O, VOORTVLUCHTIG

Was ik maar dees of gene
reiziger
ik zou de bergen rond Kathmandu
en de rivieren van de rode papegaaien
de trommels van het carnaval
de uitgestrekte vlaktes met de olifant.

Was ik maar een
lonesome cowboy
ik zou mijn lasso
en mijn sigaret
en ik zou de vrouwen!
ik zou mijn paarden!

Was ik maar
vijftien jaar minder
en een gouden haarlok
en een versiertoer rijker
en een dansavond
en een glas champagne naast haar!

Was ik maar dees of gene
echte toerist
ik zou de muntstukken in de fonteinen
en de ingang van het Louvre
of de dagboeken in het literatuurmuseum
of de paraplu’s van Cherbourg.

Maar hier ben ik, zit ik, loop ik, hang ik, sta ik. Ik moet mijn ogen gesloten houden want ze branden. Ik moet mijn lippen opeen knijpen want ze willen. Ik moet mijn tong.
Ik moet mijn handen en armen en voeten en benen. Ik moet mijn borst en mijn buik, mijn longen, mijn lever.

Maar daar ga ik, in een droom, langs die reizigerspaden, langs de prairies, langs de dagen van de jeugd en van het geluk
naar mijn eigen plein vol madelieven, naar mijn eigen o zo hemelsblauwe lucht.

Advertenties

KING – DE RUSH

“Wat is dat toch, ze staan zo vroeg op, en dat iedere dag. Zien ze niet dat het nog donker is? En dan al dadelijk beginnen werken, terwijl het veel beter is om nog even te rusten en om het daglicht af te wachten? Vanwaar die haast, vanwaar die rush om iedere ochtend absoluut auto’s, autobussen en vrachtwagens te willen starten? Om met een slaapkop (zien of merken ze dat zelf niet?) aan de dag te willen beginnen, in plaats van de stilte van het laatste van de maan, en van de opkomende zon? – ”

ANNICK – HEIDEPLANTJES

Mijn moeder zei dat ik mee naar het kerkhof moest. Ik wou niet.

“Ik ben er vorige week nog geweest. Je weet dat ik regelmatig ga.”
“Ja, maar toch moet je mee. Dan zien de mensen je.”
“Ma, de mensen moeten mij niet zien.”
“Jawel, want anders zullen ze zeggen dat”
Ik liet haar niet uitspreken.
“Ma, het kan me niet schelen. Ik ging vorige week naar het kerkhof. Het was er erg rustig en ik heb het liever zo. Ik stond lang aan het graf en ik heb met haar gepraat. Ik had bloemen mee, nee, geen bloemen, gewoon zo’n gekleurde heideplantjes. Ik vond dat mooi en zij ook. Nee ma, vandaag ga ik echt niet naar het kerkhof en morgen ook niet.”

ANNICK

Mijn auto is stuk en mijn arm is gebroken. Bovendien heb ik een grote snee in mijn voorhoofd. Mijn rijbewijs ben ik kwijt. Ik heb niks meer en ik kan niet naar het werk.
Hoe het verder moet? Dat weet ik niet.
Ik heb tijd om mijn problemen te laten bezinken; minstens zes weken, tot die arm weer oké is.
Daarna zal ik fietsen, want geld voor een andere auto heb ik niet.
En ik zal de uurroosters van de treinen en bussen bestuderen.
Maar bon, ik heb tijd en ondertussen zal ik van de hemelse dauw sigaretten moeten kopen, want ik krijg ziekte- noch werkloosheidsvergoeding. Mijn vriend betaalt de huur, het eten, alles. Ik zou hem niet kunnen missen.

GEWOON

– Het is allemaal theorie en het zijn allemaal grote woorden maar ik wil geen grote woorden, ik wil aardappelen en ik wil ze in mijn tuin.

– Jef, dan doe je dat toch gewoon?

– Jaja Nikki, gewoon. Ik wil aardappelen en ik wil ze, gewoon, en ik wil ook appels en peren en tomaten en druiven, zonder theorieën, zonder grote en belangrijke woorden, kijk, ik zet de televisie uit en ze mogen samen met hun theorieën ontploffen, ik wil het niet meer horen, ik wil naar buiten, ik wil, gewoon, ik wil aardappelen en appels en peren.

ZE KOPEN, MENEER.

ZE KOPEN de nieuwste ipad, meneer, en niet veel later de nieuwst iphone, de nieuwste games en apps en wie weet wat nog.
En ZE KOPEN een nieuwe auto hé meneer, hij mag opvallend zijn, hij mag duur zijn of duur lijken en hij mag gezien worden, zo veel als mogelijk, natuurlijk, het moet, meneer!

ZE WILLEN nog veel meer en vanalles, ze willen het mooiste huis en de mooiste keuken en de mooiste kleren en er mag een merk op staan. En ze willen het beste restaurant met de grootste naam of het mag die van de televisiekok zijn, maar wat is er mis met tomaat-garnaal, meneer?

ZE PRATEN honderduit over al hun belevenissen, meneer, en ze tonen de begeleidende foto’s, meneer, vijf, of tien, of honderden en ze zeggen dat het dit of dat was, en zus en zo en dat het het beste was, meneer, en dat ze het zeker aanbevelen, en dat wij dat allemaal ook moeten doen, meneer, en ze zwaaien met een waardebon van vijf euro, meneer, want zelf krijgen ze dan een extra reis, misschien, of zoiets of wat meer of minder, meneer.

(ONDERTUSSEN, meneer, knalt er een vliegtuig tegen een bergwand, mijnheer, de score bedraagt honderdvijftig, meneer, HONDERDVIJFTIG en ondertussen, meneer, liggen HONDERDVIJFTIG dode studenten in een grote zaal, meneer, HONDERDVIJFTIG alsof hun levens geen waarde hadden, meneer, HONDERDVIJFTIG)

ZE PRATEN VOORT, meneer, over hun nieuwe iphone met al die apps, meneer, en ze denken niet aan de reusachtige gebouwen met duizenden mini-slaapplaatsen van de werknemers van dat bedrijf, meneer, DUIZENDEN mensen die dag en nacht in het teken van het BEDRIJF meneer, voor een veel te laag loon, het is niet goed te spreken! Meneer! En ZE PRATEN VOORT over nog een andere app, meneer, heb je die gezien VRAGEN ZE en dat je die absoluut moet HEBBEN, meneer!

(ONDERTUSSEN knalt een auto met VIJF jonge mensen, meneer, VIJF onder invloed van vanalles en nog wat, meneer, VIJF, en de muur heeft het begeven, meneer, en de jonge mensen OOK, meneer, en wij zeggen dat het leven ’t een en ’t ander is, meneer, en het moet je maar overkomen, ho la la, MENEER!)

En iemand zegt dat het te veel is, allemaal, en alles, en wij knikken van ja en wij zeggen jaja, in echo, echt waar hoor, meneer, het is echt wel veel te veel allemaal en alles en we staan op en denken er NIET meer aan en we haasten ons naar onze JOBS meneer, en ondertussen stofzuigt de ROBOT, meneer, en dat is de normaalste zaak van de wereld, nietwaar, MENEER? Meneer? MENEER?