EEN DIK GORDIJN VAN GROTE VROLIJKHEID

brazil1

Terwijl een dik gordijn van grote vrolijkheid
de straten en de huizen vult
en mensen (mee in geel en groen en rood en blauw)
de samba dansen en een ander, nieuwer lied

terwijl de wereldpers –
terwijl de kijkers, groot en klein en dik en dun
en andere, van jong tot oud tot jong en nog eens terug
en honden, papegaaien, katers en kattinnen, varkens,
spinnen, olifanten, dromedarissen, kameleons en uilen,
spechten, luipaarden en ezels, muizen, hazen, fabeldieren

en zo voort
zo voort
zo voort (ref)

met, altijd, televisie- en computerschermen voor de neus
en in de hand
en op de grootste muren
en met vlaggen, wimpels, pruiken, T-shirts, petten,
sokken, stickers, lolly’s, bollen van atomiums,

en nog een lading vlaggen, twee, drie, twintig, vijfenveertig
cargoschepen groot en hoog, prullaria om Belgisch, Duits
en aller landen feest te vieren
het allergrootste feest, op podia, zo goud, zo geel,
vol zang en dans
en met een dik gordijn van grootse vrolijkheid die straten,
huizen, hoofden, kelen, schermen aller landen vult,
en de planeten en het zonlicht overstijgt
en trommels spelen doet, concerten, zalen vol, de dreun van
carnaval tot in het regenwoud, met al zijn bomen, nat van tranen

terwijl er kranten, boeken, tabloids, tablets, smartphones,
schermen van vijfduizend op vijfduizend meter
volgeschreven worden, en de foto’s elk een dik gordijn
van grote vrolijkheid beloven, die de straten, huizen,
mensen aller landen vult en blij maakt en verenigt

staat een kind, wat doet het? Wacht het? Lacht het, huilt het?

– “Neem de eerste straat links en dan de grote steenweg op, ja, die steenweg of is het een autostrade die ’s ochtends in die richting en ’s avonds in de andere richting, de spits, ziet u, en dan de brug onderdoor (we zijn wel degelijk in Rio) en dan, wat verder, links, bij de ingang van het winkelcentrum de McDonald’s en o ja, let op onder de brug, zorg ervoor dat u niet alleen bent en loop bovendien nooit alleen of zelfs niet met twee over het strand van Copacabana, ’s avonds, weet u, en vanaf dat strand nog verder en niet zo heel lang doorrijden, daar ziet u de eerste Favela’s, wel, beste toeristen, wij raden u aan om u daar niet in te begeven, het is er gevaarlijk, ziet u, het gevaar van de armoede staat op de straathoeken, wat zeg ik, in iedere deur van iedere steeg, let op, mensen, want wij kunnen uw veiligheid niet garanderen, zelfs niet op de weg naar de McDonald’s maar u kunt daar frietjes en een hamburger en een ijsje eten en u ziet het dikste gordijn van grote vrolijkheid, mensen, we hebben het spektakel op voorhand op punt gezet met onze vrijwilligers, maar let op dat u niet alleen bent, want ziet u, de armoede, beste mensen, alleen dat gordijn, dat is er voor u, let op de vrolijkheid, mensen, wij maken die voor u.”

brazil2
Ill: stills uit livestream opening WKVoetbal, VRT, donderdag 12 juni ’14

EN DE BAKKER

. en de bakker
. en zijn speculaasvormen
. ze zijn oud
. ze zijn een antiquiteit!
. drie speculaasvormen werden gestolen
. de andere staan of liggen, ergens
. ze zijn oud en donkerbruin
. de bakker deed dat, ’s ochtends
. als het brood in de rekken lag
. de bakkerin, alles gesneden
. het lawaai van de snijmachine achter de rug
. de broodzakken
. de ovens
. de vrachtwagen met de bloem
. drie. Drie speculaasvormen staan of liggen, ergens, oud en bijna donkerbruin, niemand die ze opmerkt, niemand die stilstaat bij de uren

DIT IS ZWART-WIT EN GRIJS

De zon komt op, ze maakt een veld van klaprozen en wekt de vinken en de merels, en de mens, ze speelt haar spel van schaduw hier en schaduw daar.
Zij zegt “Het is zes uur, nu is het elf, nu twaalf, dan een en twee en drie en voort en meer.”
Zij zegt “Het zwart is licht, het grijs is licht, de kleuren zijn mijn licht,” en werpt opnieuw een schaduw, hier en daar, tot zij het westen kiest en maan en straatlantaarn, en uitstalraam en building
en een auto
en ook de maan het spel speelt en een schaduw werpt, nu hier, dan daar.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

EXPLOSIONS IN THE SKY

“Een luchtballon.”
“Wat, Jef?”
“Ik wil een luchtballon.”
“En wat wil je daar dan mee doen, Jef?”
“Domme vraag hé Nikki. Vliegen natuurlijk.”
“Ben je daar al niet wat oud voor, Jef?”
“Oud, Nikki? Ik?”

WATERLELIES

“Voilà, waterlelies.”
“Maar Jef, hier zijn toch geen waterlelies? Hier is niet eens een vijver.”
“Ha nee, Nikki, ze zijn er niet, maar toch zijn ze er wel. “
“Jef, je raaskalt.”
“Niks van Nikki, ik raaskal helemaal niet. Ik sluit mijn ogen en ik dénk waterlelies.”
“Ha ha, Jef. Wacht, ik probeer jouw waterlelies ook te zien. Te dénken, bedoel ik.”
“Goed idee, Nikki.”

Claude Monet
Claude Monet. Afb. via Paul Webb

EEN SIGAAR

“Een sigaar, Nikki.”
“Geen pijp, Jef?”
“Nee, Nikki. Vandaag doe ik in sigaren.”

Snow Storm - Steam-Boat off a Harbour's Mouth exhibited 1842 by Joseph Mallord William Turner 1775-1851
JMW Turner, Snow Storm – Steam-Boat off a Harbour’s Mouth
(keuze pic vanwege het licht)

PARTY

“Mien waar is m’n feestneus, Mien waar is m’n neus?”
“Jef, wat doe je?”
“Dat hoor je toch, Nikki? Ik zing.”
“Over jouw feestneus, Jef?”
“Ja, Nikki. Ik zoek hem. Geen idee of ik hem zal vinden.”

‘EI’

“Kort.”
“Kort?”
“Ja Nikki, kort.”
“Zoals ‘wei’, Jef?”
“En zoals ‘dit’, Nikki.”
“En ‘ei’, Jef?”
“Kik, Nikki.”
“Hahaha! Dot, Jef.”
“Mat, Nikki.”
“Lol, Jef.”

“IK SLAAP IN DE SMALSTE GOOT”

“Ik slaap wel buiten, in de sneeuw.
“Ik slaap wel buiten, in de storm.
“Ik slaap wel buiten, in de hagel, onder de dikke laag smog, onder de nooit eerder geziene wolken van grijze, donkere as.

De man rechtte de rug. Hij duwde zijn schouders extra naar achter, zodat zijn hoofd automatisch een trotse houding aannam. Hij slikte, hernam en herhaalde wat hij net zei, nog luider. Hij dreunde voort, zonder dat hij de keel moest schrapen en alsof zijn stem alle bergen van de wereld kon ver-dragen.

“Ik slaap wel op het scherp van het mes
“Ik slaap wel in de snee van de schaar.
“Ik trotseer al de touwen, al de prikkeldraad, iedere bliksem, al de lava, de distels, de krokodillen
“Ik, ik trotseer alles. De hele wereld. Iedere grot, iedere laag, al de donkerste dagen en putten.

De man zocht een ladder, vond er een, gebruikte die om tot op het dak van het schuurtje te klimmen.

“Ik slaap in de smalste goot
“De volgende ochtend sta ik fris en monter op. Ik schud de dauw van mijn haren en lijf. Ik adem met volle teugen de lucht van de nieuwe dag. Ik gebruik de natuur, mijn adem en mijn kracht om te herrijzen.
“Ik hoef niet te strijden.
“Ik hoef niet te dreigen.
“Ik hoef niet te declameren.

De man nam zijn gitaar. Hij wachtte vier of vijf minuten. Hij rechtte de rug, duwde zijn schouders extra naar achter, zodat zijn hoofd automatisch een trotse houding aannam. Hij begon.

De man slaapt nu buiten, in de sneeuw.
De man slaapt buiten, in de storm.
De man slaapt buiten, onder de hagel, onder de smog, onder de nooit eerder geziene wolken van grijze en donkere as.
Hij strijdt niet.
Hij dreigt niet.
Hij declameert niet.

STEENRIJK

“De Bank.”
“Wat is er met de bank, Jef?”
“Ze Bewaart Mijn Geld.”
“Waarom zeg je dat met hoofdletters, Jef?”
“Omdat ik Zin had in Hoofdletters, Nikki. En Omdat het Mijn Geld is.”
“Jouw geld, Jef, ja. Ben jij rijk, Jef?”
“O ja Nikki, Steenrijk. Ik ben ongeveer Duizend Euro Rijk. Dat zijn veel stenen, Nikki.”
“Stenen, Jef?”
“Ja, Nikki. Veel. ‘Steenrijk’, begrijp je? Ik heb Honderden Honderden Duizenden Stenen. Keien, bijvoorbeeld, in de rivier, en het is een mooie dag en ik zit op de oever en ik kijk naar het water, en naar de stenen. Steenrijk, dat ben ik.”