RODER DAN

Ze zal vertellen dat ook Zij uit het woeste schuim is geboren, dat haar kracht de kracht van de zon evenaart.
En dat het grote zowel als het kleine
En rijk als arm

Dan zal ze zeggen dat hoger dan hoog en dat heter dan heet, dat roder dan rood en dat dieper dan diep

En dat de wortels van bomen en struiken, van groenten, van bloemen en gras tot verder dan ver, zelfs tot de overkant reiken

En donder en bliksem

En hemel en aarde

En zonnen.

Maar dan zal ze zwijgen. In het diepste van onze aarde, zie je, in dat diepste –

(1/5)

TWEE EENDEN, DRIE FAZANTEN

Maar die splinter, mijnheer Macharis, is een hertenbreker. Mijn hert is in drie. Ziet u? Ja, goed kijken. Ja, echt, drie.
En die splinter, mijnheer Macharis, is onvindbaar. Ik zocht. Ik begon in de kelder en ik zocht tot op de bovenste, ongebruikte zolder, die met de mooie balken. Ik keek ook in de schuur, en op de zolder van de schuur, en in de loods, en in het beekje achter de loods en in het bos over het beekje.
Hij is onvindbaar.
(Ik kwam wel twee eenden en drie fazanten tegen en het water in de beek staat vrij hoog. Gisteren liep ik ook over het pad tussen de velden, er staan nog geen nieuwe gewassen, enkel vele hectaren fris, groen gras, het moet goed gras zijn want de hond heeft er uitgebreid van gegeten. En gisterenavond scheen de maan door de bomen, ik dacht dat ik in een verhaal van Poe zat, misschien is dit alles een verhaal van Poe, het roepende hart onder de roostering, het hart leeft nog, jaja.)
Waar was ik? De splinter. De hertenbrekersplinter. Nee ik weet het niet. Nee natuurlijk niet, daar doe ik niet aan. Ik zal nog eens zoeken, waar zal ik beginnen?

ZZ

Het zit in mijn hoofd.
‘Het’ is een oorwurm. Hij kroop naar binnen, kreeg vleugels, fladderde, fladdert.
‘Het’ zoemde.
‘Het’ zei doordringend: ‘Doe het, doe het, doe het, doe het’.
Dus.
Uiteindelijk deed ik.
Maar het zoemen bleef.
Dus.
Deed ik nog eens.
En het bleef.
Ik deed nog eens.
Het bleef.
Ik deed nog eens.
En het bleef en het zoemde, en ik deed, en het zoemde, en ik deed, en het zoemde, zoemde, zoemt nog steeds.

HET WAZZ EN HET IZZ

Het izz wat het izz, zei hij en het was mooi weer en er was veel volk en ja dus, zelfs Mijnheer De Minister.
En hij dacht het is voor mijn werk en ondertussen stond zijn loon al op zijn bankrekening en zijn vrouw vond dat goed en thuis sorteerde en poetste ze nauwgezet voort en zette elk beeldje elke foto stipt op de juiste plaats.

Het izz wat het izz zei hij ’s avonds ook, op zijn pantoffels sloffend door de woonkamer, keurend, en of hij het goed vond, vroeg zij, en hij herhaalde dat het izz wat het izz.
En nog wat later gingen zij slapen.

De volgende ochtend zat hij aan tafel en dronk hij koffie door haar geserveerd en hij moest stilletjes  lachen want het wazz wat het wazz en hij kon daar mee leven.
Jaha ’t izz ’t een en ’t ander zei zijn vrouw en of hij al wist en of hij gehoord had maar nee, zei hij, en dat het izz wat het izz.

Ach zei ze en oei zei hij en ocharme en het kan niet of het kan juist wel en het kan beter of het kan mooier maar het is een nieuw seizoen en dan zou het moeten lukken en och en nee en ja, antwoordde ze, maar ja, zei hij dan weer, het izz wat het izz.

Is hij er nog niet vroeg zij nee ik heb de auto nog niet gehoord zei hij maar misschien staat hij er al ik zou eens moeten kijken, zei hij.
Den Hans is wel een goeie vond zij en hij is altijd beleefd zei zij en ja maar hij kent ook grapjes zei hij en soms rijdt hij wel wat snel ha maar hij is er.

Dan is het tot vanavond misschien? vroeg zij.
Dan is het tot vanavond misschien? vroeg zij nog eens.

Hij zuchtte diep en zei het izz wat het izz en ik weet het nog niet maar ik zal je wel bellen.
Jaha, zei zij, of den Hans zal me bellen en ga nu maar snel ik zal het huis en ik zal nog eens naar de stad en ik zal de tuin en ik zal die en die ook nog ontvangen.

MAAR

  • het is het kind in de traphal van de derde verdieping
  • het is haar kaaklijn
  • het is de volle maan, de halve, de sikkel
  • de bijna-ochtend
  • het blauwe van de foto
  • haar frêle schouders
  • zijn kaaklijn
  • de rechtse boom
  • de huppelende ekster
  • de structuur van het papier
  • haar ogen
  • die laatste blik
  • de schittering
  • een enkel woord
  • de herhaling van ‘all things grow’
  • het plankton, natuurlijk, en het zand van de Sahara
  • de mini-blaadjes van de pannenkoekenplant
  • de druppels van de verstuiver
  • de kleine narcissen
  • de madelieven in het gras, winterhard, blijkbaar
  • haar foto van de puzzel
  • haar lach, haar glimlach
  • de krop in de keel, hoorbaar
  • Cervantes, Joyce, Lucebert
  • de landweg
  • het klokje, tikkend
  • dat a terrible beauty
  • de smaak
  • vijf kilo prei die uit de lucht komt vallen
  • haar blonde haren, haar echtheid
  • Mark is zijn naam, Veerle is haar naam
  • het is of ik in Malderen woon, maar ook de route langs de brouwerij, en het paardenpad
  • de man van vier uur
  • het is, het is alles

STOER

DE VLIEG.
Vlieg is bijzonder stoer en ze klopt zich op de borst.
“Ik ben dé vlieg,” zegt ze met luide basstem.
De andere vliegen kijken verveeld.
“Ben je daar weer?” zegt een van hen.
“Ja, ik ben dé vlieg,” zegt Vlieg.
Haar soortgenoten hebben ondertussen hun hoofd weer afgewend en kijken voort naar een film; mensen wervelen over een dansvloer en lijken een spel te spelen, dansend.
De vliegen kijken gebiologeerd en proberen het dansspel te begrijpen.
Stoere Vlieg gaat nu, breed gesticulerend, in hun gezichtsveld staan.
“Jullie moeten naar mij kijken en niet naar die mensen,” zegt ze.
De andere vliegen staan op en gaan de zaal uit. Buiten nemen ze vriendelijk afscheid van elkaar en vliegen ze naar huis.

NERGENS

3. ‘ACHTER’.

HET GRAAN
De mensen beseffen dat het hele graangebeuren, inclusief het spel van de wind met de aren, een minutieus opgezette show is

Want het graan bestaat niet meer, noch de velden.

RIJK, RIJKER (2)

HET BOEK
Iemand is het vergeten het ligt daar te liggen zou ik het mogen nemen de titel lijkt goed en ook de coverfoto en het is niet te dik het kan gerust in mijn tas ik zal eens rondkijken is er iemand in de buurt van wie het zou kunnen zijn of zal ik een tiental minuten wachten misschien beseft de eigenaar net op tijd dat hij of zij het hier heeft achtergelaten en dan kan ik hem of haar zeggen dat ik er op heb gepast?

Ik wil dat boek ik krijg nooit een boek wij kunnen dat niet betalen zegt mijn moeder en ze wil met mij niet naar de bibliotheek en ze zegt dat boeken voor slimme mensen zijn  en wij zijn niet slim zegt ze en dat wij dat nooit zullen worden en bovendien zijn wij arm zegt ze en arme mensen lezen geen boeken.

Zou die eigenaar echt niet komen want dan is dat boek van mij en ik ben de eerlijke vinder ik heb er tien minuten op gepast en ik heb echt echt gewacht maar nee er komt niemand dus nu is het boek van mij en kan ik het lezen wacht ik verstop het in mijn tas en als mijn moeder iets vraagt zal ik zeggen dat ik het gevonden heb en dat ik het zal lezen want het is een mooie titel en ik vind het een mooie foto en het papier is mooi en ik zal de letters koesteren en ik zal het goed bewaren en het voor de rest van mijn dagen bewaken.

RIJK, RIJKER

DE SCHOEN
Mijn naam is Schoen en ik ben doortrapt.
Ik heb mijn leven achter de rug en nu rijg ik niet-bijpassende veters door mijn gaten; ik heb geen andere.
Bestaan er schoenherstellers die gratis herstellen? Want ik heb geen geld voor operaties.

Ik heb goed gediend en ik had een rijk leven. Mijn eigenaar en ik zagen bergen en zeeën, dorpen en steden, mensen en dieren. De door ons afgelegde kilometers zijn ontelbaar. Ik heb geen logboek bijgehouden maar ik heb veel herinneringen en beelden in mijn neus.

Mijn eigenaar was mijn enige mede-wandelaar, maar hij heeft nooit geweten dat ik kon kijken, denken en zelfs praten. Ik had mijn evenbeeld aan die andere voet, links van mij, maar die schoen was enkel een dood object dat niet voor zichzelf kon denken.

Nu ben ik oud en heb ik mijn leven geleefd en doorleefd. Mijn onderzijde is flinterdun, vertoont gaten en zou eens mogen hersteld worden. Binnenkort word ik bij het vuil  gesorteerd en dan is het voor altijd gedaan, dan zal ik niet meer stappen en krijg ik eeuwige rust.

MISSCHIEN EEN ZONDAG

DE FIETS
Het is mooi weer en ze haalt de fiets uit de stalling.
Ze begint aan haar tocht: het eerste deel is bergaf, richting het centrum van het dorp, ze moet amper trappen en haar witte jurk wordt gedragen door de wind en het licht.

Ze kijkt recht in de zon.
Het is het eerste licht van de lente.

Hoe de warmte op haar huid?
Hoe de huid beweegt met het trappen?
Haar lichaam?
Haar haren?
Haar witte jurk?

Ze heeft het oude fietstempo teruggevonden. De schouders recht, de handen het stuur omklemmend, de benen en voeten gestaag trappend, soms harder, soms minder.
De zon
Het licht
Haar witte jurk
Haar haren

Ze kijkt naar de lucht, droomt weg bij de wolken, zijn zij een paard en een draak, vandaag?
Ze trapt en ze trapt, de jurk, het licht, de blote armen, haar blik.

Terug in de straat van haar huis springt ze van de fiets voor die helemaal stilstaat en loopt ze kort mee tot zij en de fiets helemaal willen stoppen. De kracht van haar voeten en kuiten, het stralende wit van de jurk, bijna in rust.