“Volgens mij is de wind onaantastbaar.”
“Maar we kunnen hem voelen.”
“Ja. Toch is hij onaantastbaar. En hij is sterk. En ik hou van dat voelen.
Ik sta op de golfbreker. Kan ik hem ergens beter voelen dan hier? Hij raakt me in de kleinste porie. Hij brengt de adem van alle mensen, dieren, bomen en planten tot bij mij. De leeuw. De iep. De – hoe heet die boom ook weer? De es. De hamster, de stokroos.
De adem van de stokroos raakt me.”
“Je praat in jezelf, hardop. Je bent niet hier, niet echt. ”
“Nee. Ik sta op de golfbreker. Ik voel de wind en het zout, de adem van het zout.”
“Zout ademt niet.”
“Zout ademt.”