TIM VAN DE DREEF

Tim is zesendertig.
Hij woont bij zijn ouders.
Hij huurt er een kamer.
Hij heeft geen toegang tot de rest van het huis, behalve tot de badkamer en keuken, maar dan enkel op vaste tijden. De rest van het huis is verboden terrein.
Zijn moeder zet zijn eten klaar. Hij warmt het zelf op.
Hij moet de huur op tijd betalen of hij vliegt buiten.
Hij moet de stilte in huis bewaren.
Zijn ouders controleren iedere dag zijn kamer. Ze kijken zelfs onder de matras en onder het tapijt. Ze kijken in iedere lade en hoek. De kamer mag nooit slotvast.
Tim heeft zijn eigen auto. Het is een mooie sedan. Sinds gisteren is er een grote deuk in de rechterdeur. Dat kwam door de drugs. Een dealer deed dat.
Tim is zesendertig en een paar maanden geleden vond hij nog eens een job. Hij houdt de job. Hij rijdt rond voor zijn baas. Hij levert melk en water voor zijn baas. Een keer per week steelt hij diesel uit de bestelwagen van zijn baas. Een keer per week steelt hij diesel uit een van de vrachtwagens op de parking van zijn baas. Tim weet exact hoe hij zich onzichtbaar moet opstellen. Tim weet exact hoe hij de pomp moet gebruiken. De baas vermoedt helemaal niets.
Ook de pomp is gestolen, maar niet echt. Hij leende ze van de vader van een vriendin en hij bracht ze nog niet terug.
Hij probeerde zo ook drie grote potten tabak uit de supermarkt te lenen. Een een paar flessen vodka. Hij werd al twee keer op heterdaad betrapt. De tweede keer deed het personeel alle deuren slotvast zodat Tim niet weg kon. Er werd luid gegild, dat er een dief in huis was. Tim holde van hier naar daar, zette de supermarkt op haar kop en werd daarna geboeid en weggebracht.

Dat van de supermarkt is een tijd geleden.
Nu is Tim slimmer en steelt hij uitsluitend diesel. Of neemt hij iets weg bij zijn klanten. Of zet hij mensen onder druk en eist hij geld. Hij geeft het zelden terug. Zijn vrienden weten dat en mijden hem. Zijn vrienden zijn zijn vrienden niet meer.

“Hij houdt zich gedeisd. Sinds een paar jaar werd er niets meer aan zijn dossier toegevoegd.”
“Maar vroeger was het redelijk zwaar,” zegt de agent. “Diefstal. Geweld. Drugs.”

Tim is zesendertig. Hij ontwikkelde camouflagetechnieken en verbeterde die. Hij kan mooi praten. Hij doet zijn best en is beleefd als het moet. Hij houdt dat masker vast met beide handen maar hij beeft.

We zien zijn voetafdrukken. We zien zijn beven en we zien zijn stuiptrekkende armen en handen. Onder zijn laagje make-up zien we zijn bleekheid. In zijn ogen zien we, zien we wat?

We zien dat ene in zijn ogen en we jagen hem weg. Hij dreigt en beeft, hij heeft zijn stuiptrekkingen. Hij zegt dat hij de politie zal bellen. Hij steekt zijn vuist op en dreigt nog meer. Hij hoort een sirene. Tims auto staat om de hoek. Tim start en vertrekt. Hij houdt het masker bevend vast en kijkt niet om.

TIM- DERTIG JAAR LATER.
Tim is nu zesenzestig.
Twintig jaar geleden hebben zijn ouders hem uit hun huis gezet.
Sindsdien leeft Tim op straat. Hij slaapt op karton. Hij eet wat hij vindt of krijgt. Hij steelt wat hij kan stelen. Hij bedelt en is nog altijd verslaafd.
Waar hij het meeste bang voor was is nu waarheid geworden: Tim is alleen. Hij heeft geen vrouw aan zijn zijde. Hij kan haar geen verhalen of gedachten vertellen. Hij vindt geen troost bij haar. Hij leeft dit leven alleen, op en onder zijn karton. Hij heeft niks meer en vraagt zich af hoe lang de dood nog op zich zal laten wachten.
Tim heeft het koud. Tim beeft en hij houdt krampachtig het masker vast. Soms valt het en breekt het in tientallen stukjes. Dan lijmt hij het, en houdt hij het opnieuw vast.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s