BIJNA ZWART

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, sommige bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven volgen, willen en zullen volgen

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten dat dat licht en die lucht veel beter en groter en voller en blauwer zullen zijn

– zullen zijn. ‘Waarschijnlijk, het kan niet anders,’ zeggen ze.

Ze staan in groep, ze groeien in groep, ze bloeien in groep, voorlopig.

– ‘Zie je wel?’ zeggen ze.

Zoals de kamperfoelie

– deze met gele bloemen, en altijd felruikend.

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven willen en moeten en immer zullen volgen,

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten

HET

Het, ja, Het is een wirwar, een mix van woorden, een

raster, een kluwen, een web. Het is eindeloos, het

loopt tot over de oevers van de rivieren, tot voorbij

de einder, tot diep in het bos, tot hoog in de lucht,

net boven de ijskristallen wolken.

Het wordt geweven van links naar rechts maar niemand

ziet de regelmaat, de bijna identieke dieptes en hoogtes,

de verschillende kleuren, het springt van hier naar daar,

legt de zinnen op een weefgetouwen rooster, springt over

het haakwerk van de huismoeder en diep in de trui van

de hobbyist, legt het kaarsvet aan banden maar druipt

tot over de rand van de vaas met die echte, blijvende

poppy flowers.

Het geeft leven, het geeft rust. Het maast zichzelf door

het land, door de grond en het zand, door de adem,

door het licht en het leven, over de bodem van het meer

aan de bron, over de andere bodems van de diepblauwe

oceanen.

Kris, kras, langs namen, titels, dorpen, landen, groenere

oerwouden, enorme giraffen en leeuwen, kleine mieren

en muizen, de gezichten van alle mensen, kleurrijk,

glansrijk, goed tot diep in hun ziel, goed overal, ooit,

hopelijk immer blijvend in het licht, in de lucht, in

het leven.

VUURTOREN

GE MOET AAN DE VUURTOREN EN AAN HET WATER DENKEN, AAN HET LICHT OP HET WATER, AAN HET DIEPE BLAUWE EN AAN HET SPEL VAN HET LICHT MET DE GOLVEN.

OF WAREN HET DE GOLVEN DIE MET HET LICHT SPEELDEN?

GE MOET AAN DE VUURTOREN DENKEN EN AAN DE LANGE WANDELING, TOEN, AAN DE HOND DIE NIET WIST WAT DE GOLVEN WAREN, AAN DE MENEER EN DE MEVROUW DIE NAAST U KWAMEN STAAN, DIE ZEGDEN DAT HET BEELD DOOR NIKS KON GEEVENAARD WORDEN EN ZE HADDEN GELIJK; DAT LICHT, DAT BLAUWE, DIE GOLVEN, DAT SPEL VAN DE KLEUREN, DIE GROTE, GRIJZE TOREN ALS BAKEN VOOR ALLES – VOOR ZEE EN VOOR LAND.

GE MOET AAN HET LICHT EN AAN DE ZILTE LUCHT DENKEN.
EN AAN DAT VELE, AAN DAT NIKS, AAN DAT VOLLE, AAN DE LEEGTE, AAN HET GEDAVER, AAN DE STILTE EN RUST DIE VANZELF IN DAT GEDAVER ZATEN, EN DAT DIE PARADOXEN DE NORMAALSTE ZAAK VAN DE WERELD WAREN EN ALTIJD ALTIJD ZULLEN ZIJN.

LICHT, LUCHT, WATER, HEMEL, HORIZON, TOREN, STERKTE, KRACHT, VEEL, NIKS, VOLHEID, LEEGTE, DAVER, STILTE, RUST

EN BLAUW IN ALLE ALLE SCHAKERINGEN
EN DE LUCHT, NOGMAALS, ALTIJD
EN DE ADEM.

EN DE BOOM EN DE GROTEN

mondriaan grijze boom 1911
Piet Mondriaan, De Grijze Boom (herh.)

En de boom?
Hij reikt en hij reikt, naar lucht en naar aarde
en groeit.
En reikt en heeft uitzicht over de velden en steden
en over de oceanen.
Ondertussen:
De rebellen proppen de Groten Der Aarde in een grot.
Andere Groten Der Aarde verrijzen.
De rebellen proppen de Groten Der Aarde in een grot.
Andere Groten Der Aarde verrijzen.
De rebellen proppen de Groten Der Aarde in een grot.
Andere Groten Der Aarde verrijzen.
De rebellen proppen de Groten Der Aarde in een grot.

OCHTEND NA OCHTEND

cape-cod-morning-hopper

VANZELF

en plots, My Dear, is het leven van een ongeziene schoonheid
(alsof het ooit anders was, u moest het enkel maar zien)
en is een bloem een bloem en tegelijkertijd is ze honderdduizend bomen
en is een vlieg als een lichtstraal en vliegt ze duizenden meter, maal honderd- of tweehonderdduizend.

En plots ligt de lucht
(in haar oneindige blauwe)
op haar kop en tolt en dolt ze, met ons
en toont ze dat ze beter en duizendmaal sterker is, dan wij

en toornt ze en wordt ze storm, en lichtflits, en laat ze de weiden verdrinken
en stuurt ze wind over wind en onder en langs en doorheen alle bomen en daken
en vlijt ze zich neer en ligt ze alweer
(in haar oneindige blauwe).
.

Men beweert, dat avondrood het einde, de dood zelfs betekent
maar toch is daar, telkens, de ochtend,
in glorie
(glorieus)
in schitter
en brengt ze haar lucht
(in haar oneindige blauwe)
en herbegint ze de dag, opnieuw en opnieuw.

(‘ochtend’ is, voor deze gelegenheid, vrouwelijk.
Etc.)

(Afb: Cape Cod Morning, 1950, Edward Hopper)

Bewaren

MEER LUCHT


camille-pissarro-1898-place-du-theatre-francais-oil-on-canvas-72-4-x-92-6-cm-los-angeles-county-museum-of-art-caCamille Pissarro, 1898 Place du Theatre Français, Los Angeles County Museum of Art, CA. Via Poul Webb


Maar dit is anders.
Hoezo, anders?
Gewoon. Anders. Net of er zit meer lucht in de lucht. Ik kan beter ademen. En ik zie meer en beter. Alles smaakt beter. Intenser. Ik voel me er ook beter door.
Door wat?
Door dat gevoel.
Ja maar, welk gevoel?
Dit andere.
Ja, zeg. Ben je verliefd?
Nee.
Vrolijk?
Nee.
Gewoon blij?
Ja, toch wel. Een beetje blij.
En hoe komt dat dan?
Ja, dat weet ik dus niet. Door de lucht, ha.
De lucht in de lucht?
Ja, dat moet wel.
Meer ruimte?
Nee. Maar zo voelt het wel.
Minder mensen?
Nee. Meer zelfs. Door die wegomlegging.
Ja. Druk hé?
Ja, druk, veel te druk.
Maar toch krijg je meer lucht.
Yes. Veel meer.
De lucht in de lucht. Tja.
Ja, tja.

De afbeelding bij de tekst is willekeurig.

DRIE VISSEN

Wat rest is:
Twee vierkante kilometer oceaan.
Een vierkante kilometer land.
Drie vissen.
Zeven garnalen.
Een kreeft.
Een hond.
Twee koeien.
Drie dromedarissen.
Zes vliegen.
Een paard.
Een schaap.

In een vorig leven van de aarde was het nog een veelvoud van alles, plus de mens. Tien miljoen, Tien miljard, vijftien miljard, tot de aarde explodeerde en implodeerde tegelijkertijd.

“Het is niet waar, dat het water vuil is,” zeiden sommigen.
“Het is niet waar, dat het graan zeldzaam wordt,” zeiden sommigen.
“Het is niet waar, dat de lucht vervuild is,” zeiden sommigen.

Die sommigen en al de anderen zijn dood.
Explosie, implosie, hun lijven in duizenden stukken gereten.
Dag water, dag granen, dag lucht.

ZIJ FLUITEN NIET MEER

Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan. Ze fluiten en zingen dat het een lieve lust is, ze hoppen van tak naar tak en beginnen straks aan hun nesten.
Ergens huilt een kind. Zijn vader en moeder werden opgeblazen.
Het is winter maar er loopt een jonge vrouw op het voetpad, ze is in korte mouwen en draagt een fleurig rokje. “Het is feest,” zegt ze.
Ergens huilt een moeder. Haar kind werd doodgeboren. Het ligt nog bij haar. Er was niemand, er is niemand. Ze hoort het leven buiten haar tent. Ze wou dat zij zelf elders geboren was.
Ze spreken over sneeuw, maar de bloesem zal niet lang meer op zich laten wachten.
Ergens heeft een kind geen speelgoed. Datzelfde kind heeft geen ouders, geen broers of zussen, geen ooms en tantes. Het kind heeft niemand en zit op een hoop stenen. Het meet de horizon.

Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan. Ze fluiten en zingen dat het een lieve lust is, ze hoppen van tak naar tak en beginnen straks aan hun nesten.
Ergens zit een vrouw, alleen. Ze overdenkt haar leven. De kinderen zijn het huis uit, haar man is overleden. Ze beseft dat ze niet mag klagen.
Elders zit een jonge man in de gevangenis. Hij heeft niks misdaan. Hij wacht geduldig maar huilt. Hij ziet het licht van de lente maar kan het niet aanraken.
Hier en daar doet een rijkaard een grote daad. Zo kunnen honderd dakloze kinderen naar school. Zo krijgen zij, in de wintermaanden, een onderkomen. Zo kregen zij een dikke trui en een paar schoenen.
Hier en daar ligt iemand, uitgemergeld. De anderen lopen over hem of haar heen. Diezelfde anderen zien hem of haar niet eens liggen – ze zijn het gewoon.
Hier en daar huilt een kind.
Hier en daar is er meer dan we ooit zullen weten, dan we ooit zullen willen zien.

Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan, tot een van de vogels niet meer kan vliegen. Hij is ziek, zegt de vogeldokter. Zware metalen hebben zijn vleugels aangetast en nee, hij zal nooit meer kunnen vliegen.
Hier en daar wordt het groene nooit meer groen.
Hier en daar wordt de lucht nooit meer lucht en kan de bevolking niet ademen zoals het hoort. De mensen dragen maskers, maar het is te laat – hun longen zijn eeuwig ziek.
Hier en daar is het ijs voorgoed zwart en de zee voorgoed olie.

Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan, behalve die ene met de vleugels vol zware metalen, en nog een andere, en nog een andere. Zij zitten of liggen waar ze zitten of liggen. Zij fluiten niet meer.

bericht

VEDERGEWICHT

“Zucht.”
“Wat, Jef?”
“ ‘Zucht’, zei ik.”
“Ja Jef, ik heb het gehoord. Maar waarom?”
“Omdat ik moe ben, Nikki.”
“Waarom ben je moe, Jef?”
(stilte)
(stilte)
“Het gewicht van de lucht, Nikki.”
“Ja maar Jef, de lucht weegt toch niks?”
“Nee Nikki, de lucht weegt niks.”