“Ze tekenen me in tabellen en pijlen, ze geven me cijfers.
En ik kijk
Zie, een vogelvlucht
de vijver en
de zwanen en het brood van de grootvaders
Zie, een kudde
de boer op zijn tractor en de grote boerderij met haar erf. De zonen en dochters, een feest op zondag, het harde werk, het graan, het vee, de melk en de wol –
Elders de tuinboer: op zijn land, in zijn serres, de kinderen helpen mee. Zijn vrouw is twee jaar geleden overleden, een eeuwigheid.
Ik draag haar in mijn stromen, ik breng haar soms even dichter bij man en kinderen –
Zij kijken verwonderd, voelen de vrouw, voelen mij, werken voort, koesteren de kracht van het groeien van het groene –
voelen de vrouw –
werken voort.”