DIKKE VETTE ZWARTE LIJNEN, OVERAL

en ik zou je willen aanraken, maar dat mag niet. Niks mag. Ik wil je handen vastnemen, ik wil een arm, een schouder aanraken, maar het kan niet. Ik mag zelfs niet reiken. Ik sta ver van je, maar het moet nog verder. Nog verder. Nog! Nog twee meter verder! Achter die dikke vette zwarte lijn moet ik blijven. Ik moet. Het moet. Ik mag niet. We mogen niet, niemand mag. We moeten, allemaal, we doen niet anders, we blijven achter die dikke vette zwarte lijnen.

SLIKKEN, OVERAL

en de krop in de keel.
Marc probeert hem door te slikken maar het lukt niet. Hij haalt eens diep adem en probeert nog eens. Marc gorgelt, doet wat nekoefeningen, probeert, maar de krop blijft. Marc kucht. Hij ademt een paar keer rustig in en uit, de dokter had hem gezegd dat diep in- en uitademen een goede ontspanningsoefening was, en het ademen doet deugd maar de krop blijft. Hij slikt nog eens. Hij gaat even naar buiten, recht zijn rug en schouders, kijkt naar de nachtblauwe hemel, ziet de sterren, overal, voelt de krop, overal, ademt, slikt, de krop blijft.

SLAGROOM, OVERAL

‘Veel, veel!’
‘Ben je zeker? Dat is helemaal niet gezond!’
‘Ja, ik wil veel, veel slagroom, een hoge toren!’
‘Maar dat is echt niet goed voor je. En het is slecht voor de lijn.’
‘Toch wil ik veel. Komaan, doe er nog maar een grote toef bij. Ik wil twee torens!’
‘Man man man, ben je zeker? Straks ontplof je!’
‘Tja. Maar ik wil slagroom. Slagroom, overal! En ik zal ontploffen, ja, maar eerst wil ik twee hoge torens!’

LACHEN, OVERAL

Ik kwam niet meer bij van het lachen. Een man deed alsof hij zat te vissen en zijn televisiescherm was de visvijver. Hilarisch. Een andere man, veel te dik, die ons buiten adem een paar yoga-oefeningen voordeed. Nog een andere man die, met zijn hond in de armen en zijn vrouw en dochter in het kielzog, een dansje rond de tafel deed, zingend, wuivend, dat we de zon in ons hart moesten laten, vrolijk, vrolijk, zonnen, harten, dansen, honden, mensen, lachen, lachen, lachen met tranen, tot we echt huilden, huilden, huilden.

OF BIOLOGIE: DE BESTUIVING DOOR DAGVLINDERS

Maar wat gebeurde er met de sprookjes van Hans Christian Andersen?
En met de gedichten van La Emily Dickinson?
Zijn zij lucht geworden? Opgelost in het blauwe? In de regen? In de hagel?
Zijn zij onzichtbaar, ongrijpbaar?
Of niet, en steeds klaar om gelezen te worden?

En wat met Walt WhItman? Met zijn Ooo zo groener dan groene diepnervige blAden?
Hangen zij, zweven zij? Waar? In het water? Of leven zij, EEuwig, in onze adem?

Spoor hier, spoor daar, O, mensen, gebouwen…
Langs hier, langs daar, O dreunende paden…
Toch daar, toch hier, O eeuwige beelden…
Zo daar, meer hier, O, ja, in de mooiste dandelions, in die immer blijvende pAArdenbloemenpluizen.