ZEG NIET DAT HET NIETS IS

‘Ssssst, het is niets.’

‘Jawel. Zeg niet dat het niets is. Het is erg. Heel erg.’

‘Maar het gaat over. Het zal wegebben.’

‘Zeg ook dat niet. Het gaat niet over. Het ebt niet weg. Het blijft. Het is als een scherp stuk metaal dat in onze lijven zit en blijft zitten. We zullen er zacht moeten mee omgaan om de pijn niet te veel te voelen. En de angst voor de pijn. We zullen onze ogen moeten sluiten en moeten denken dat het stuk snijdend metaal er daardoor niet meer is. Maar het zal er altijd zijn.’

‘Ssssst, het is niets.’

‘Jawel. Laat me huilen. Zeg niet dat het niets is. Troost me, maar laat me huilen. Haal dat ijzer uit mijn lichaam. Snijd. Hier, ik geef je een mes. Doe het. Snijd de pijn weg.’

‘Ssssst, het is niets. Het is echt niets. Het gaat weer over.’

‘Nee. Niet waar. Het gaat niet meer over. Het blijft. Zelfs met onze ogen gesloten zal het blijven. Maar ik wil het weg. Hier, snijd dan. Toe, doe het. Haal mijn been eraf, mijn hand, mijn arm, mijn borstkas, mijn hart. Doe maar. Snijd het weg want ik wil de pijn niet meer voelen.’

‘Ssssst, het is niets. Ik beloof het je. Het is echt niets. Kijk maar. De zon komt weer op, morgen, overmorgen. Het is niets, zeg ik je.’

‘Jawel. Snijd. Doe het. Snijd het weg, haal het uit mijn lichaam.’

‘Ssssst.’

‘Nee. Ja. Zeg niet dat het niets is. Zeg ook niet dat ik moet zwijgen. Snijd het weg, please.’

Londerzeel, 22 maart 2016.

HET IS EEN ZEIL EN HET LEKT

ld6
LD6 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Ze gaven me kleren. Het was een aalmoes. Ik moest dankbaar zijn, zegden ze. Dankbaar ook, voor het voorlopige dak boven mijn hoofd.

Er is geen dak. Het is een zeil. Het lekt.
Mijn jongste broer is ziek. Er is geen dokter, er zijn geen medicijnen.
Het dak is echt helemaal lek – het is een vergiet.
Ze kwamen me halen en ze hadden goede bedoelingen, zegden ze.
Maar ook daar was het dak lek.
De andere vrouwen waren nagenoeg naakt.
Allemaal samen, naakt en koud, onder een lekkend zeil dat beschutting zou bieden.
Geen beschutting.

Ik kon terug naar mijn broer. Ik mocht me gelukkig prijzen, zegden ze.
Hij was nog zieker.
Twee dagen later was hij dood.
‘Uw muren en daken lekken,’ schreeuwde ik.
Ik nam een parlofoon en liep door de modderstraten. Telkens dezelfde zin. Ik schilderde het op de zeilen, op de omheiningen, op hun auto’s. Overal. ‘Uw muren en daken lekken,’ met grote halen, met luide stem, overal.

FATIMA XXXIV, IN KLEUREN

ld5
LD5 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Ik zei dat ik zou proberen om in kleuren te leven. Blauw was de eerste kleur, zei ik. Daarna zou ik rood, geel, groen toevoegen.
Ik wist niet waar ik moest beginnen.
Ik raapte mijn gereedschap bijeen, maakte mijn valies en stapte in de auto.
Ciney? Dinant? Remouchamps? De tweede brug over de Amblève, richting Aywaille? Of in de andere richting? Trois-Ponts? De Ninglispo?
Ik was er al lang niet meer geweest.
Blauw, ja. Blauw was de eerste kleur.
Honderdveertig kilometer. Ik reed ze in een ruk, natuurlijk. Ik zocht het restaurant. Daar. Leeg en vervallen. Even verder, het wegeltje naar boven.
Mijn rugzak woog.
Ik klom.
Bijna.
Nog tweehonderd meter, schatte ik.
Blauw. Blauw was de eerste kleur, dat wist ik nu wel zeker.

FATIMA, NEXT : NOEST

ld4
LD4 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Noest.
Ik.
Kijk, mijn handen.
Noest.
Ik.
In het zweet en in het eelt. Kijk, mijn handen. Noest.

Ik neem mijn
emmer, vod, mijn dweil, mijn borstel, mijn vuilblik en mijn vuilniszak.
Ik poets.
Ik neem mijn kuisproducten en mijn groene doeken, rode doeken, gele doeken, swiffer en et cetera.
Blinken doe ik, wrijven, duwen.
Blinken doe ik, wrijven, duwen.
Kijk, mijn handen, vol met eelt, mijn harde handen, noest.

 

‘Noest’ in de etymologiebank: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/noest1

FATIMA, NOG EEN

ld3
LD3 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

en ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel.
Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna?

FATIMA

ld2LD2 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

1.  FATIMA
Van mij. Helemaal. Niks af te geven. Niks te declareren. Gekregen. Ik. Het was koud. Ik bevroor. Uit de lucht komen vallen. Van mij. Ik geef niks terug. Uit de lucht, zeg ik. Nee, niet gestolen. Natuurlijk niet. Ik ben geen dief. Vast. Vasthouden. Van mij. Mijn naam staat erin. Helemaal. Ja, speciaal. Nee, niet nieuw. Nee, niet alledaags. Mijn naam. De mijne.

2. FATIMA
En ze stopten me in een kamp en ik moest bevallen en het kind is dood het was te koud er was niks er was een man die me heeft geholpen die heeft het kind
Het was zo koud het regende er was geen warm water er was geen verwarming er was geen eten er was helemaal niks.
Miezer.
Huilende kinderen. Huilende kinderen van anderen.
Het mijne is dood. Dood.

Het was te koud. Koud.

Er was niks. Niks.
Geen warmte geen licht geen liefde geen behoedzaamheid geen mensen geen hulp geen noodziekenhuis geen dokter. Geen.
Enkel die man.
Die vreemde.
Hij hielp me.
Het kind is dood.
Het is niet.

NIET HIER

ld1
LD1 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Ik? Ik ben er niet. Ik ben hier niet. Ik ben niet hier.
Ik hou me gedeisd binnen mijn eigen hoofd.
Ik zie het gebouw niet, ik zie de straat niet, ik zie de stad niet, noch de wereld.
Want.
Dit bestaat niet.
Want.
Het is een reproductie.
Want.
Het is een bouwval.
Want.

Ik heb het koud, ik wil de zon. Ik trek mijn mantel uit. Ik ben niet hier. Ik ben NIET HIER. Ik heb het koud en trek mijn mantel uit en laat de zon mijn huid

Ik laat de zon mijn huid aanraken. Ik laat me door haar opnemen. Ik laat me door haar innemen. Ik baad mijn voeten in het gras en in het licht. Ik laat mijn ganse lichaam ademen. Het ademt lucht, het ademt licht, het ademt gras en groen en al de velden. Het ademt alles, maar niet hier. Het is hier koud. Het is hier niet. Het is NIET HIER.

ZE TELT DE MADELIEFJESBLAADJES, ZEGT ZE.

van gogh sterrennacht

‘Een dag, een nacht, een dag, een nacht.

Ik tel.
Ik tel de madeliefjesblaadjes.
Hoeveel dagen, nachten jou van mij en mij van jou nog zullen scheiden.
Ik tel en meet de uren, dagen en ik weet; zij zijn veel meer dan dat, zij zijn ontelbaar en onpeilbaar, zij zijn eindeloos en o, verdomd, zo eeuwig en onmeetbaar, eeuwigheid, altijd.

Want jij en ik, wij zijn

onmetelijk

gescheiden door de grote oceanen,
door de zon- en melkwegstelsels,
door het al, van zon en maan.

Onzichtbaar, onze einder.
Onbereikbaar, onaantastbaar.
Ergens, elders, nergens en onmogelijk aanwezig, maar altijd toch ook: overal.

Ik tel.
Een nacht, een dag, een nacht, een dag, maal honderdduizend, maal veertig biljoen, triljoen, maal de dieptes, maal de hoogtes. Alpen, Himalaya’s,  lavastromen, ondergrondse watervallen en de dieptes van de gouden bronnen en de al verzengende en ongeziene kern van onze aarde.

Eeuwig.

O.

En dag, een nacht, en dag, een dag, en dag, een nacht, en dag, een dag.

Ik tel.
Ik tel de madeliefjesblaadjes die ons scheiden.
Ganse velden en de vele continenten, gans de aarde en de duizenden planeten, vol wit en goud en wit en goud, en een en twee en tien en vierenveertig machten van de hogere miljoenen,

onbereikbaar, elders, nergens.
Overal maar niet te vatten, onaanraakbaar, verder dan het verre weg.’

 

Afb.: Vincent van Gogh, De Sterrennacht, 1889.
Gedoodverfde afbeelding, maar hier niet.

 

JAWEL

paul klee daemonische marionet

 

Ik wil dat nu niet doen.
Waarom niet?
Omdat ik te lui ben.
Maar je moet!
Ik moet niks.
Jawel je moet dat lezen.
Nee.
Je moet weten wat er in staat.
Nee.
Dan blijf je dom.
Dan blijf ik maar dom. Maar ik ben niet dom.
Nee, maar je moet het toch lezen.
Ik doe het niet. Later, misschien.
Mag ik daarop rekenen?
Nee. Misschien lees ik het nooit.
Maar je moet.
Ik moet niks.
Je moet het lezen.
Nee, dat moet ik niet.

*
Jawel, je moet dat kopen.
Nee.
Je moet weten wat het is om zoiets in jouw bezit te hebben.
Nee.
Dan moet je voort zonder.
Ik kan best zonder.
Dat denk jij.
Ja, dat denk ik. Nee, nog beter; ik weet honderd procent zeker, dat ik zonder kan.
Maar je kunt het later kopen.
Misschien.
Jawel, koop het later.
Ik ben dat in feite niet van plan.
Maar je moet.
Ik moet niks.
Je moet het kopen.
Nee, dat moet ik niet.

Afb.: Paul Klee, Daemonische Marionetten

LET THIS BE A LESSON. HELEMAAL LINKS HOOP OP BLAUW, MET DRIE VOGELS.

(Lecture 12, History Painting after Two World Wars: Anselm Kiefer’s Die Ungeborenen)

Waarom weet ik niet, maar het doet mijn hart sneller slaan. Het moet aan het beeld liggen, aan dit ene beeld. Ik kan er amper naar kijken. Na minder dan een halve minuut moet ik mijn blik afwenden. Ik moet aan iets anders denken. Ik kijk naar buiten, rechtsboven, ik zie een merel voorbijvliegen, ik zie de toppen van de bomen. Ik hoor de eerste auto’s van de dag.
Ik keer toch terug naar het beeld.
Ik kijk.
Ik kijk.
Ik wend mijn blik af.
Ik kijk naar buiten.
Nog een auto.
De toppen van de bomen bewegen. Amper.
Grijs.
Helemaal links hoop op blauw, met drie vogels.
Ik keer nog eens terug naar het beeld op mijn scherm, maar enkel in gedachten, en ondertussen kijk ik naar de letters en woorden die hier voorbij glijden. Ik stop met typen, even. Mijn gedachten keren nog eens terug. Ik klik het beeld weer naar voren. Ik sluit mijn ogen en heropen. Blik weg, rechtsboven, toppen van bomen, hoop op blauw nog steeds links maar nu ook rechts. Millimeters.
‘Muziek?’ denk ik. Nee, geen muziek. Links, blauw. Het beeld, nogmaals. Adem. Dieper. Blauw, links. Rest grijs. Geen auto. Wel een auto. Ik klik het beeld terug naar boven. Kijken, wachten dat geen wachten is, kijken naar buiten, blauw, blauwer, beeld, geen beeld, auto, geen auto, terug, in het beeld, uit het beeld, buiten, rechtsboven, nog meer nu.
‘Secondenwerk van het blauwe,’ denk ik.