Er zijn de wouden.
WOUD, WOUDEN
Er zijn de wouden.
Er zijn de wouden.
Er is nog meer. Er is een rivier. Er is een tweede, kleinere rivier.
Een hond zoekt schaduw, anders verbrandt hij zijn poten.
Hou altijd het licht in de gaten – het spel met de bomen, de bossen, het stro, de brug, de stenen in de rivierbedding.
Er is een boer. Er is een boerin. Zij melken de koeien.
Er zijn kinderen.
Het spel met de bossen.
Het spel met de bomen.
Kijk dan toch! Het licht!
’s Avonds, thuis, is ze moe.
Ze zou nog dit moeten
Ze zou nog dat
Ze eet een boterham.
Ze kijkt uit het raam.
Ze ploft in de sofa.
Ze kijkt televisie.
Ze denkt aan het typwerk.
Ze valt in slaap.
De volgende ochtend moet Eleonore terug veel typen.
Ze typt een nieuw verslag.
Ze typt een brief.
Ze herbegint.
Er is geen koffie meer.
Haar baas komt langs.
“Ja, meneer. Nee, meneer.”
“Vetzak,” denkt ze.
Ze typt.
Ze typt.
Lunch.
Ze typt.
Ze typt.
Ze gaat naar huis.
Ze zou nog dit
Ze zou nog dat
Ze kijkt uit het raam.
Ze kijkt televisie.
Ze gaat naar bed.
Ze denkt aan het typwerk van de volgende dag.
Ze valt in slaap.