EN E.A. POE, IN DE DONKERE VERTE

Ik geef niet genoeg licht.
Ik buk me, pruts wat aan de schakelaar, nee, dat is te veel, ik regel hem wat bij, voilà, dat moet volstaan.
Uiterst rechts in de grote kamer zie ik plots Mijnheer Macharis. Het is honderd jaar geleden dat ik hem zag. Ik loop naar hem toe.
‘Ja, ik verschijn bij dat beetje licht,’ zegt hij. Hij glimlacht.
‘Mijnheer Macharis, wat een eer!’ zeg ik. Ik denk dat ik glimlach over de ganse breedte van mijn gezicht.
‘Ja, ik dacht, ik spring nog eens binnen.’
‘Wat fijn dat u langskomt! Koffie? We hebben verse bonen.’
‘Ja, natuurlijk, zwart!’
Ik breng hem zijn koffie en we beginnen te praten.
U zou natuurlijk graag weten waar we het over hebben, maar dat kan ik hier niet vertellen – er zijn te veel pottenkijkers. We praten, het is gezellig, we drinken allebei nog een kop koffie met een glas water erbij.
Als hij vertrokken is demp ik het licht. Ik ga naar buiten. De maan schijnt door de bomen.
‘Poe,’ denk ik, en ik glimlach nog eens.

STERK, STERKER

Ze zeggen ze zeggen dat het morgen weer zal regenen of
ze beschrijven hoe je bladluis kunt bestrijden of
ze zeggen ze zeggen dat eieren niet in de koelkast horen.

Maar het zinnigste dat ik vandaag hoorde vertellen is dat
dat ene veel te sterk is en dat het al het andere om zich
heen laat draaien – sterk, sterker dan duizenden beren.

Er was ook een kind. Het keek met die grote en waarachtige
ogen, zonder schroom, zonder aarzeling. Het stelde een vraag,
nog een vraag, luisterde aandachtig en reeds benieuwd naar

het volgende en het keek, met die grote en waarachtige
ogen, zonder schroom, zonder aarzeling. En dit kind was
sterk, sterker dan duizenden beren.

MARK

Vroeger?

Hij danste en danste.
Met zijn springerige stijl had hij de helft van de dansvloer nodig. Hij deed dat nog goed ook; ritmisch, met zijn ganse lijf. En hij bleef maar doorgaan, springend, dansend, tot de ochtend.

Wat?

Hij zei het zelf:
‘Het knapte.’
‘Het knapte, het knapte, het knapte.’
En hij bleef het herhalen, tien keer per dag, soms vaker.

TWEE KEER ROND DE EIK, MINSTENS

Ik neem een blad papier (A3, 90 gram) en ik teken een kleine rubberboot (zwart, 4 meter, 75PK YAMAHA).
Ik zet me in de boot.
De boot mag kiezen.
Via de Grote Molenbeek vaart hij naar de Rupel en zo naar de Schelde.
Hij vraagt of ik in Sint-Amands even wil uitstappen om de dichter te groeten.
Ik zeg ‘Nee’.
Hij draait een paar rondjes.
De mensen op de kade bekijken ons. Kinderen wijzen en wuiven. Ik zou kunnen uitstappen om op een van de terrassen een kop koffie te drinken maar ik blijf zitten.
De rubberboot draait nog een rondje.

Ik neem mijn blad papier en teken drie bomen naast de rubberboot (een notelaar, een linde, een eik).
De boot en de bomen vragen wat ik van plan ben.
‘Helemaal niets, tenzij, tja, toch, misschien, je weet maar nooit, een hangmat,’ zeg ik.

Ik teken geen hangmat.
‘Wat dan wel?’ vragen de rubberboot en de bomen.

Ik slaak een diepe zucht.
Ik neem mijn blad, gom de bomen uit, teken ze opnieuw maar nu veel verder uit elkaar.
Tegen de rubberboot zeg ik om nog eens rond de bomen te varen.
‘Is dat alles?’ vraagt de boot.
‘O ja, dat is alles, het is meer dan voldoende,’ zeg ik.

LANGS DE VELDEN, ANDERS

want ik moet die vierhonderd keer driehonderdduizend bloemblaadjes
want ik moet die vierhonderd keer driehonderdduizend bloemblaadjes
ik moet die laten drogen en sorteren per grootte en per kleur en ze moeten per tien stuks in piepkleine zakjes en in dozen
en ondertussen moet ik nadenken over de marketingcampagne want ze moeten verkocht
en ik denk aan facebook en natuurlijk ook aan instagram en al de rest
maar er moeten ook flyers
en reclamepanelen van vele vierkante meters
en spots, overal, op iedere televisie en radio en natuurlijk op alle schermen
en ik moet mijn marketingstrategie goed in de gaten houden
en de resultaten meten en analyseren en beoordelen

ondertussen zitten die vierhonderd keer driehonderdduizend bloemblaadjes gesorteerd in zakjes per tien stuks in hun dozen
te wachten
te wachten
ik moet die nu aan de man brengen, per zakje
en natuurlijk zullen de mensen die willen kopen
de marketing is nog even bezig
ik moet straks of morgen de eerste bloemblaadjes naar de verdeelpunten brengen
per drie dozen of per tien
naar overal

het nut ervan ken ik niet
de bloemblaadjes, ja
het waarom ervan weet ik niet
de bloemblaadjes, ja
zelfs per tien zijn ze mooi
en per tienduizend of meer
in hun zakjes en dozen

IK

En ik is niet altijd ik, ik is vaak een andere hij of zij die beweert dat hij ik is. Die ik zegt dan ‘ik’ en lacht eens in zijn of haar of mijn vuistje, zegt nog eens ‘ik’ en ratelt voort in zijn of haar of mijn verhaal, en geeft er nog een draai aan.
‘Ik voel me goed,’ zegt die ik, en hij zegt dat hij ook iemand anders zou kunnen zijn maar verkiest ik en zet hem eens op zijn kop en laat hem een half uur door de moerassen dwalen, of over de huizen vliegen, of water uit de Oosterschelde scheppen. Hij zegt dat ik alles kan, alles kan doen, alles kan denken, alles kan zeggen.
‘Alles wat ik wil,’ zegt hij. Of zij. Of ik. Of een dode. Of een nog niet geborene.
Hij loopt eens tot aan de grote Linde en vraagt zich af of die voldoende te drinken heeft.
‘Het is immers heet, en het wordt nog heter,’ zeg ik, zegt hij. ‘Ik kan hem in mijn rugzak steken en hem naar een betere plaats verhuizen,’ zeg ik, zegt zij. ‘En die hortensia’s staan in volle zon, wacht, ik zal die in mijn binnenzak steken en in de schaduw planten,’ zeg ik, zeg ik.
‘Maar eerst een kop koffie,’ zeg ik. ‘En dan zal ik met mijn matras over de huizen vliegen en kijken wie er wakker is, het is een goed uur, waarom slaapt de wereld zo lang?’ vraag ik, hij, zij.

Voor JWL, voor MB/MP, voor DV.

TOP TOP TOP

Meer en meer, en meer en nog groter
en het beste van alles
en weer meer en weer meer
en sterker en luider en blinker dan blink

het is het geld

The top of the bill en het meest perfecte
het duurste en hoogste en diepste en rijkste
en meest zichtbare
en best verkopende

het is de macht

De al de te winnen prijzen
het uniekste unieke – het meer dan sublieme
en duizend maal straffer
en nog sterker dan dat

het is de angst

De top van de top
de meeste foto’s en volgers en duizenden sterren
het leukste en beste, het hipste
tot ginder en elders en vooral overal

het is het willen bestaan

En meer, telkens meer
veel meer dan de krachten van al de vulkanen
duizenden keren de wereld en sneller
tot verder dan ver, tot voorbij al de zwarte gaten

het is het denken, het dénken dat alles niet anders kan.

MISSCHIEN, NET NA DE OCHTENDNEVEL

‘Een roos is een roos,’ zei zij.
‘Een roos kan ook wit zijn,’ zei hij.
Ze glimlachten en keken elkaar onderzoekend in de ogen.
‘Wat denk je?’ vroeg hij.
‘Misschien,’ aarzelde zij.
‘Ja, misschien,’ vond ook hij.
‘Zouden we, zullen we?’ vroeg zij.
‘Willen we?’ vulde hij aan.
‘Ja, misschien,’ glimlachte zij.
‘Ja, misschien,’ echode hij.
‘Vast wel,’ zei zij.

ZOALS MET EEN GROTE BOOM EN DAN LOST ER MISSCHIEN EEN ENKEL BLAADJE

En dan wilt ge weer eens met de wereld schudden, ge denkt dat ge hem helemaal wakker kunt maken maar ge hebt nog genoeg gezond verstand dat u zegt dat dat toch niet zal lukken, dat de wereld te neig in slaap ligt, dat hij duizenden te diepe dromen droomt, over dingen die nooit echt kunnen bestaan, die nooit echt kunnen of zullen zijn. Maar de wereld gelooft daar toch in, denkt echtechtecht dat het allemaal echtechtecht is en hecht zich aan die dromen, met klauwen, zelfs, en met nog meer hardnekkige dromen. En gij staat erbij en kijkt ernaar, af en toe schudt ge toch eens aan een klein stukske van die wereld maar, ziet ge, het lukt niet, of soms lukt het wel, heel heel efkes maar het duurt nooit lang door dat veel te diepe slapen, de veel te diepe dromen van de wereld, ziet ge.