Ik moet kiezen maar mijn dochter,’ zegt hij. Hij toont een foto van een halve boom, ‘de blikseminslag’, zegt hij, en dat hij haar altijd moet helpen om in de halve boom de klimmen.

De collega is groter en breder dan het huis drie huisnummers verder, liever dan vijfendertig tamme konijnen. De tranen rollen over zijn wangen, tot in het houtskool, tot in de rode ballen voor de volgende kerstboom. ‘Ik meen het,’ zegt hij. ‘Zo’n blikseminslag,’ zegt hij.

We sudderen voort. Alle huidskleuren lopen voorbij en iets wits zegt dat iets zwarts voorbij de horizon zal eindigen. Het is grappig en lief en allen lachen. De dommeriken snappen er niks van en gebruiken moderne pamflettechnieken om de anderen te imponeren. Begrijpen ze dan niet dat het zinloos is, dat de huidskleuren in aantal zullen toenemen, dat het zo is en zal blijven tot onze aarde, en dat dat oké is?

Maar goed. Het was slechts een samenvatting. Ik bal haar bijeen. Ik steek haar in de gouden doos, linksachter. Ik neem iedere dag het stof af. De bal ontsnapt vaak en hij laat dan gouden schilfers na, op die verre horizon, op de gezichten van de honderden kinderen, op de achterwielen van hun fietsen. Het zij zo. Het kan niet anders. Het moet.

WIT

maar ik vind dat het brandt, dat het vol vuur is
en dat de massa’s witte hortensia’s (zij staan tegen de vele, vele gevels)
en dat de grote, witbloemende oleanders

Zo, het licht
Zo, de uitgestrektheid van een kleur die niet is, dezelfde uitgestrektheid van haar pracht, en van haar overal-zijn
Zo, haar branden in onze ogen terwijl ze roept ‘Ik ben er, ik ben de uitgestrektheid, ik ben het eeuwigdurende, het altijd, dat ben ik.’

(en het kind? Nee, niet wit, niet in het wit maar in vele kleuren. Het kind speelt, het kirt naar de tollende bal, het geeft de bal nog een duw, de bal rolt tot tegen de grote rabarberbladen, dan ziet het kind de voorbijgangers en het wuift, de wandelaars wuiven ook en zeggen tegen elkaar: ‘Kijk een kind met een bal, het lacht, het amuseert zich.’)

Het wit en het licht, zo zijn zij adembenemend, verpulveren zij iedere horizon, reiken zij tot veel verder, zijn zij, punt.

ZWART-WITTEKENING

spilliaert beukenstammen
Léon Spilliaert, Beukenstammen, 1945
(herh.)

Maar dan kijk ik je recht in de ogen en zeg ik

En jij antwoordt dat je me zal troosten maar ik antwoord op mijn beurt dat ik geen troost hoef en ik kijk je weer recht in de ogen

En jij houdt vol dat ik getroost moet worden maar ik zeg dat je er niets van begrepen hebt want

Maar je laat me weer niet uitpraten en herhaalt

En ik herhaal

Maar dan geef ik het op. Dit gesprek heeft geen zin. Ik keer je de rug toe en ik loop in de richting van die ene horizon

Je roept

Ik hoor het niet

Links het bos. Was ik geen boskind? Uren en uren, dagen en dagen, het pad naar beneden, het pad naar boven, dan het pad tussen de velden en rechts het andere, kleinere bos met de uitkijktoren. Ging ik tot op de top en keek ik over de heuvels? Misschien enkel in mijn verbeelding maar waar zou dan de herinnering vandaan komen, over het kleinere bos met de uitkijktoren?

Vandaag regent het. De geuren van het gras en van de bomen worden weggevaagd en de regen blijft alle aandacht opeisen, de druppels tekenen zich tot meer en meer

Tot de dag avond wordt, en nacht, en het water in de beken en riolen stijgt, het blijft

Ach.

Ach.

‘Zwart-wit (media) (Wikipedia):
Zwart-wit duidt in de beeldende kunst en grafische techniek op monochrome beelden die variëren in helderheid, niet in kleur. Zwart-witbeelden bestaan uit zwart, wit en tussenliggende grijstinten. Andere kleuren zoals sepia zijn mogelijk.’

WIT & GROEN

lucian freud garden
Lucian Freud, 1997, Garden, Notting Hill Gate (Herh)

Natuurlijk is het hartverscheurend. Hier.
Wat?
Die onderste heb je niet goed gedaan.
Oké, ik doe ze opnieuw.
En wees dankbaar voor al het andere.
Jaja, dankbaar.
Ik meen het. Hier, deze, die moet je ook opnieuw doen.
Hoe laat is het?
Tien over. We moeten ons haasten.
Ik heb geen zin.
Ik weet het.
Ik heb echt geen zin.
Je moet ermee leren leven. Je mag je er niet laten door raken. Of net wel, maar er niet zo bitter op reageren.
Ik reageer hoe ik wil.
Ja, natuurlijk. Kijk, weeral de onderste. Als je zo voortdoet zijn we hopeloos te laat.
Ze zijn weerbarstig. Ik heb me net geprikt. Ze zijn taai, vandaag.
Ja, maar haast je toch maar.
Ik ben al bezig. Ik heb geen zin. Het was en is te veel.
Je moet er niet tegen vechten. En je moet beter kijken.
Nog beter? Helpt dat dan?
Ja, natuurlijk.
Hier, dat was de laatste.
Voor vandaag.
Ja, voor vandaag. Even nog, ik was eerst mijn handen.
Goed, ik wacht buiten.

(‘J’ai pris ces roses blanches’)