MOOI MAAR VREEMD

Jef zegt dat het nooit meer goed komt maar wel ‘zo goed mogelijk’, zegt hij, en ik vraag wat hij daarmee bedoelt. Hij antwoordt dat hij de boorden van de tuin gedaan heeft en dat er veel boterbloemen stonden, hij vindt boterbloemen mooi maar vreemd, zegt hij en hij vertelt ook over de splinter van een distel, dat die steker nu al een week in zijn rechter middelvinger zit, iemand had hem nochtans gezegd dat hij daar niet mocht mee blijven rondlopen en nu moet hij naar de dokter want het doet pijn en het zweert, zegt hij, en dat zwarte zalf een goeie pijnstiller was maar nu niet meer, en dat de splinter er niet mee verdwijnt.

Jef vraagt zich af of er nu een stuk uit zijn vinger zal gesneden worden, ik zeg dat ik het niet weet.

We zwijgen.

“Ja, zo goed mogelijk,” zegt Jef.
De tabak van zijn pijp ruikt zoet, te zoet bijna, “Zit daar suiker in, misschien?” wil ik vragen maar ik vraag niks en Jef steekt zijn pijp in de lucht en wijst naar een voorbijvliegend vliegtuig.
“Zo ver,” zegt hij.

BOTERBLOEM

dd.17/6/2013

Advertenties

DOSTOJEVSKI

‘Maar dat kan ik je onmogelijk verklaren. Zie je, jullie passen voortreffelijk bij elkaar. Ik heb al eerder aan jou gedacht. Je eindigt toch daarmee. Is het je nu niet totaal onverschillig of dit eerder dan wel later gebeurt? Kerel, hier heb je zo iets als een peluw-beginsel, maar niet alleen dat van de peluw: Je wordt hier naar toe getrokken; hier is het eind van de wereld, hier gooi je je anker uit, hier is een kalme haven, de navel van de aarde, de drievissige basis van de wereld, de essence van de pannenkoeken, van de vette vispasteitjes, van de avondsamowar, van de stille zuchten en de warme katsaweïka’s, van de verwarmde lejanki, in één woord het is alsof je gestorven bent en tegelijkertijd nog leeft; je geniet beide voordelen tegelijk.’
(F.M. Dostojevski, Schuld en Boete, Derde deel, [1])

dd 17/6/2013

JEF

Zijn naam is Jef, maar iedereen noemt hem Jefke, ‘Jefke de melkboer’, maar hij is al twintig jaar geen melkboer meer, het bracht niks op, zei hij, en zijn vrouw had hem laten zitten – ze was toen met de hele huisraad in een grote camion verdwenen en hij had haar nooit meer gezien of gehoord tot ze onlangs plots, via een brief van een advocaat, de helft van het huis opeiste en arme Jef had zijn klein beetje spaarcenten moeten aanspreken en bovendien had hij, op zijn leeftijd, nog een lening moeten aangaan en had hij het huis in pand moeten geven, ze stoorde hem, die lening, hij was de laatste jaren zonder zorgen geweest en nu werd hij iedere maand geconfronteerd met een afbetaling – en na een jaar van woede en verdriet indertijd, had hij zich bij haar verdwijning neergelegd en zat hij de hele dag rustig te zitten en naar televisie te kijken, of hield hij de auto’s en de voorbijgangers in het oog, meestal vanaf zijn stoel aan het raam maar zodra het mooi weer werd stond hij buiten, op het voetpad, en kreeg hij het gezelschap van een of twee andere buren, ook nu nog, na al die jaren en soms haalden ze er stoelen bij en ze stonden of zaten en keuvelden dan urenlang over de ditjes en de datjes, vandaag ging het eerst over zijn afbetaling want die was net van de rekening gegaan, en daarna over de nieuwe buur in huisnummer 101, die had terwijl zij daar zaten vier of vijf dozen naar binnen gedragen maar hij had niks gezegd, hij had alleen maar vriendelijk geknikt, wie was hij, wanneer zou hij komen kennismaken?

dd. 14/6/2013

DE MAN EN DE ZEE

De man zag de zee.
Hij bekeek haar.
Hij stond perplex.
Na een kwartier sprak hij.
“Jij bent de grote zee,” zei hij.
“En ik ben een kleine man. Ik sta hier, voor jou, en ik wil dat je mij omarmt.”
De zee leek te horen wat de man zei en streelde hem met een van haar golven.
De man sloot de ogen en liet begaan, en nog.
De man sprak opnieuw.
“Jij ziet veel, Zee. Jij ziet de wolken, de lucht, de meeuwen, de grote schepen en de kleine boten, de zeiljachten, de vissers en de duikers. Jij ziet de oevers van de wereld, de stranden, de rotsen, de mensen en hun huizen. Jij begeleidt de zeevaarders, jij maakt hen het leven makkelijk of moeilijk, jij gooit het zout over de kuststeden. Jij bent groots, en ik ben klein. Omarm me,” zei hij. “Laat me jouw grootte en mijn nietigheid voelen, mij, een speldenprik in jou, Zee, en laat me voelen hoe je ontrolt tot de veel grotere oceaan.”
“Omarm me,” herhaalde hij.

De zee likte hem met een krul van haar golven, en nog eens; zijn handen, zijn bovenarmen, zijn voorhoofd, zijn ogen.
De man voelde het water en het zout. Hij hield de ogen gesloten.
Hij sprak opnieuw tot de zee en vertelde over zijn medemensen. Over de macht, het geld en de angsten. Hij vertelde over de oliebaronnen en over het kindermisbruik. Hij beschreef de ettelijke miljoenen dollars en euro’s die hier en daar in duistere kluizen verborgen lagen. Hij zei dat de herkomst van dat geld niet altijd duidelijk was, en dat de miljoenen biljetten een kwalijke geur verspreidden.”
“En de drugs,” zei hij. “En de alcohol,” zei hij.
Hij vertelde over de verslavingen en over hun slachtoffers, over de dealers en fabrikanten, over het vele geld en de stinkende rijken. Hij vertelde over de uitzichtloosheid van de junks en van de verslaafden.
“Maar sommigen zijn sterk en zij spartelen en vechten. Zij worden sterker en overleven,” zei hij.

De man zweeg.
De zee kwam tot aan zijn voeten, tikte tegen een knie, tegen een dij. De man glimlachte.
“Mijn schoenen worden nat!” lachte hij.
Hij vertelde voort; over de oorlogsdoden. Over het machtsmisbruik van grote leiders. Over splinterbommen. Over verkrachtingen en vrouwenmisbruik, over de diepe armoede in Afrika en over de armoede in de grote steden van de rijke landen – de achterbuurten met hun bendes en hun drugs.
Hij vertelde over de donkerte van de mensen en dat de zon het vaak moeilijk had om door die donkerte te breken.
De man spreidde de armen, sloot ze weer, vertelde nog voort over verminkingen, over wapens, over manipulatie van de granen en gewassen, over het storten van het lelijkste afval in onontgonnen gebieden en in de oceanen.
“Kernafval,” zei hij.
“Asbest,” zei hij.
“Chemische rommel,” zei hij.
Hij vertelde over de barsten in het beton van de kerncentrales, over gebroken elektriciteitsleidingen, over ontploffend gas en over instortende viaducten.
“Ik begrijp niet alles,” zei hij.
“Ik zie en weet niet alles,” zei hij.
“En ik zei nog niks over de farmaceutische industrie en over haar werkwijzen,” zei hij. “En over haar miljoenen en miljarden.”

Hij zweeg.
Hij spreidde de armen en liet ze weer langs zijn lichaam zakken.
Hij keek over de zee, naar haar horizon, naar de ondergaande zon en naar twee grote vrachtschepen.”
“Ze zijn nog ver,” zei hij. “In welke haven zullen ze binnenvaren? Wie zijn de matrozen op die schepen? Worden ze goed betaald? Is de kapitein een goed mens? Is de reder te vertrouwen? Zijn er vluchtelingen aan boord? Hebben zij water en voedsel, leven zij nog?”
De zee liet twee, drie, vier van haar krullende golven tegen het lichaam van de man tikken. Ze streelde hem. De man glimlachte. Hij veegde het zout van zijn handen en van zijn gezicht. Hij zei een tijd niets.

“Ik stap maar eens op,” zei hij.

zee

dd 14/6/2013

MEI

maar het weer is niet goed voor de zonnebloemen; een serre vol, en slechts een derde zal overleven, het is te koud, zie je, en er is veel te weinig licht
en verderop, in een andere serre, staan de rozen te wachten tot ik langskom en tot ik kijk naar hun witheid, naar hun schijn van open en buiten, in volle zon

(afb: Paul Gauguin, ‘Van Gogh peignant des tournesols’)

gauguin_0

dd. 30/5/2013

STRAK EEN TWEE

Boer Jan zegt dat het erg eenvoudig is en dat we niet zo ingewikkeld moeten doen.
Hij zegt dat enkel het land en de zaden belangrijk zijn, en de vogels en de koeien natuurlijk.
Hij staat midden op het erf en bekijkt de gevel van zijn boerderij. Dan bekijkt hij de lucht. Hij neemt elke wolk in zich op en zegt dat het de eerste drie dagen niet zal regenen, maar daarna wel.
Boer Jan stampt met de voeten en er vallen droge modderklonters uit de grove zolen van zijn laarzen.
“Ik denk dat de soep nu wel heet is,” zegt hij. Hij heft zijn pet even op en zet die dan strak op zijn hoofd.

Net zoals het een strak plan is.
Sandman (dat is een bijnaam) beweegt zijn armen – dat lukt terug.
En zijn benen.
Hij ademt. Ook dat lukt.
Want.
De ene of andere gekke steen vond dat hij op Sandmans borstkas moest rusten. Sandman heeft dan maar eens goed met de steen gepraat en na afloop hebben ze nog wat zitten lachen.
“De steen kent goeie moppen!” zegt Sandman.
“Ik zal ze eens noteren!” zegt hij.
Natuurlijk meent Sandman er niks van. Waarom zou hij de moppen noteren? Om ze op het wereldwijdebrederdanbrede web te gooien?
Sandman zucht.
“Ik ga een toertje doen,” zegt hij.
Hij neemt zijn helm en start zijn motor.
De rustende steen gaat vliegen nadat hij eerst nog een mop verteld heeft.
Sandman zet de motor in versnelling.
“Eerste versnelling naar beneden en de rest naar boven,” denkt hij voor de tienduizendste keer.
Hij rijdt. Hij voelt de o zo bekende lucht en rijdt vijftig, zestig, honderd, honderdzestig kilometer per uur. Hij neemt wat gas terug. Tachtig. Honderd. Zeventig.
Hij voelt de lucht en de bochten. Links, rechts, links, links, hairpin. Hairpins zijn een truuk. Sandman glimlacht terwijl hij de bocht en de lucht voelt.
“Dit is een strakke rit,” zegt hij.

dd. 24/4/2013

DE BEVERFAMILIE

bartje de bever maakt telkens tien kleine bevertjes in 1 keer.
(zijn vrouw knikt braaf en baart)
elk van die tien kleine bevertjes maakt op zijn beurt telkens tien kleine bevertjes, en zo voort.
bartje de bever is erg trots op zijn kroost.

op een dag roept hij de familie bijeen.
hij zegt dat ze waakzaam moeten zijn, en dat ze met de gele vlaggen moeten zwaaien zodat de bevers uit de andere families zien waar de bartje de beverfamilie voor staat en zodat de andere beverfamilies zich bij hen kunnen aansluiten.
de tanden van de kleine familiebevertjes vallen bijna op de grond, zo sterk is de toespraak van hun bartje. de bevertjes applaudisseren vier dagen lang. bartje zwelt weer van trots.

bartje het bevertje zegt tegen zijn nakomelingen dat ze altijd het rechter deurtje moeten nemen.
ze knikken in koor.
een van de jongere bevers wil niet gehoorzamen.
in plaats van het rechter deurtje te gebruiken, klimt hij in een boom en weet hij dat hij een vogel is.
hij zingt.
bartje bevermans is boos, laat het vogelbevertje naar beneden halen (de brandweerbevers kennen hun job) en vogelbever wordt in de gevangenis gegooid.
Hij krijgt van de zweep en uiteindelijk, na veel martelingen, kreunt hij ‘jaja’ maar in zijn gedachten blijft hij zingen en boven in een boom zitten, zoals alleen een vogel dat kan.

fwiet, fwiet.
‘in mijn hoofd blijf ik een vogel,’ zingt hij, en er is geen bever die hem hoort.

bever

dd 18/4/2013