DRIEHONDERDACHTENZESTIG

Er zijn geen zekerheden meer want de postbode is een andere en hij komt niet meer om tien maar om negen maar om elf en soms niet.

En ik heb de Koen al lang niet meer gezien en hij reed altijd zijn banden lek en dan was zijn vader telkens boos maar nu, de Koen?

En Jef, en Mijnheer Macharis?

En de aarde is vaak te warm en dan weer te koud en er is zo veel regen en de storm was te zwaar.

— een plateau verschuift.

De stad is de stad is een mierennest met weerspiegelingen in het glas van de ingang van de metro en een vrouw bedelt en een vrouw bedelt en een vrouw bedelt.

De wereld is een grote camera en we willen allemaal op zijn film en de rol is oneindig en de grote goden kijken toe om te zien wat u koopt en eet en drinkt en draagt en bent en wordt en of u het harnas houdt.

— geen plateau verschuift. De lagen worden dikker. De dikte wordt gevormd door een overaanbod aan weekenduitstappen – naar de Champagne, naar de Eiffel, naar de Ardennen, naar drie zeeën, naar vijfendertig pretparken.

De stad is de stad en ze barst uit haar voegen. Driehonderdachtenzestig van haar inwoners hebben dat gezien en halen gelaten hun schouders op. Ze kijken uit hun ramen, uit hun driehonderdachtenzestig verschillende verdiepingen. Ze zien het gewriemel. Nogmaals: de schouders.

Een andere driehonderdachtenzestig zetten zich in voor de mens. Ze komen op de televisie en mogen hun verhalen vertellen. Een derde van die driehonderdachtenzestig wil eerst, de andere derden zetten zich in, in, in.

Vroeger: de postbode was eens dronken en hij was gevallen en hij liet een bloedspoor van nummer zevenennegentig tot en met nummer honderddertien. Hij leidde de verhalen gedurende dagen.

Er is een nieuwe opname. Ze zoeken nog figuranten.

— een plateau verschuift. San Francisco ligt vlakbij. Haar inwoners hebben het gevoeld en weten dat de stroom, en dat de aardplaten, en ze spiegelen zich in het glas van de tram en kijken toch nog eens naar de zeehonden en spiegelen zich nog eens in de uitstalramen en een plateau verschuift en de BART rijdt niet, ‘GE MOET TE VOET’ gilt de beambte en hup hup Highway One wordt een voetpad.

Koen. Koen? Ik heb geen idee. Koen?

Advertenties

[ZIJN WE JOHN STEINBECK VERGETEN?

En nu vonden de grootgrondbezitters en de maatschappijen een nieuwe methode uit. Een grootgrondbezitter kocht een conservenfabriek. En als de perziken en de peren rijp waren, stelde hij de prijs van ’t fruit onder de kosten van het kweken. En als conservenfabrikant betaalde hij zichzelf een lage prijs voor het fruit en hield de prijs van de ingemaakte vruchten hoog en nam zijn winst. En de kleine boeren, die geen conservenfabrieken bezaten, verloren hun boerderijen, en ze werden door de grootgrondbezitters overgenomen, en door de banken en de maatschappijen, die ook conservenfabrieken bezaten. Naarmate de tijd verstreek, bleven er minder boerderijen over. De kleine boeren trokken naar de stad, voor een tijdje, en leefden van hun krediet en weldra op de zak van hun vrienden, hun familieleden. En dan kwamen ook zij op de wegen terecht. En de wegen waren al stampvol mensen die smachtten naar werk, die een moord zouden doen voor werk.
En de maatschappijen, de banken werkten aan hun eigen ondergang, en zij wisten het niet. De velden waren vruchtbaar en verhongerde mensen trokken langs de wegen. De graanschuren waren vol, maar de kinderen van de armen groeiden op met rachitis en puisten van de pellagra. De grote maatschappijen wisten niet dat de grens tussen honger en woede maar een smalle lijn is. En geld dat aan lonen besteed had kunnen worden, werd uitgegeven aan gas, aan geweren, aan agenten en spionnen, aan zwarte lijsten, aan exercities. Op de wegen echter bewogen de mensen als mieren en zochten naar werk, naar voedsel. En de woede begon te gisten.

John Steinbeck, De Druiven der Gramschap, hoofdstuk 21. ]