BOREAS – 6. HIJ VAART, DE WIND

“en kijk, de meeuwen glijden door mij
en kijk, het rimpelende water –

Ik ben in een klein havendorp aan de Oosterschelde. Ik verken de straten en pleinen, langs de trap naar beneden, over de slipway.

Een man komt aangereden, loodst de bestelwagen met trailer de helling af. De RIB-boot schuift het water in.

Mijn adem raakt de zwarte romp.

Ik streel de man over het hoofd. Hij voelt iets, kijkt naar de heldere hemel, werpt een blik op het water, houdt de hand boven de ogen –

De boot ligt in het water, de man stuurt hem naar de steiger –
weer die hand – hij vergat zijn pet en zijn zonnebril –
hij test de radio –
bergt een en ander op –

De man verwelkomt een vriend en diens vrouw –
ze zeggen het is mooi weer –
er is amper wind –

Ze varen de haven uit, de kleine brug onderdoor, langs de smalle strook, langs de zondagsvissers aan de haveningang –
gooien de lijnen uit –
zitten op hun stoelen, keuren het water, de rimpels –
wachten op de vissen –
de boot verdwijnt uit het zicht –

en ik, de wind, ik vaar mee”

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.