Liever lief, lieve. Liever licht, liever alles liever, lieve. Liefst het licht, alle licht, lieve. Liever meer, liever lief liever, liever, o zo lief, lieve.
Lang lief, langer lief, langzaam licht, lieve. Liever.
Liever leven. Liever lieve leven, eerst het leven, laatst het leven, liefst.
Lichter licht. Lichter liever licht. Lichter liever lief. Ja. Eerst en laatst. Liever, ja, lieve.
Luister, lieve. Luister lief, leven. Luister lang en o zo licht, langzaam. Luister eerst en laatst, liever, echt zo lief, lieve.
Luister leven. Luister rustig. Lief. Stil en zacht. Langzaam, meer nog, lieve.
Echt, luister levens, lieve. Ach, och, oef, lieve. Meer nog, liefde, lieve. Rustig, o zo lichter, lieve. Liever, liever licht, ja, lichter, lieve. Langzaam. Langzaam. Leven, lief en liever. Leef en leef, of leven, lieve. Luister leven. Langer. Rustig, langzaam, lief, ja rustig. Licht en adem, lieve. Lichter. Lief, ja leven. Leven. Liefst zo lief, o ja, zo is het, lieve. Liever liever, lieve.
Categorie: Uncategorized
ELDERS, ERGENS
‘Ik ben er,’ zei hij.
‘Nee, je bent er niet,’ zei zij.
‘Waar ben ik dan?’ vroeg hij.
‘Elders, ergens. Ik weet het niet, maar hier ben je niet,’ zei zij.
‘Oei,’ zei hij.
‘Het geeft niet,’ zei zij.
‘Jawel. Het moet. Hoe zal ik dan? Rechtdoor?’ vroeg hij.
‘Ja, ongeveer,’ antwoordde zij.
‘Of hier links?’ vroeg hij.
‘Goh ja, dat mag, misschien een beetje, maar je moet het zelf weten,’ zei zij.
‘Maar je kunt me toch zeggen of?’ vroeg hij.
‘Nee, dat kan ik niet,’ vond zij.
‘Misschien ben ik er nu?’ vroeg hij.
‘Nee, je bent er niet,’ zei zij.
‘Wanneer dan? En hoe?’ vroeg hij.
‘Dat weet ik niet,’ zei zij.
BALLERINA
Niks. Enkel een zwevende ballerina.
Alles. Alles in een enkel schriftje.
Kerstverlichting, tot in de nok van het dak, echt, de zolder inbegrepen.
Grootste geschenken.
Stof.
Liefde, overal.
Haar woede. ‘Hij heeft me weer laten zitten,’ zei ze. Geen enkele traan, enkel die woede.
Een dromenboek. Een boek vol dromen.
Een vriend, een vriendin, een gesprek. Liever licht, leven.
Een diepe zucht.
Liefde, overal. De warme gloed. Ook in de kerstverlichting, ook tot in de nok van het dak, echt, de zolder inbegrepen.
Voel je het niet?
Weer: de zwevende ballerina. De muziek, de beelden, de zachte tinten, de zachte stof.
Hoop. Hoop, hoop en hoop.
THEATER: ACTEUR X
- Vijf à tien winkels, symbolisch uitgebeeld dmv kleine toonbanken met kerstversiering of andere. De toonbanken worden van elkaar gescheiden door panelen. Verkoopslogans en grote reclame op de panelen en op de eventuele achterwanden. Kassa’s en/of betaalterminals op de toonbanken. Hier en daar staan winkelmanden of winkelkarren. De inrichting en slogans kunnen in de loop vd voorstelling door een al dan niet onzichtbaar iemand gewijzigd worden.
- 1 acteur X (M/V)
- Geen figurerende toonbankbedienden.
- Een twintigtal figuranten/klanten met plastieken en papieren draagtassen, met inhoud. Ze lopen langzaam en kriskras door elkaar, winkel in, winkel uit, praten niet, geen gelaatsuitdrukkingen.
- Acteur X bezoekt een voor een iedere winkel, opnieuw en opnieuw, gedurende een volledig uur. De volgorde van zijn of haar winkelbezoeken is willekeurig.
In winkel 1.
Goedemorgen mevrouw, kunt u mij helpen? Ik ben op zoek naar het grootste geschenk, heeft u dat? Nee? Toch bedankt, tot een volgende keer misschien.
In winkel 2.
Dag meneer, kunt u me helpen? Ik zoek het grootste geschenk, verkoopt u dat? Nee? Dank u, prettige dag nog.
In winkel 3.
Juffrouw, kunt u me helpen? Ik zoek het grootste geschenk, heeft u dat? Misschien? Wilt u eens kijken? U heeft het niet? Toch bedankt hoor, ja, ook voor u nog een prettige dag.
In winkel 4.
Goedemorgen juffrouw, misschien kunt u me helpen? Ik zoek het grootste geschenk, heeft u dat? Nee, toch niet? Weet u waar ik dat kan vinden? Hiernaast misschien zegt u? Oké, hartelijk dank.
In winkel 5, 6, en eventueel volgende: Dezelfde of gelijkaardige vraagstelling, on and on and on.
- De voorstelling duurt een uur, ttz exact zestig minuten maar in feite duurt zij eindeloos. Op de zestigste minuut wordt zij abrupt afgebroken en blijft iedereen staan waar hij of zij staat. Doek.
BIJNA, PICASSO
Ze zegden, zegden
De schilder, schilder
Zo jong nog, nog
En kleine prenten, prenten
Wel mooi, mooi
En kleuren, kleuren
Maar later, later
Een hoofd, hoofd
Bomvol storing, storing
Ja, ja, zegden ze.
De schilder, schilder
Zo veel later, later
En ouder, ouder
De schilder, schilder
Ja, ja en
Zo, zo, zegden ze, ze
En artiesten, artiesten
Ja, ja en
Zo, zo, zegden ze, ze.
ENKEL DE BOMEN
Lente, zomer, herfst, winter,
Lente, zomer, herfst, winter,
Lente
Oud of jong
Dik of dun
Groot of klein
De geuren, de kleuren
Het groene, de takken
Oneindig
Enkel de bomen
Lente, zomer, herfst, winter,
Lente, zomer, herfst, winter,
Lente
KERSTMIS
‘Dat is mooi!’ zei hij.
‘Nee, het moet mooier zijn,’ zei zij.
‘Nog mooier?’
‘Ja. Veel. Mooier, mooist, het allermooiste. Dat moet,’ zei zij.
‘Oké,’ antwoordde hij. Hij bestudeerde het profiel van haar knappe gezichtje en zag dat haar ogen gretig van de ene naar de andere kant flitsten.
‘Allermooist dan. Je mag kiezen. Kies het beste.’
‘Het mooiste!’ verbeterde ze hem.
‘Ja, het mooiste, het mooier dan mooiste. Mag het ook duur zijn?’ vroeg hij.
Haar ogen stopten even met over en weer flitsen. ‘Mag dat?’ vroeg ze, zonder hem aan te kijken.
‘Ja, dat mag,’ zei hij.
‘Het allermooiste en het allerduurste dan,’ zei zij. Haar ogen bleven gretig zoeken.
‘Oké,’ zei hij.
LELIJK
Lelijk.
Wat?
Zij.
Huh? Zijn zij lelijk?
JA.
Waarom?
ZIE je dat niet?
Nee, ik zie niet wat je bedoelt. Ze zijn normaal. Netjes. Gewone gezichten.
Vind je? Ze zijn LELIJK. Hun GANSE LIJF heeft MONSTERLIJKE TREKKEN. Ze zijn helemaal MISVORMD.
Eum, nee, ik zie geen misvormingen. Ze zijn toch GEWOON?
NEE, ze zijn NIET gewoon, ze zijn AFZICHTELIJK. En hun GELUIDEN!
Wat, geluiden?
Wat ze ZEGGEN. Wat ze de hele tijd BEWEREN. Wat ze BELOVEN. Hun SPEL. Alles wat ze DOEN, alles wat ze ZEGGEN is VIES en is LELIJK.
Nee, ik hoor het niet, ik zie het niet.
KIJK. LUISTER. ZIE je het niet? HOOR je het niet? AFSCHUWELIJK zijn ze.
GRIJZE EN ZWARTE EN VOOR DE ZOMER MISSCHIEN LICHTBLAUWE, OF ZO
Hoeveel?
Twee. Twee valiezen.
En dat is alles?
Ja. Nee. Ook nog twee Carrefour-zakken, voor de foto’s en de aandenkens. Een paar stylo’s en een blocnote. Een oude snoepdoos waar niks meer in zat. En wat kapstokken.
Schoenen?
1 paar. Ze komt niet buiten. En als ze toch eens buitenkomt, dan kan dat op die stevige pantoffels. Maar goh, wanneer komt ze buiten?
Twee valiezen dus?
Ja. Ik weet niet of de broeken nog passen. Die oudste zijn misschien te groot. En ik heb twee truien weggegooid. Die waren nog van het jaar stillekes. En ze heeft te weinig sokken. Zondag, zondag zal ik er op de markt in Wemmel kopen.
Of in de Carrefour.
Ja, dat kan ik doen.
Twee dus?
Ja. Twee. Dat is alles. Een restant. Een leven, herleid tot
Ja, tot
Tot niet veel hé?
Nee. Niet veel. Zo goed als
Ja, zo goed als
OF DE BLAUWE
Zij zei dat ze hem graag zag en hij zei dat hij haar graag zag. Ze kusten en omarmden elkaar en gingen slapen. De volgende ochtend zei hij dat hij haar graag zag en zij zei dat ze hem graag zag. Ze kusten en omarmden elkaar, ontbeten en vertrokken naar het werk. ’s Avonds zei zij dat ze hem graag zag en hij zei dat hij haar ook graag zag en ze kusten en omarmden elkaar en bleven zo een tijdlang staan. Maal dertig, vijftig, zestig, maal driehonderdvijfenzestig. Ze zegden dat ze iets moois te vieren hadden en kusten en omarmden elkaar en hij zei dat hij haar graag zag en zij zei dat ze hem graag zag, tienduizend, honderdduizend keer.
Hij zei dat het niet zo goed meer lukte, die sokken. Zij knikte. Ze kusten en omarmden elkaar, zij zei dat ze hem graag zag, hij zei dat hij haar graag zag, maal vele keren, benadrukten ze. Ze vroeg welke sokken hij het liefste had, deze? en hij zei ja, die dikke grijze, die wintersokken, ja.