“Zucht.”
“Wat, Jef?”
“ ‘Zucht’, zei ik.”
“Ja Jef, ik heb het gehoord. Maar waarom?”
“Omdat ik moe ben, Nikki.”
“Waarom ben je moe, Jef?”
(stilte)
(stilte)
“Het gewicht van de lucht, Nikki.”
“Ja maar Jef, de lucht weegt toch niks?”
“Nee Nikki, de lucht weegt niks.”
VERSTANDIG
De man monsterde me van kop tot teen, liet zijn blik even op mijn versleten en in weken niet gepoetste schoenen rusten, keek me aan en vroeg:
“Ben je verstandig?”
Of ik verstandig was? Wat moest ik daar op antwoorden?
“Ik ben niet dom,” zei ik.
Hij staarde naar de middelste knoop van mijn hemd.
“Ja maar, ben je verstàndig?”
“Euh, ja, ik denk dat ik verstandig ben.”
“Je moet niet denken, je moet zijn. Je hoeft je niet te schamen en je mag je verstand etaleren. Wat weet jij?”
Ik wist alvast niet wat ik met deze man aan moest. Verwachtte hij een antwoord?
“Ik weet hoe oud ik ben,” probeerde ik, maar dat was natuurlijk niet wat hij bedoelde.
“Nee, wat wéét jij?”
“Ik ken de namen van bloemen en planten?”
“Ja, dat is een goed begin. En wat weet je nog? En hoe bewaar je jouw kennis? Draag je zorg voor jouw verstand? Of gooi je jouw hersenen te grabbel en prop je er dagelijks een massa te snelle beelden bij?”
“Te snelle beelden?” Ik wist niet wat hij bedoelde.
“Televisie. Computer.”
O, dat.
“Eum, ja, af en toe.”
“Dan ben je te nieuw.”
“Te nieuw?”
“Ja. Je bent te nieuw om goed en geschikt verstand te hebben. Hersenen moeten op de oude en traditionele manier bewaard worden. Anders kwijnen ze weg, of verstikken ze onder de snelheid. Je moet meermaals per dag even stilstaan, en je moet je niet laten afleiden door de snelle beelden, ook niet door de grote reclames. Heb je dat paneel met publiciteit voor het museum gezien? Hoe groot kan de tegenstelling zijn? Een modern en veel te lichtgevend bord met flitsende slogans en foto’s? En dat om mensen naar een museum te lokken?”
“Misschien moet de moderne mens met flitsende beelden overtuigd worden?” vroeg ik.
Maar hij hoorde me niet.
“Oververzadiging,” zei hij. “De wereld ontploft. Miljoenen soorten fluo. Overal valse regenbogen. Overal schreeuwerige kunst. Moet kunst niet stil zijn, zodat de mens er over kan nadenken? Moet muziek alles overstemmen, zoals zij nu doet? Zij is overal aanwezig! Het lawaai! Moet muziek luid, moeten kunstwerken immens zijn? De mens struikelt over de afmetingen en hij beseft het niet eens. En hij vergeet de hele tijd zijn veters te knopen! Wacht maar! Als hij van de trap afloopt zal hij op zijn donder gaan, en dan zal het bliksemen tot in de bovenste verdieping van de hoogste wolkenkrabber!”
Ik beaamde. Sterker nog; ik zei braaf “Ja meneer”.
“Ben jij er zo een?” Hij brieste. “Knik jij gehoorzaam als iemand zulke dingen zegt? Heb je zelf geen mening, dan?”
“Jja,” stamelde ik. Hij wuifde me weg.
“Verdwijn,” siste hij. Met de wijsvinger van een hand maakte hij een cirkelende en opstijgende beweging, vanuit zijn mond kwam een zoemend geluid.
“Je stijgt op,” zei hij.
Ik keek naar mijn versleten schoenen. Ik steeg niet op, ik stond waar ik stond.
“Nee hoor, ik blijf,” zei ik.
“Wacht maar,” zei hij. “Al dat kunstlicht en al die flitsende helikopterbeelden, al die dingen zullen jou tot op het dak van de wolkenkrabber brengen, en daar zal je ontwaken net voor je naar beneden stort.”
De man was gek.
“Maar ik ben verstàndig,” zei ik.
“Jaja,” zei hij. “Dat zal wel. Maar laat je hersenen niet rotten!” zei hij. “En poets je schoenen!”
Toen ik terug opkeek was hij bijna de hoek om. Ik zag nog de opwaartse beweging van zijn hand en dan niks meer.
RAVEN ETC
Wel, beste vrienden, ik voeg de daad bij het woord en ik maak een omweg, via Poe, je weet wel, de schrijver:
Raven razen.
Ik zeg, Het huis is het huis, het huis davert.
Raven lezen.
Het huis slibt vol lood, het huis slibt vol rozen.
Raven kiezen.
Het wankelt, het boort, het vliegt, het steigert, het ploft.
Raven kijken.
Tot het huis toch terug neerkomt en staat, en davert, en staat.
Raven kijken, herhaling.
En het huis blijft.
Raven zeggen: Het is een mirakel.
ill: Marc Van Eename, ‘Square four’.
SOEPEL
“Niks, ik kan geen piano spelen, soms denk ik dat ik het kan en dan bewegen mijn vingers, ze lijken jong en soepel en ze bewegen mee met de klanken van de watervallen van Chopin, ken je Chopin?”
“Ja, Jef, ik ken de naam maar zijn muziek ken ik niet.”
“Vooral piano. Meer weet ik niet. Misschien componeerde hij ook voor andere instrumenten maar als ik zijn naam hoor, dan denk ik ‘piano’ en ‘waterval’. Altijd.”
Jef neuriet, Nikki luistert.
“Nee, Jef, ik ken dat niet. Ben jij een muziekkenner dan?”
“Nee, Nikki, ik ken niks, ik weet niks, ik hoor alleen de watervallen in de muziek, en soms de rivieren.”
AAP
“Als een aap in een boom. Ik zal wat slingeren. Dus: ik verhuis. Ik huur een camion, ik laad mijn meubels in, ik kies een onbewoond eiland, ik zet mijn sofa, mijn tafel en mijn bed daar. Om het uur slinger ik, om het andere uur zwem ik, om het nog andere uur zit ik gewoon maar over de oceaan te staren. En ik neem de paarden mee.”
(zegt Jef)
ACHTER
“Een etentje.”
“Jef, wat zeg je? Je murmelt.”
“Een etentje, Nikki. Het was op een etentje.”
“Wat, Jef?”
“Ergens in Brussel. Het was warm in het restaurant. Het was er druk. Ik vluchtte naar buiten – er was een terras. En zicht op achterkanten van appartementsgebouwen. Vuilniszakken. Vergeten wasgoed. Een bal. Klimop. Muurbloemen.”
“Ja, Jef?”
“Tja, Nikki. Het uitzicht op de appartementen van al die mensen raakte me. Net alsof ik duizenden foto’s van achterkanten van levens zag. Vergeten achteraanzichten. Gespikkeld bruin en grijs en zwart en hier en daar een bal en een windvlieger, of een batmankostuum – de kleuren van de kinderen, ook zij zaten in die achteraanzichten.”
DREK
“Viezigheid, vuiligheid, stank, beschimmelde proppen papier, nooit verdwijnende pampers, smeerlapperij.”
“Jef, wat is er aan de hand?”
“Het is een hoop drek, Nikki. Al ons afval. Het is drek.”
“Ja maar, Jef!?”
“Niks te maren, Nikki. We kopen een stuk vlees, een krop sla, we steken alles in een plastiek zak, nemen het mee naar huis, doen er dit en dat mee en het afval is drek.”
“Ja maar, Jef!”
“Niks, Nikki. Een spoor van drek, dat laten we na. Verpakkingen, autobanden, uitlaatgassen.”
“Jef, maar je moet dat uit je hoofd zetten. Je moet toch eten, je moet toch rijden, soms?”
“Ja, Nikki. We moeten vanalles. En de drek blijft en drijft boven.”
Ref: Don DeLillo, Onderwereld, blz. 302+

Illustratie: Bram Brioen, voor Merel en Mus.
ANABEL: ‘MAAR LIEFDE DE LIEFDE’
Haar hart daverde maar ze wist:
dat bomen de bomen
en gras het gras
‘Maar liefde de liefde?’ vroeg ze, want ze twijfelde.
Hoe, waar, wanneer, wie, nu, straks, gisteren, morgen, hoe lang, hoe diep, hoe groot?
‘Mijn lieve liefste,’ zuchtte ze,
‘Mijn hart, mijn schat, mijn alles, mijn licht. Mijn grootste, mijn knapste, mijn adem, mijn lucht, mijn leven, mijn goud, mijn zilver, mijn duizend.’
Ze huilde.
‘De liefde de liefde?’ vroeg ze, want ze twijfelde.
Hoe, waar, wanneer, hoe lang, hoe groot?
Want ze wist, ze wist niet, ze wist niets, noch nu, noch morgen, noch wat, noch hoe.
Ze huilde niet meer.
Want ‘De liefde de liefde?’ wist ze.
Ze plukte een madelief, ze plukte een roos, ze plukte een bos.
Ze zuchtte, ze lachte, want ‘De liefde de liefde?’ wist ze
en ze plukte nog meer en ze vlijde zich neer en wist dat het hart en de lucht en het goud en het diepste en grootste
in bloemen, veel meer.
UIT DE MIERENKOLONIE
en met de juiste ingesteldheid kan een mier makkelijk een olifant worden;
Een mier wandelt weg uit haar kolonie, zeg maar dat ze plots beseft dat ze een ‘ik’ is, en niet langer (of niet alleen) een onderdeel van die grote kolonie.
Bon.
De mier gaat dus op wandel, ontmoet een aap, een hond, een papegaai. De mier ontmoet ook een stoel (inderdaad), vindt de stoel interessant en begint aan een klimtocht, langs de poten van de stoel, helemaal tot boven. Daar heeft ze een goed uitzicht. Ze ziet een speelweide, een bos en drie olifanten.
‘Wauw, die beesten zijn groot,’ zegt de mier. ‘Zo groot wil ik ook worden!’
En de mier eet en eet (bananen, bosbessen, 1 koteletje per dag) en beweegt zo veel mogelijk om haar lichaamsgroei te bevorderen: ze loopt iedere dag drie kilometer, ze vertrekt voor drie weken op skiverlof en met regelmaat van de klok doet ze haar yoga-oefeningen.
En zo groeit ze, en zo wordt ze een olifant en kan ze op wandel met die drie andere olifanten.
De mier heeft nu een grote stal in de Zoo van Antwerpen en ze krijgt alle dagen veel bezoek. Ze bezorgt de Zoo van Antwerpen extra publiciteit en vooral subsidies. Een Mier Die Olifant Werd En Nu In De Zoo Van Antwerpen Verblijft, dat is immers niet niks.
DAY
Ik heb het haar willen vertellen maar ik heb mijn mond gehouden.
Ik denk dat er vandaag de dag genoeg te doen is rond vrouwenemancipatie. Rond de onderdanigheid. Rond het vermijden, daarvan.
Je moet alleen maar goed kijken.
Je moet ook willen kijken.
Je kunt ook oogkleppen ophebben, of willen. Misschien zijn ze veilig? Misschien zijn ze niet veilig?
Het komt er, misschien, op neer, om zelf de keuze te (kunnen/mogen/willen) maken.
‘Zelf’ zou benadrukt moeten worden. Uitgelicht. Belicht.
Het is hier goed vertoeven – het is twintig over zeven, tweeëntwintig, de zon laat zich nog niet zien maar ze kleurt de hemel. Ik kan kiezen voor Bach, of voor Lou Reed. Ik kan hen laten schallen, ik kan hen zacht op de achtergrond laten.
Minstens 1 gans vliegt over en wekt, daardoor, minstens een van de buren, misschien.
Misschien heeft geluk alles te maken met het zien van de zon die de hemel nu nog niet opeist, maar straks wel.
Misschien heeft geluk alles te maken met het horen van de ganzen, en met het zich kunnen inbeelden van buurmannen of –vrouwen die geeuwen en zich uitrekken en nog even voort slapen, of niet.
Misschien heeft geluk alles te maken met het kunnen horen van die overvliegende gans, of ganzen.
Een auto rijdt voorbij. Wie vertrekt er op reis, of wie rijdt er naar de bakker?
Minstens vier vliegtuigen vlogen reeds over. Ik zie hun sporen. Eerder dan nu keek ik niet – niet steil omhoog, ik keek enkel naar de omgeving van de zon, die nog niet was, maar nu wel, en die dwingend, mag ik zeggen, de hemel opeist.




