In dat andere magazijn konden ze ook weer geen vrouwen uitstaan en vanaf dag 1 werd ik gepest en tegengewerkt door de mannelijke collega’s. Een keer pikten ze zelfs de sleutel van mijn reachtruck.
Ik was wel een en ander gewoon en negeerde hun stomme gedrag, maar plezant was anders.
De ploegbaas riep me en vroeg wat er aan de hand was.
“Niks,” zei ik. Ik vertikte het om iets te zeggen en ik zou mijn mannetje wel staan.
Ik deed mijn job zoals van me verwacht werd. Ik stapelde tussen de vijftig en zestig rijen per dag. ’s Middags reed ik telkens over huis om even aan de vijandigheid te kunnen ontsnappen.
“Jouw resultaten zijn goed,” zei de baas na twee weken.
“Ja, dat weet ik,” antwoordde ik.
“Zullen we iets gaan drinken? Morgenavond?” vroeg hij.
Ik bedankte. Ik kende het scenario. Het was altijd en overal hetzelfde. Ik belde naar het interimkantoor en vroeg om uit te kijken naar een andere job.
“Waarom?” vroeg de bediende.
“Daarom,” zei ik.
Auteur: Eliane
ANNICK
Op mijn eerste dag kreeg ik al onder mijn voeten. De ploegbaas zei dat ik die paletten verkeerd had gestapeld, maar in plaats van dat rustig te zeggen en het systeem uit te leggen, kafferde hij me uit.
“Dan is het simpel,” vond ik en ik liet de volgende pallet gewoon vallen. De dozen die er op stonden scheurden open en ik zag de gekleurde verpakkingen. Geel, rood, blauw, oranje, het was super om te zien. Ik liet de pallet en de brokken liggen waar ze lagen, stapte uit mijn heftruck en ging naar huis.
ZE ZEGGEN DAT HET MOET
Ze zeggen dat het moet en we doen:
we lepelen bladeren van de bomen.
Een, twee, drie, vier,
vijfendertig.
Ze zeggen dat het moet dus we doen:
we dragen emmers naar de plas.
Zeven, acht, negen, tien,
achtenveertig.
Ze zeggen dat het moet dus we moeten
eieren koken en terug bij de kippen leggen.
Twintig, dertig, veertig,
zeshonderdtwintig.
Ze zeggen dat het moet dus wij moeten moeten
lege dozen stapelen tot hoger dan het dak van de wolkenkrabber.
Elf, twaalf, dertien, veertien,
zeventienduizend.
Ze zeggen dat het moet en wij luisteren
en moeten
en moeten, natuurlijk, beleefd en zo meer,
en vragen niet waarom
en buigen het hoofd.
Ze zeggen dat het moet en we doen
en we leggen varkens bij schapen
en we planten bonen in ijs
en we leren vogels parachute springen
en watervallen omhoog te klauteren.
We zeggen we moeten.
We zeggen we Kunnen niet anders
en smelten eurobiljetten
en roeren ministers met een houten lepel
– keere weer om, keere weer om –
en vullen paradijzen op papier
of glascontainers op karton
of draagbare bokalen op zand
en, op de laatste dag, sturen we onze leegstaande huizen naar de maan.
GENOEG

“Zij bidden, Nikki.”
“Ja Jef.”
“Ik bid nooit.”
“Nee, Jef?”
“Nee, nooit.”
“Misschien zijn jouw gedachten gebeden, Jef?”
“Ja, Nikki, misschien. Sommige gedachten. Zachte gedachten. De dingen die ik stil en zacht denk. De dingen die ik stil en zacht wens.”
“Wat wens je voor jezelf, Jef?”
“Niks voor mezelf, Nikki. Wel voor mijn vriend de professor, toen hij ziek was. Voor de buurvrouw die geen werk vond. Voor het zieke kind van een andere vriend.”
“Niets voor jezelf, Jef?”
“Nee, Nikki. Ik heb genoeg.”
“Ja hé, Jef? Pratende paarden!”
“Inderdaad, Nikki. Ik heb mijn pratende paarden. En je hoeft daar niet mee te lachen.”
“Maar ik lach toch niet, Jef?”
“Nee, Nikki. Alleen maar bijna.”
“Nee hoor, Jef, ik zou niet durven.”
(afb: still uit een documentaire die ondertussen niet meer online staat)
ZE VINDT HET EEN MOOI VERHAAL
En ze ziet zijn silhouet en ze zou hem willen aanraken.
En ze hoort zijn zachte stem en ze herkent zelfs het verhaal – het is het verhaal van het jonge meisje dat voor het eerst en helemaal alleen naar een ander land reist.
Ze glimlacht. Ze vindt het een mooi verhaal.
Ze sluit de deur. Zacht, maar ze weet dat hij het toch kan horen. Ze glimlacht nog eens. Ze weet ook dat hij weet dat zij niet meer terugkomt.
Zijn stem, het verhaal, beide klinken nog na. Ze roept een taxi.
Still uit Arvo Pärt – And then came the evening and the morning (1990) – 0:20
http://www.youtube.com/watch?v=VekWO6p5400
BIJNA NAAKT
Nee, niet naakt. Bijna naakt. Ik bedoel dat haar hele lichaam bedekt was met flinterdunne witte zijde. Dat is ook bijna naakt, zie je?
Ik dacht dat ik haar zou kunnen aanraken, maar dat lukte niet. Ik kon het niet. Het was alsof er een grote barrière tussen haar en mij was. Ik kon geen centimeter dichter bij haar komen.
Ze had me gezien.
“Dag meneer,” zei ze. “Alles oké?” vroeg ze.
Ik zei dat ik niet lang kon blijven, want dat ik naar mijn vrouw moest. “We rijden straks naar onze dochter,” zei ik.
Maar ze luisterde niet. Ze bewoog zacht, in haar flinterdunne zijde. Bijna naakt. Vanwege de barrière kon ik haar niet aanraken. Geen centimeter kon ik dichterbij komen. Ik moest naar huis, naar mijn vrouw en dochter, het was tijd.
Still uit Arvo Pärt – And then came the evening and the morning (1990)
http://www.youtube.com/watch?v=VekWO6p5400
TIJD 7
Kamer drieëndertig.
Tijd had de sofa ingepalmd.
Tijd rustte, tijd droomde over de gebeurtenissen in kamers zeven, acht, zeventien en twintig.
De man kwam in de sofa zitten, niet wetende dat tijd die al had ingepalmd.
Tijd liet begaan en zei niets. Hij bekeek de man.
De man rustte even, stond dan op en liep tot op de plaats waar eerst de piramide stond. De man ging terug zitten en zei luidop dat hij wou dat hij een boek had.
De man viel in slaap. Ook hij droomde, maar we weten niet wat. Misschien weet tijd dat?
Tijd stond op, spreidde een deken over de man, legde wat boeken op de vensterbank, hing een levensgroot schilderij van een panorama met Redwoods aan de grootste muur en verliet het huis van tijd.
De man sliep en werd, na verloop van tijd (een uur? Twee uur? Wie zal het zeggen?) in de kamer van de Redwood bomen wakker.
(Dit is het einde van deze tijd-teksten. Ze vormen 1 geheel en waren ahw een spie in de tijd)
TIJD 6
“Nee hoor, man. Ik ben tijd maar ik kan geen piramide tevoorschijn toveren. Ik kan samen met jou wachten en als de piramide toch terug verschijnt, dan moet je de ingang zelf vinden en dan moet je beslissen of je wilt binnen gaan, of niet.”
“Natuurlijk wil ik binnen gaan,” zei de man. “Voor de rijkdommen.”
“Je twijfelt niet?” vroeg tijd.
“Nee, tijd. Ik twijfel niet. Het is mijn piramide, nu is ze onzichtbaar maar ze bevindt zich in mijn huis van tijd. Ik krijg haar terug en ik zal de ingang vinden. Binnenkort houd ik de rijkdommen in mijn handen.”
“Goed, zoals je verkiest,” zei tijd en tijd verdween.
De man nestelde zich in de sofa.
Hij wachtte op de piramide.
Hij wachtte.
Het was echter de koker die weer verscheen en nu was zowel de linker- als de rechterzijde van de koker volledig gevuld met water. Er was geen sprake meer van aloë veras in een van de helften. Er was ook geen sprake meer van goudvissen. In de plaats verschenen drie haaien en ze groeiden ogenblikkelijk tot enorme exemplaren. Dat kon perfect – dit was immers de haaienkoker in het huis van tijd, met een voordeur en hoeken en kanten en natuurlijk ook met muren.
TIJD 5
Hij wist gewoon dat het tijd was, zelfs al had die zichzelf niet voorgesteld, zelfs al was tijd volledig onzichtbaar.
“Hoe maak je het?” vroeg de man aan tijd.
Tijd glimlachte.
“Erg goed, dank je,” antwoordde tijd. “Het is tijd hoor, man.”
“Ja,” zei de man, ik weet het. Dat is goed nieuws, vind ik.”
“Vind je?” vroeg tijd.
“Ja hoor,” zei de man. “Dit is een mooi huis en het is een knusse sofa, maar ik wil op verkenning. Ik ben benieuwd naar de zoveelste ingang van de piramide, en naar de rijkdommen die ik er zal in vinden.”
“Rijkdommen? Denk je dat je rijkdommen zult vinden?” vroeg tijd.
“Ja, natuurlijk,” zei man. “Daarvoor is het toch een piramide?”
“Ja,” zei tijd. “Ook. Maar waar is ze? Ik zie helemaal geen piramide.”
De man nestelde zich dieper in het nest.
“Ik weet het niet,” zei hij. “Misschien weet jij het. Deed jij haar verdwijnen? Daarnet stond ze er nog, maar nu is ze spoorloos. Ik vind dat jammer. Jij bent tijd, toch? Jij kunt toch toveren?”
TIJD 4
“Ik ben een schilderij,” dacht de man.
“Ben ik nu ook blauw?” vroeg hij zich af. Hij bestudeerde zijn handen en armen maar zag niets.
Hij stond op en raakte de onderste takken van de boom aan.
Een merel kwam op zijn schouder zitten, links.
Een andere merel kwam op zijn schouder zitten, rechts.
“Nu heb ik gezelschap,” dacht de man.
Hij voelde de zon op zijn handen en armen en op zijn gezicht.
“Ik hou van de zomer,” zei hij.
Een van de merels antwoordde: “Wij ook, man.”
Een pratende merel. De man was verrast en niet verrast. Hij wist dat hij in het huis van tijd was, en dat alles mogelijk was. Alles kon, alles kon keren en beven en veranderen van lucht naar licht naar zwavel naar goud en naar zandkorrels of meubels of gereedschap of om het even wat. En merels konden praten.
De boom verdween, de merels verdwenen, de kamer werd groen in plaats van blauw, de piramide verscheen en verdween weer.
De man nestelde zich terug in de sofa.
“Misschien moet ik maar eens aan het werk,” dacht hij en hij maakte aanstalten om recht te staan, maar tijd duwde hem terug in het nest van de sofa.
“Dag man,” zei tijd.
“Dag tijd,” zei de man.

