Ze stuurden missionarissen en duizenden Bijbels, poogden van zwart wit te maken.
Daarna kwamen de richtlijnen, de onderverdelingen van de akkers, de verwarmingstoestellen.
Later vond iemand voor het eerst goud.
En nog later …
“De regen,” zeg ik. “Regen, oude kristallen, witte en zwarte harten.”
Een oude man noteert genummerde opdrachten in een schrift. “Ze moeten en zullen luisteren,” brult hij.
Een vrouw in een hut houdt haar kind een hand voor de ogen. Ze roept de oudere broers en zussen, tuurt boven de hagen, zoekt haar man, zoekt haar vader.
“Mijn hart klopt,” gooi ik in het midden. “Ik zal gaan waar ik hoor; langs rivierbeddingen en langs glazen paleizen, door de grotten en naar de woestijnen. Zelfs: op het water. Zelfs: op de hoofdkussens van vreemde bedden. Ik zal alle dromen lezen en vertalen.”