2 maart 2016
WILD
Ze was wild, ik zag het.
Superwild.
Niet enkel haar haren, niet enkel haar bewegingen. Ze was helemaal wild, binnen en buiten, ’s ochtends en ’s avonds, ’s nachts
Ik moest ophouden met over haar te fantaseren.
Ik keek.
Ik keek langer en beter. Dieper.
Ik zag haar wildheid, diep binnenin haar lijf. Hoe ze naar buiten wou. Dat ze wou lopen, springen en dansen. Dat ze wou roepen en schreeuwen. Dat ze wou juichen, joelen, vrijen, tot
Ik zag diezelfde wildheid alle kleuren van de regenboog krijgen.
Duizenden regenbogen tegelijkertijd, en de kleuren schitterden, liepen over en onder en door elkaar heen, in parelende groottes, in ontploffende combinaties, in veel meer dan het diepste blauw en het meest zilveren grijs en groen en oker en som maar op zoals alle brave mensen zouden doen…
Maar hun woorden volstaan niet, noch hun ogen.
Zouden ze het kunnen zien? De kleuren? De kracht? Dat haar wildheid?
Ik zag haar lopen.
Zelf bleef ik staan.
Ik hield mijn adem in.
Haar wildheid kristalliseerde.
Ze vervormde, ze vormde, ze bolsterde, ze ontbolsterde.
Haar wildheid werd een ruwe diamant.
Haar wildheid nam weer al die kleuren
Haar wildheid werd miljoenen mensen, bossen, bergen, zeeën, dansen, vulkanen, fragmenten. Overal verspreid tot ver buiten de stad waar we ons in bevonden.
Wild, zeg ik je.
Wildheid, zeg ik je.
In al haar pracht.
Langzaam. Zo zeker. Zo onmetelijk. Zo krachtig.
Omgeven door een beschermende mantel.
Blootgelegd, voor diegenen die kunnen en willen.
Bolster, ontbolster.
Zij.
Met haar oneindige flitsende fragmenten, met evenveel zandkorrels die schitteren in de woestijnen, die niet langer zandkorrels zijn, maar goud, meer goud, wit goud, bergen goud, vulkanen met al het goud van alle banken en mijnen en rivieren van de wereld, smeltend tot lava.
Zo wild.
My god.
Het goud, de kleuren, de vulkanen. Zo wild.
Zij, goud, kleuren, zandkorrels, witgoud.
(Afb.: Per Kirkeby, New Shadows V, 1996)
ROOD
Hun agenda’s met veel rood zijn passé.
Nu zitten ze daar.
Zij: met een breiwerk, met een lappendeken, met een kruiswoordpuzzel.
Hij: met het voetbal.
Er is te weinig voetbal op tv, vindt hij.
Hij gooit met de afstandsbediening. Twee minuten later zegt hij dat het hem spijt. De volgende dag gooit hij terug met de afstandsbediening, zegt twee minuten later dat het hem spijt, neemt een duurder kabelabonnement, kan vanaf dan de klok rond voetbal kijken, juichen, boos zijn op een speler, boos zijn op een trainer, juichen, geeuwen, matchen een tweede keer bekijken, ’s ochtends en overdag en zelfs ’s nachts.
Zij bereidt nog altijd de maaltijden.
Hij heeft honger, hij heeft geen honger, hij wil een glas wijn bij het eten, hij wil een glas cognac na het eten, en in de namiddag, en ’s avonds, twee.
De batterijen van de afstandsbediening zijn plat, er zijn geen batterijen meer in huis, hij gooit met de afstandsbediening, hij zegt dat het hem spijt, zij zegt dat het haar spijt, misschien hebben de buren?
En op haar pantoffels klimt ze naar de hogere verdieping en belt ze aan bij de jongere buren.
Maria, Maria, wat doe je toch? vragen ze, het is al zo laat!
Maar ik moet batterijen, zegt Maria, hebben jullie?
En de bovenburen gaan mee naar beneden en steken de nieuwe batterijen.
Hij kijkt weer naar het voetbal en glimlacht en bedankt.
Zij vraagt of de jonge bovenburen ook een cognac?
Maar zij zeggen nee, dank je Maria, en dat het fijn is dat hij nu terug televisie en ja, voetbal is belangrijk, de mensen, zie je, en ze nemen afscheid want het is al laat en Maria neemt haar breiwerk en tikt tikt of zou ze kruiswoorden? maar gaat dan toch slapen. En hij juicht want een doelpunt en waar is de fles weer? Maria?
Afb.: Still uit een van de Dekalogen van Kieslowski.
MAANDAG
“Yep.”
“Spreek Nederlands.”
“Nope. En daarbij, Stefan, ‘Yep’ is korter dan ‘Ja’.”
“Doe niet zo stom.”
“Pff.”
“Breng me gewoon die bak mee.”
“Nee.”
“Moet ik dan zelf rijden?”
“Ja.”
“Maar jij rijdt naar het dorp. Dan kun je dat toch makkelijk doen?”
“Nee.”
“Trut.”
“Eikel. Haal ‘m zelf. Ik doe het niet. Niet meer. Voor niemand. Ook niet voor jou.”
Stefan schoof aan in de rij aan de kassa. Een kar had hij niet genomen en de bak stond aan zijn voeten.
“Kieke,” dacht hij.
Zij had die bak gerust voor hem kunnen komen halen.
Hij tilde hem op om hem te laten scannen.
“Duvel, meneer?”
“Begin jij ook al?” snauwde Stefan.
“Ik zou niet durven, meneer.”
Hij betaalde en droeg de bak naar buiten.
(Afb.: Edward Hopper, Hotel by a Railroad, 1952.)
HANDEN
DANNY

Installing Soll LeWitt. Foto Van Jason Stec, via Artic Edu (via google)
(Voor al de Danny’s)
Danny is fietsenmaker en hij pompt de banden op en brengt de fietsen in orde
en doet voort en herstelt het voorlicht van de fiets van zijn buurvrouw
en de remmen van de fiets van de bakkersdochter
en de koersfiets van de zoon van Jan
en de kruiwagen van de overbuur, want Handige Harry is hij, Danny
en hij herspaakt en soldeert en monteert en test een nieuwe soort banden
en hij verkoopt ook goede pedalen met reflectoren of zonder
en hij heeft ook aanhangwagens voor fietsen
met keuring
en hij herstelt ook vandaag weer
en hij bekijkt zijn voorraad kinderfietsen en denkt mmmmmm
en de dames- en herenfietsen in alle maten
en de nieuwste zadels die minder verkopen dan hij verwacht had
maar eerst moet hij een nieuwe reeks fietsen monteren
en hij neemt een set sleutels en de spaaksleutel
en het vet voor de ketting
en hij test het verzet
en kijkt op en ziet het overbuurmeisje in haar zomerse rokje
– haar ouders kochten vorige week een nieuwe fiets voor haar en Danny vond het een eer en een genoegen –
en hij werkt voort
hij keurt het voorwiel en het achter-
hij probeert het voorlicht en het achter-
hij voelt even aan de spaken
en hij kijkt weer op en het overbuurmeisje wuift hem toe en ho la la ze steekt de straat over en ze staat nu vlakbij hem en ze zegt dat ze zo blij is met haar nieuwe fiets en ja de kleur is goed en ja het zadel en de bandenspanning natuurlijk alles in orde
en hij vond het alweer een genoegen en hij kijkt haar even na, Danny
en doet voort.
ZON-DAG
….
Voor de meerderheid van de hedendaagse vierders beperkt het grote christelijke feest zich tot twee riten: min of meer dwangmatig al dan niet nuttige dingen kopen, en schransen, of mensen uit hun vertrouwde kring laten schransen, in een onontwarbare mengeling van gevoelens, waarbij gelijkelijk meespelen de lust iemand plezier te doen, uiterlijk vertoon, en de behoeft het er zelf eens van te nemen.
….
Al ben ik niet katholiek……, ik voel me niettemin geroepen dit feest, zo rijk aan betekenissen, te vieren, …..
….
Het is het feest van de mensen van goede wil, zoals een prachtige formulering luidde, die helaas niet altijd meer wordt teruggevonden in de moderne evangelievertalingen, ….
….
Het is het feest van een maar al te vaak veracht en vervolgd ras, want als joods kind verschijnt de Pasgeborene ….
….
Het is het feest van de dieren die deelnemen in het heilig mysterie van deze nacht, ….
….
Het is een feest van vreugde, maar ook pathetisch getint, want dat kindje dat aanbeden wordt, zal eens de Man van Smarten zijn.
….
Het is tenslotte het feest van de Aarde zelf, die men op de iconen van Oost-Europa vaak ziet neergeknield op de drempel van de grot waar het kind geboren wilde worden, van de Aarde die in haar baan op dat moment het punt van de winterzonnewende passeert en ons allen meevoert naar de lente. En om die reden was het, voordat de Kerk die datum heeft vastgesteld als de geboorte van Christus, reeds in de oude tijden het feest van de Zon.
Ik denk dat het geen kwaad kan aan deze dingen te herinneren, die iedereen weet, en die zovelen van ons vergeten.
Marguerite Yourcenar, 1976. De Tijd, de grote beeldhouwer, 10. Feesten van de jaarkring, Kanttekening bij Kerstmis.
DE REVOLUTIE

Foto: Stefaan Debreuck
Dit is ons nieuwe model.
Koor: Ooooh!
Hij blinkt.
Koor: Ja!
Hij is baanbrekend.
Koor: Ja!
Hij is ongezien.
Koor: Ja!
Hij zal de concurrentie platwalsen.
Koor: Ja!
Hij zal alle verkooprecords verpulveren.
Koor: Ja!
Hij rijdt het beste van allemaal!
Koor: Ja!
Hij verbruikt het minste van allemaal!
Koor: Ja!
Hij heeft de beste prestaties.
Koor: Ja!
Hij heeft de nieuwste technologieën!
Koor: Ja!
Hij is de beste, de innovatiefste, de mooiste!
Koor: Ja!
Enkel metaalkleuren.
Koor: Ja!
De beste prijs!
Koor: Ja!
Het minste onderhoud.
Koor: Ja!
Het beste gevoel voor de chauffeur.
Koor: Ja!
Hij staat ons op ons lijf geschreven!
Koor: Ja!
Hij staat iedereen op het lijf geschreven!
Koor: Ja!
Hij is een droom die werkelijkheid wordt.
Koor: Ja!
Hij wint gegarandeerd de prijs van het jaar!
Koor: Ja.
Hij zal de geschiedenis ingaan als de revolutie!
Koor: Ja!
Hij is nu al leverbaar.
Koor: Ja!
Jullie moeten hem kopen!
Koor: Ja!
Jullie moeten je haasten!
Koor: Ja!
KAMER 202

‘Le professeur K.E. Schreiner, qui s’efforçait de guérir Munch de sa névrose et de ses insomnies, trouva en lui un patient extrêmement récalcitrant qui craignait de perdre son élan créateur – témoin un autoportrait, un dessin dans la tradition de la « Leçon d’anatomie », où il se représente allongé sur une table de dissection, la poitrine béante, face au docteur Schreiner. Sa force morale est évidente ici : qui, osant regarder la réalité en face, a le courage, en outre, de la représenter aussi crûment ?’
Tektst + afb.: Blz. 94-95 in J.P. Hodin, ‘Edvard Munch’, Traduit de l’anglais par Catherine Cheval.
. Geef me mijn pantoffels.
. Geef me mijn krant.
. Roep de verpleegster.
. Haal de dokter.
. Zet die bloemen ergens anders.
. Breng dat flesje mee.
. Doe niet zo stom.
. Zwijg.
. Ik weet het beter.
. Ik weet het beter dan iedereen.
. Ik zal het toch wel weten, zeker?
. Hier, steek dat weg.
. Kom om zeven uur terug.
. Hoezo, dat gaat niet?
. Dat moet.
. Help me.
. Ik slaap niet ’s nachts.
. Breng die pillen mee.
. Je moet.
. Help me.
. Zwijg.
. Waar is mijn krant?
. Je kent er niks van.
. Ik zal jou eens wat vertellen.
. Verdomme.
. Klote.
. Help me.
. Zwijg.
. Help me.
. Zwijg.
. Help me.
DUIVENMELKER
Pablo Picasso, The Pigeons, Cannes, 1957.
Vijf duiven? Waarom?
Ik wil duivenmelker worden.
Hoe kom je daar bij?
Gewoon. Ik wil duivenmelker worden. Al lang. En nu zal ik dat doen. Ik wil met vijf duiven beginnen. Lid worden van een duivenvereniging. Er meer over lezen, veel meer. Er met de andere leden van de vereniging over praten. Aan wedstrijden deelnemen.
Is de duivensport niet duur?
Ja, dat kan. Maar ik heb geld. En ik begin met amper vijf duiven.
En een hok?
Ja. Ik koop dat, kant en klaar.
Bestaat dat dan?
Ja, natuurlijk.
Wat vindt jouw vrouw ervan?
Niks. Die zegt dat ik moet doen wat ik wil doen. Het is mijn leven, zegt ze.
En jij wilt duivenmelker worden.
Ja. Duivenmelker zal ik zijn.





