De wind vertelt dat hij zes boeken heeft en dat hij die koestert.
Hij zit in de hemel, in een hoek van een grote kamer, en bladert door een van de boeken.
“Bij iedere lezing ontdek ik nieuwe dingen,” zegt de wind.
Hij leest een paragraaf voor.
“Mooi,” zeg ik.
“En? Heb je het gehoord?” vraagt hij.
“Wat?” zeg ik.
“Het geluid in dat boek.”
“Nee, niet gehoord.”
“Je moet beter luisteren,” zegt de wind.
Hij kijkt me recht in de ogen zoals enkel de wind dat kan en zegt dat hij het boek nog tientallen keren zal lezen.