DE TAFEL

‘Het antwoord blijft nee,’ zei Martine. ‘Tom is dood. Maar Tom was enig en uniek. Je weet wat hij voor mij betekende en wat hij allemaal voor me deed. En de meubelen die hij maakte. De tafel, de kastjes, de blanke eik! En al die kleine dingen. En zijn liefde, zijn zachtheid! Hoe zou ik kunnen doen wat jij vraagt? Meegaan? Waarom? Ik hield van hem, ik hou van hem. Ik heb mijn herinneringen, ik heb dit huis en de tuin, ik heb de buren, ik heb enkele vrienden en vooral, ik heb de kinderen. Heb je gezien hoe sterk Pieter op Tom lijkt? Hoe zou ik het kunnen? Niet dus. Het antwoord blijft nee.’

Advertenties

JA, NEE, DAG.

Danny speelde met het luciferdoosje.
‘Danny?’ vroeg Nathalie.
Hij keek haar een seconde aan, liet dan het luciferdoosje verticaal balanceren bovenop zijn tot vuist gebalde hand.
‘Danny, je moet meer buitenkomen.’
Danny duwde zijn vuist met kracht naar omhoog, het luciferdoosje hopte de lucht in, Danny ving het snel weer op en knelde het bijna stuk, tussen de palm van zijn hand en zijn vingers.
‘Bikkelen lijkt me wel wat,’ zei hij. ‘Verkopen ze bikkels in die grote speelgoedwinkel aan de A12? Dan koop ik me een setje en kan ik buiten bikkelen. Dat is voldoende.’
‘Danny, ik bedoelde dat je meer onder de mensen moet komen. Er zijn film- en praatavonden. Er zijn fietsnamiddagen.’
Danny keek naar buiten. ‘Het regent, Nathalie.’
‘Ja, Danny. Dat weet ik. Maar het is lente. Jij hebt toch een goeie fiets?’
‘Nathalie, dat is vriendelijk, maar ik blijf liever thuis, om te bikkelen.’
‘Danny, je hebt gezelschap nodig, je zit hier maar te zitten, je vereenzaamt.’
‘Nathalie, je bent heel vriendelijk, maar ik wil bikkelen. Dank je, Nathalie. Dag Nathalie. Je kent de weg naar buiten hé Nathalie.’
‘Danny! Ik bedoel het zo goed! Je hoeft me niet buiten te gooien!’
‘Ja Nathalie, nee Nathalie, dag Nathalie, je mag nog eens binnenspringen, volgende maand of zo, eerder niet, dag Nathalie.’