BUSSELS PETERSELIE

Oké oké mijnheer Macharis, ik laat de chaos de chaos en ik kijk alleen nog naar het bos en naar de bomen. Ook daar echter: chaos, want de eigenaar laat zijn kleine bos verkommeren, het ligt vol omgewaaide bomen, oude paletten, lege blikjes van de loonwerkers die op het veld ernaast maandenlang peterselie plukten – misschien ligt er van die mannen ook nog een stapel kleren verstopt achter een van de eerste bomen. Gezien vanaf het wegje, is dat.

De peterselie is ondertussen nagenoeg helemaal verdwenen.
Maan-den-lang konden die mannen plukken. Met de hand en continu gehurkt. Jaa, ze zijn jong, maar toch. Hun rug!
Een keer zag ik een van de jonge mannen na het plukwerk opgepoetst en opgeblonken uit het bos komen, helemaal klaar om op stap te gaan. Volgens mij had hij achter die ene boom een halve badkamer verstopt, want hij was tot in de punten van zijn schoenen verzorgd en duidelijk blij dat hij een date of whatever had. Of een sollicitatie, misschien? Of toch een afspraak met een of andere jonge dame (M/V/X)?
Ik heb het hem niet gevraagd.
Zoals wel vaker zag hij dat ik hem zag en hij wuifde. Ik wuifde terug.
Weken later zat hij alleen of op sommige dagen met een of met twee kompanen nog altijd op het veld. Peterselie blijft ontzettend lang groeien en de jonge mannen bleven plukken en plukken en busselen en busselen en vervolgens hun oogst in plastic bakken gooien tot er genoeg bakken waren om ze in te laden en te transporteren naar ik weet niet waar. Tot in de late herfst en in die laatste weken durfden ze het aan om een vuurtje te maken en zich regelmatig wat te warmen – dood en droog hout genoeg in het bos. Maar nu is het al wekenlang te koud, de laatste peterselie is bijna volledig vergaan en de jonge mannen komen al lang niet meer. Misschien liggen die kleren en die halve badkamer er nog?

EEN ROTS, TWEE ROTSEN, DRIE

‘We zullen stErk moeten zijn,’ zei ze. ‘We zullen moeten wErken. En stevig met onze voeten op de grond blijven staan. Doorbijten en de moEd niet verliezen.’
‘Maar we zUllen,’ zei ze. ‘We zUllen het doen, we zullen dit kUnnen en dit tot een goed einde brengen,’ zei ze.
‘Alleen al voor de Liefde,’ zei ze. ‘De Liefde voor Elkaar, ja. Maar ook vanwege de Liefde voor het lEven. Voor het blauwe van de lucht, de adem. Voor het groene van het gras en van de bomen en planten. Voor de vogels, de dieren, de mensen. Die Liefde, Al die Liefde,’ zei ze.
‘Wij dOEn dit,’ zei ze.
Ze bleef aan het raam staan.

Ze zullen rotsen, raketten en bruggen bouwen. Ze zullen stappen, lopen, vliegen (tot ver voorbij Mars, en het zal een geslaagde vlucht zijn).
De rotsen die ze bouwen zullen ze op hun schouders kunnen dragen. Ze zijn sterk, immers. Sterk en lief, zoals in liefde, zoals in graag zien, het immense graag zien dat doordringt tot in het mooiste blauwe van de lucht, tot aan het bijzondere blauwe van de krachtige kustlijnen in Normandië – bij het goede licht – en tot diep in het nachtblauwe van van Gogh.
Ze zullen hun paden volgen en links, rechts, rechtdoor kiezen, maar het pad, hun pad, zal altijd het goede zijn. Met hier en daar een eik, een berk, een linde, een esdoorn. Met zwaluwen en roodborstjes. Met de eenvoudige kleuren van de viooltjes. En met de dandelions.


(Ook met dank aan Elbow)

ZEVENENVIJFTIG

Mix het met wat
Mister E en met
Nico

en gooi er een zin of
twee
drie van
e e cummings en van
Pavese
bovenop en

mix it, shake it.

Dan nog een
begonia of een
weidemargriet of een
steenraket of een tak van de
rode oleander en

mix it, shake it
en het is een verhaal.

VER

Ik vraag me af waar jij bent.
Mogelijk ergens tussen een van de verschillende tinten blauw, denk ik. Of misschien wat dichterbij, tussen of in of net boven de enorme lagen groen.
We hadden elkaar nog aangeraakt. Of nee, net niet. Een vluchtig kruisen van onze wangen, rakelings. Ik zoek een ander, beter woord voor ‘kruisen’ maar ook dat woord hangt ergens onbereikbaar, tussen al dat azuur- en koningsblauwe.

Ik hoor je roepen. Ik kan de zinnen en woorden niet verstaan. ‘Overal, nergens,’ denk ik te horen. Ik spits mijn oren wat beter en hoor ‘Weg, langs het wandelpad.’
Ja?

Er zit niks anders op. Ik moet me erbij neerleggen. Hoe zeggen ze dat? Vrede mee nemen? Ja? Moet dat? Of kan ik me er blijven tegen verzetten? Zou dat zin hebben? Zou jij dan kiezen om dat oneindige blauwe of groene achter je te laten en om hier, tussen de huizen en de oude fabrieken, tussen de drukke straten en de wekelijkse marktkramers te willen verblijven? Iedere ochtend, iedere dag, iedere week opnieuw? Dat kan niet, natuurlijk niet.

Er dendert weer een vrachtwagen voorbij, de slogan op de zijkant van de laadbak kan ik niet lezen, het is te donker. Van de dag is nog geen sprake behalve in de drukte van het verkeer. Hoor, een autobus, die van twintig voor zeven.

(voor B, B, D, D, H, J, K, K, L, M, M, R, S)

OF KONIJNEN OF EZELS

Ze zegt dat de kerstversiering erg mooi is en dat ze me een foto zal sturen. Ze zegt ook dat de dagelijkse wandeling rond de vijver telkens deugd doet en dat ze overweegt om in de nabije toekomst zelf een huis met een grote vijver te kopen.
‘Misschien komt het door het zien van de vissen. Of misschien is het de uitgestrektheid van de horizon. En misschien zou een beekje volstaan. Ik weet het niet. Wil je nog een blok hout op het vuur gooien?’ vraagt ze.
Ze heeft het koud en grijpt naar een deken. De vlammen slingeren zich rond het houtblok, over tien minuten zullen de zwarte randen van het glas schoonbranden.
Ze praat zacht en klinkt gelukkig. Zo heb ik haar lang niet gezien. Rustig. Eindelijk tevreden, denk ik.
‘Ik heb het nog altijd koud, misschien word ik ziek,’ mompelt ze.
Ik neem nog een houtblok.
‘Alles is zich aan het gladstrijken,’ zegt ze. ‘Alsof de tijd een zachte maar dwingende laag legt. Op het werk heb ik eindelijk mijn draai gevonden en Wouter heeft niets meer van zich laten horen. Ik denk veel minder aan hem, maar de hele geschiedenis heeft natuurlijk een wonde geslagen. Ik hoop dat ik dat huis met de tuin en de vijver vind. Of met een beekje. Ergens in de groene rand, dan kan ik naar de bossen. Misschien moet ik terug foto’s maken. Ik zie de vijver, de horizon, de oude eiken en ik denk aan mijn camera. Het zal er wel terug van komen.’

IN RIJEN

‘Kijk, een ganse rij minimini-geluksklavertjes, je moet echt goed kijken zo klein zijn ze. Wacht ik zal even een eerste strook gras opzij houden, kun je ze nu zien? Misschien moet je wat dieper bukken, echt diep, met je neus bijna tegen de grond.’

Dit was ik niet.

Ik bedoel, ik heb dit niet gezegd, ik heb dit niet geschreven. Ik heb de letters en woorden getypt, ja, maar geschreven? Nee. Ik kon enkel luisteren en kijken en glimlachen met de toch wel onnozele idee van de klavertjes vier.

Of ik die minimini-geluksklavertjes dan gezien heb?

Tja.
Wat zij, die andere, zei of schreef, dat was niet tegen mij. Ik heb mij niet gebukt en heb niet met mijn neus tegen de grond zitten turen in de hoop ze te vinden.
Mogelijk heb ik de klavertjes gezien, maar misschien zag ik ze niet, want was ik daar? Wie zal het zeggen?

VER

er ligt een waas op de ruiten en ze kan de lucht niet zien
ze moet naar buiten
naar het groener dan groene
en het blauwer dan blauwe
en de ijskristallen, ginds boven

ze wil dat ijs aanraken en het laten
vervliegen tussen haar handen
ze probeert het vast te houden
en pffffffffffff weg is het
naar hoger, naar blauwer dan het wit dat het was

ze vergeet de waas op de ruiten en keert
de blik naar binnen
zoekt groen, blauw, groener dan, blauwer dan
en de ijskristallen die versmelten met haar lichaam
tot ze ginds, ja, hoger en blauwer dan het wit dat het was

BIJNA ZWART

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, sommige bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven volgen, willen en zullen volgen

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten dat dat licht en die lucht veel beter en groter en voller en blauwer zullen zijn

– zullen zijn. ‘Waarschijnlijk, het kan niet anders,’ zeggen ze.

Ze staan in groep, ze groeien in groep, ze bloeien in groep, voorlopig.

– ‘Zie je wel?’ zeggen ze.

Zoals de kamperfoelie

– deze met gele bloemen, en altijd felruikend.

De nerven tekenen zich duidelijk

– ze zijn donkergroen, bijna zwart.

Je ziet waar het sap stroomt, je ziet welke weg de nerven willen en moeten en immer zullen volgen,

– en waarom.

‘Richting het licht en de lucht,’ denken ze, dénken ze want ze menen te weten

VOETWEG 76

Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Dan, een hoop boterbloemen.
Dan, een hoop madelieven.
Een camelia, waarachtig.
De klimhortensia, zou ik stekken nemen?
Dan, de paardenbloemen, ze zijn nog geel, die andere zijn pluizen.
Dan, de grote uitgebloeide forsythia’s, hun herkenbare groen.
Dan, voetweg nummer 76, de Wipeweg.
Dan, wat paarse rododendrons, zeven, acht?
Dan, het grote en eeuwig schietende riet en de nog kleine vlinderstruiken. De vlinderstruiken zullen groot worden en ze zullen paars bloemen, dat weet ik.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.

HET

Het, ja, Het is een wirwar, een mix van woorden, een

raster, een kluwen, een web. Het is eindeloos, het

loopt tot over de oevers van de rivieren, tot voorbij

de einder, tot diep in het bos, tot hoog in de lucht,

net boven de ijskristallen wolken.

Het wordt geweven van links naar rechts maar niemand

ziet de regelmaat, de bijna identieke dieptes en hoogtes,

de verschillende kleuren, het springt van hier naar daar,

legt de zinnen op een weefgetouwen rooster, springt over

het haakwerk van de huismoeder en diep in de trui van

de hobbyist, legt het kaarsvet aan banden maar druipt

tot over de rand van de vaas met die echte, blijvende

poppy flowers.

Het geeft leven, het geeft rust. Het maast zichzelf door

het land, door de grond en het zand, door de adem,

door het licht en het leven, over de bodem van het meer

aan de bron, over de andere bodems van de diepblauwe

oceanen.

Kris, kras, langs namen, titels, dorpen, landen, groenere

oerwouden, enorme giraffen en leeuwen, kleine mieren

en muizen, de gezichten van alle mensen, kleurrijk,

glansrijk, goed tot diep in hun ziel, goed overal, ooit,

hopelijk immer blijvend in het licht, in de lucht, in

het leven.