
Kieslowski, ‘Trois Couleurs: Bleu’. Still uit de film via google en http://www.jonathanrosenbaum.net/1994/02/eurofilm/ (‘Must see,’ schrijft ‘m)
Drup, drup.
Frankrijk natuurlijk. Parijs.
Gelukkig.
Ze veegde.
‘Maar neen,’ zei ze.

Kieslowski, ‘Trois Couleurs: Bleu’. Still uit de film via google en http://www.jonathanrosenbaum.net/1994/02/eurofilm/ (‘Must see,’ schrijft ‘m)
Drup, drup.
Frankrijk natuurlijk. Parijs.
Gelukkig.
Ze veegde.
‘Maar neen,’ zei ze.

Pierre Soulages, Peinture 202×452 cm, 29 juin 1979
Diptyque, Huile sur toile
Ze legde het mes terug op de tafel.
Twee meter zou moeten volstaan.
‘Nee, dat touw is niet dik genoeg,’ zei hij.
Ik heb nieuwe bovenburen. Twee mannen en een vrouw. Echt.
Zwart.
(foto: PJW – Gotland, Sweden)
‘Oei,’ zegt het mannetje. ‘Zo veel wolken. Waar blijft het licht?’
En minder dan een minuut later:
‘Aha,’ zegt hij. ‘Daar is het.’

Edvard Munch, 1882 Birch Trees in the Autumn oil on cardboard 39 x 31 cm Private Collection
Via Google maar ook via PoulWebb.
Ze ging naar buiten. Jan liep haar achterna.
Wat doe je? Waarom blijf je niet bij ons?
Omdat ik buiten wil zijn.
Waarom?
Voor de lucht. Voor het uitzicht.
Ja maar, het was net zo gezellig.
Ik wil buiten zijn. Kijk eens naar de bomen.
Bomen? Wat is er met de bomen?
Ze zijn mooi.
Het zijn gewoon maar bomen hoor.
Ja, en ze zijn mooi. Ik ga maar ’s wandelen. Ik wil de toer van de vijver nog eens doen.
Maar het is koud en straks is het donker!
Ja, en dan?
Ik ga niet mee.
Ik heb jou toch niks gevraagd?
Nee. Ik zeg het maar. Ik ga niet mee.
Pf. Ik wandel alleen. Ik dacht zo, misschien moet ik een keer per week gaan vissen, ook alleen.
Vissen? Jij? Vissen is niks voor vrouwen.
Wie zegt dat?
Iedereen. Mannen vissen, vrouwen niet.
Ah bon. En waarom vissen vrouwen niet?
Daarom niet. Die kunnen niet vissen. Die blijven thuis. Die zijn bang van wormen en van glibberige vissen. Die kunnen niet tegen de regen en tegen de wind.
Ik wel.
Blijf toch maar gewoon thuis.
Niks van.
Je bent een rare.
Een rare? Waarom? Omdat ik wil vissen?
Ja. En omdat je het gezelschap van de bomen verkiest.
Tja. Ik begin maar eens aan die wandeling.
Je meent het.
Yep. Dag.

Der Schrei der Natur (The Scream of Nature) (Edvard Munch)
(merci Patrick R., Martin P. en Bob D.)
Ze zeggen ‘Het is allemaal normaal en ze schieten en ze doden en ze laten langzaam sterven.’
De deurbel.
Ze zeggen ‘Het blijft normaal en we hakken een vinger, een hand, een hoofd af.’
Nog eens, de deurbel.
Ze zeggen ‘Het moet want we moeten ja moéten onze man staan en we nemen onze geweren
Ik doe open.
en we maaien wat kinderen en wat volwassenen neer
Het is een verkoper.
en we nemen nog een vracht extra geweren en we maaien de bevolking
De man leurt met encyclopedieën.
of we verkrachten hen eerst en we beginnen met de mooiste meisjes
Ik zeg tegen de man ‘Meneer, het is 2016!’
en dan nemen we de oudere vrouwen, dan de jonge mannen en dan de oudere
De man antwoordt ‘Ja, mevrouw, en dan?’
en dan maken we gehakt van de kinderen, lekker vers en lekker jong
De man zegt ‘Ik moet ook mijn brood verdienen hé mevrouw en daarbij
en we zeggen dat de verkrachtingen en de gehaktmolens, dat zij moeten, moéten,
deze encyclopedieën zijn van alle tijden,
omdat de wereld toch al om zeep is en omdat we willen bewijzen dat wij beter en sterker zijn
kijk maar’, zegt ‘m.
en omdat we dat willen tonen door Uit te Hongeren en door te Verkrachten en door Neer te Maaien, zodat u goed weet dat wij De Grote Bazen zijn
‘Kijk maar naar de prenten in mijn dikke boeken,’ zegt ‘m.
en dat de hele wereld naar ons moet opkijken
Maar ik herhaal ‘Meneer, het is 2016
en dat ze naar onze pijpen zullen moeten dansen of dat wij moorden en zo voort en zo voort,’
en het internet is miljoenen keren groter dan al uw boeken samen, meneer.’
zeggen ze, brullen ze.
De man met de encyclopedieën huilt. ‘Ik heb vijf kinderen en ik heb geen werk en geen geld, mevrouw,’ zegt hij. ‘Ik wil dat mijn kinderen een goede opvoeding krijgen, dat zij studeren, dat zij een mooie plaats in onze wereld vinden.’
‘Maar meneer, een mooie plaats?’
‘Ja mevrouw,’ zegt hij.
‘Denkt u dat die mooie plaatsen blijven bestaan, meneer? Of dat er over tien jaar nog mooie plaatsen zullen bestaan, meneer?’
‘Ja, mevrouw.’
‘Gelooft u dat echt, meneer?’
‘Ja, mevrouw. Dat geloof ik echt. Ik geloof in het voortbestaan van mooie plaatsen.’
Ik koop een van zijn boeken. Geen ganse reeks; het internet is immers miljoenen keren groter dan al zijn boeken samen.
Hij bedankt me. ‘En over tien jaar kom ik terug,’ zegt hij. ‘Met foto’s.’
[sic], [sic] en [sic]

(Afb. : Léon Spilliaert, Fillette au Grand Chapeau, 1909)
Hij ziet de voorbijgangster en hij volgt haar.
Hij wil haar in de zon zien.
Ze gaat de hoek om.
De wolken verdwijnen.
Ze trekt haar mantel uit en draagt hem over haar arm.
Ze schudt de haren los.
Ze begint sneller te stappen.
Ze stopt en bekijkt de boeken in een etalage.
Ze stapt voort.
Ze stopt en bekijkt de schoenen in een etalage.
Hij staat naast haar.
De zon schijnt nog steeds.
Hij vraagt iets.
Ze kijkt hem aan en knikt.
Hier? vraagt hij.
Inderdaad, antwoordt ze.
Maar het is donderdag, zegt hij.
Dat geeft niet, zegt ze.
Is morgen niet beter?
Nee, zeer zeker niet.
Maar toch.
Nee, vandaag. Ze houdt vol.
De zon schijnt nog steeds.
Ze stapt voort.
Hij loopt naast haar.
Pas op, je mantel, zegt hij.
Dank je, antwoordt ze.
(Afb. Leen, 06/2015)
Want:
Dit is goud, mijn beste, en ik strooi met goud, mijn beste, en het kan in poeder maar ook in grote, ronde schijven, groter dan geld, groter dan om het even welke medaille.
Hou het goud vast, beste, zelfs al lijkt het maar poeder, keer het binnenstebuiten, keer het ondersteboven, laat het een beek, een rivier, een meer en een oceaan zijn, laat het de zon –
Hou het goed vast, zelfs al glijdt het poeder je tussen de vingers, tussen het zand, recht naar de zee, recht naar de slakken en kreeften en vissen – hou het goed vast.
Laat het een bloem en wat gras dat nog groen is, laat het een merel, een egel, een gouden draak, laat het een kuiken, een welp, een pup van een ras, anders dan anders –
Laat het in geuren en rood, in hoogtes en geel, in laagtes en knalblauwvermiljoenzwart, laat het in dalen door zon overgoten, laat het in leven, in levens, in langer en meer dan het leven – goud.
(een zin uit de tekst is gebaseerd op Louis Neefs’ ‘Laat ons een bloem’)
(nav Poul Webb art blog, Pauline Ellison, http://poulwebb.blogspot.com/2014/06/pauline-ellison-part-2.html)
(afb.: Pauline Ellison in ‘Master Maid’, a tale of Norway, retold by Aaron Shepard)

Walker Evans, Untitled (Sign: Hanging Christmas Tree), 1973-74.
en
Duizenden, Duizenden
Kaarsen en Lichtjes en Kerstbomen –
Blinken, Schitteren, Glitteren, Schijnen,
Verlichten het huis en de straat en het dorp en het land –
en ondertussen, elders,
Niks.
Modder, vuilnisbelten, honger, ziektes,
Een kind huilt, een moeder weet zich geen raad –
Vele kinderen huilen, vele moeders weten zich geen raad –
Een vader zoekt in de modder en tussen het vuil –
Vele vaders zoeken –
en
Duizenden, Duizenden
Kaarsen en Lichtjes en Kerstbomen –
Blinken, Schitteren, Glitteren, Schijnen,
Verlichten het huis en de straat en het dorp en het land –
“En, Jef?”
“Wat, Nikki?”
“Wat doe je?”
“Ik? Ik doe niks, Nikki.”
“Ja, ik zie het. En wat doe je straks?”
“Straks? Ook niks, Nikki.”
“Jef, verveel je je?”
“Nee, Nikki.”
“Maar Jef, je doet niks!”
“Juist, Nikki, ik doe niks.”
Dorothea Lange Migratory Cotton Picker, Eloy, Arizona, 1940
“Dorothea Lange also believed that ‘to know ahead of time what you’re looking for means you’re then only photographing your own preconceptions, which is very limiting.’ As far as she was concerned it was fine for a photographer to work ‘completely without plan’ and just photograph ‘that to which he instinctively responds’.”
(Geoff Dyer, the ongoing moment, blz 6)
Met dank aan Matti voor de (oude) tip. Het boek, dat op de eerste blz. dadelijk begint met Borges en Whitman (‘whoop! whoop!’ zou ons Leen zeggen) heeft hier lang liggen wachten op lezing. De Leaves of Grass als fotoboek, ik moet het niet herlezen om dat te beamen.
Met veel plezier verwijs ik ook door naar The Grapes of Wrath (De Druiven der Gramschap) van John Steinbeck.