VEEL MEER

Maar kijk:
Een olifant, een kat, een slang,
een kleine muis, een mug, een vlieg,

Een rode haag, een gele bloem,
een dikke boom, een mooie plant

En elders dan: de lucht, het licht,
een wolk, een storm, de zon, de maan

En eb en vloed van elke zee
en elke oceaan en verder nog:

Planeten, sterren, witte sluiers,
zwarte gaten,

On-verkenbaar, zonder einde en veel
meer dan een heelal.

GOUD

‘Wanneer de volgende regen?’

Ze is alleen en ze houdt met beide handen haar hoofd vast. Ze streelt haar wangen, haar oren, haar haren.
Ze stapt naar het raam, schudt ondertussen het zelfmedelijden van zich af.
Is dat een kraai?
De vogel komt dichterbij, kijkt haar aan, vliegt weg.
Ze is alleen.
De tuin is verlaten. Geelgouden platanenbladeren – het begin van de herfst. Wanneer de volgende regen, wanneer de storm, de hagel, de sneeuw?
Ze heeft het koud.
De tuin is verlaten.
De late zon maakt het beginnende goud van de bomen nog goud-er.
Ik ben alleen, denkt ze.
Ze telt. Een blad, twee bladeren, drie, vier, vijf, zeventien, zevenendertig. Het is nog maar het begin.
Ze trekt een trui aan.
Ik hou van truien, denkt ze. Ik hou van de herfst, van de winter.

De stemmen van de kinderen van de buren.
Jefke, Joske, zo roepen ze.
Dat zijn de namen van de konijnen.
Kom, we laten ze vrij, roept een van de kinderen.
Nee! Roept het andere. Dat mag niet!
Jawel! Roept het eerste. Een konijn mag vrij zijn!
Nee!
Te laat!
De moeder bemoeit zich, de konijnen worden gevangen en terug in het hok gestopt.

Ze trekt de rolkraag van haar trui tot over haar wangen.
Ik hou van truien, herhaalt ze.
Deze is een mooie, vindt ze.
Bijna zo goud als de bomen, zegt ze.
Ik ben alleen, denkt ze.
Het is zo goud hier, weet ze.

(en ik bedoel echt wel ‘goud-er’ en al het andere bedoel ik ook)

seated female nude Egon Schiele

afb Seated Female Nude, Egon Schiele.
afb via http://biblioklept.org/2015/09/30/seated-female-nude-egon-schiele/

S E R V I C E

“Annie zei dat er veel aanvragen zijn van serviceclubs.”
“Jef, wie is Annie en wat zijn serviceclubs?”
“Annie woont op het einde van de straat, in een van de alleenstaande woningen, ken je haar? Ze heeft lange, donkerblonde haren en draagt een bril.”
“Nee, zegt me niks. Maar wat zijn die serviceclubs?”
“Ik weet het niet goed, Nikki. Ik denk een soort clubs van zakenmensen en ze praten over geld en over sponsoring van goede doelen.”
“Goede doelen?”
“Ja, ze steunen sociale projecten en Annie zei dat er veel aanvragen zijn en zo stellen de serviceclubs zichzelf dan in een Belangrijk Daglicht en voelen de leden van die clubs zich beter omdat ze denken en kunnen voortvertellen dat ze anderen helpen.”
“Helpen?”
“Ja Nikki, met geld. En dan komt dat op hun website en dan noemen ze zichzelf goed.”
“Ja maar Jef, dat is toch echt goed? Dat geld komt toch van pas?”
“Ja.”
“Het gaat toch naar daklozen bijvoorbeeld, of naar kinderen?”
“Ja.”
“Daar is toch niks mis mee?”
“Nee.”
“Wat is er dan, Jef?”
“Het is gewoon reclame.”
“Reclame?”
“Ja, voor zichzelf, en voor hoe goed ze zijn. Want goed zijn en cheques uitschrijven of geld overmaken, dat is in de mode.”
“Maar die mensen en die clubs willen toch gewoon helpen, Jef?”
“Ja.”

TOT DE LETTERS VERDWIJNEN

En op de marmeren trappen in het station zat de De Minister.
Op zijn voorhoofd stond ‘Ik Ben Een Vluchteling’. Het was onuitwisbaar.
Een politieman zag hem.
De politieman riep versterking en er kwamen vijftien collega’s.
De De Minister werd onder dwang naar buiten gebracht.
Op zijn voorhoofd stond nog steeds de zin ‘Ik Ben Een Vluchteling’.
Buiten werd hij gelyncht.
De bewoners van de beste en grootste en mooiste en duurste stad van het land wilden immers niet, dat er een ‘Ik Ben Een Vluchteling’ op hun voetpad zat.
Daarna kwam men te weten dat het een De Minister was.
Iemand had hem goed liggen gehad en met een dikke zwarte stift de woorden ‘Ik Ben Een Vluchteling’ op het voorhoofd geschreven.
Maar het was te laat. De De Minister was Dood.
De sjiekste stad van het land verkeerde voor tien dagen in de diepste rouw, en de inwoners zeiden, nee, sterker, ze zweerden dat ze het nooit meer zouden doen en dat ze de volgende ‘Ik Ben Een Vluchteling’ eerst grondig zouden controleren.
Kleur van de haren en van de ogen.
Kleur van het identiteitspapiertje.
Lengte van de teennagels.
Aantal haren in de oksels, op de borst en rond u weet wel.
Heupen-, borst- en dijomtrekken.
Vingerafdrukken.
Kijken of hij of zij al een chip had.
Aantal kinderen – vanwege de kinderbijslag, u weet ook dat wel.
Kortom; ze zouden in het vervolg de hele mishmash controleren.
Want stel je voor: nog een De Minister gelyncht! Dat zou een ramp zijn voor onze samenleving! We zouden het niet overleven! Wat moeten we beginnen, als er nog een De Minister?!

Zo gezegd, zo gedaan.
De administratie maakte zich klaar met scanners, krachtige pc’s, de nieuwste grootschermbeelden, grote micro’s, enorme camera’s, maar ook, in het geval de moderne reutemeteut het zou begeven, stapels papier en duizenden potloden (zwarte en rode!) en stempels (eveneens zwarte en rode!). En de administratie begon aan haar gevecht, en ze zag het niet zitten, want de ene administrator deed meer of minder dan de andere, en om tien uur was het al tien uur en terwijl de ene zich nog urenlang uit de naad werkte om alle stempels netjes op de correcte plaatsen te zetten, vond de andere dat hij een koffie en een toiletbezoek en zo voort, u kent dat wel, of zegt u van niet?

Maar bon.
Een dag of tien later bleek dat vijfhonderd De Ministers met dezelfde dikke zwarte stift het ‘Ik Ben De Beste Vluchteling’ op het voorhoofd gekregen hadden en omdat de administratie nog niet klaar was voor die enorme toeloop werden er Driehonderd van deze De Ministers helemaal doodgemarteld en het was te laat, te laat, ze waren morsdood en de letters op de voorhoofden bleven onuitwisbaar. En zo kwamen de De Ministers terecht in de Ik-Ben-Een-De-Minister-Met-Het-Label-Ik-Ben-Een-Vluchteling-hemel en ze kregen geen rijstpap, ze kregen gewoon niks, zelfs geen watersoep en ze zitten daar nog altijd, ze moeten op hun blote knieën wachten tot de letters verdwijnen.

DRIEHONDERDACHTENZESTIG

Er zijn geen zekerheden meer want de postbode is een andere en hij komt niet meer om tien maar om negen maar om elf en soms niet.

En ik heb de Koen al lang niet meer gezien en hij reed altijd zijn banden lek en dan was zijn vader telkens boos maar nu, de Koen?

En Jef, en Mijnheer Macharis?

En de aarde is vaak te warm en dan weer te koud en er is zo veel regen en de storm was te zwaar.

— een plateau verschuift.

De stad is de stad is een mierennest met weerspiegelingen in het glas van de ingang van de metro en een vrouw bedelt en een vrouw bedelt en een vrouw bedelt.

De wereld is een grote camera en we willen allemaal op zijn film en de rol is oneindig en de grote goden kijken toe om te zien wat u koopt en eet en drinkt en draagt en bent en wordt en of u het harnas houdt.

— geen plateau verschuift. De lagen worden dikker. De dikte wordt gevormd door een overaanbod aan weekenduitstappen – naar de Champagne, naar de Eiffel, naar de Ardennen, naar drie zeeën, naar vijfendertig pretparken.

De stad is de stad en ze barst uit haar voegen. Driehonderdachtenzestig van haar inwoners hebben dat gezien en halen gelaten hun schouders op. Ze kijken uit hun ramen, uit hun driehonderdachtenzestig verschillende verdiepingen. Ze zien het gewriemel. Nogmaals: de schouders.

Een andere driehonderdachtenzestig zetten zich in voor de mens. Ze komen op de televisie en mogen hun verhalen vertellen. Een derde van die driehonderdachtenzestig wil eerst, de andere derden zetten zich in, in, in.

Vroeger: de postbode was eens dronken en hij was gevallen en hij liet een bloedspoor van nummer zevenennegentig tot en met nummer honderddertien. Hij leidde de verhalen gedurende dagen.

Er is een nieuwe opname. Ze zoeken nog figuranten.

— een plateau verschuift. San Francisco ligt vlakbij. Haar inwoners hebben het gevoeld en weten dat de stroom, en dat de aardplaten, en ze spiegelen zich in het glas van de tram en kijken toch nog eens naar de zeehonden en spiegelen zich nog eens in de uitstalramen en een plateau verschuift en de BART rijdt niet, ‘GE MOET TE VOET’ gilt de beambte en hup hup Highway One wordt een voetpad.

Koen. Koen? Ik heb geen idee. Koen?

GENOEG

Meer heb ik niet te zeggen. Het licht en het spel van het licht, dat is alles. Ik heb het gezegd. Dat moet genoeg zijn. Genoeg.

(einde vd reeks)

WE STOPTEN BIJ HET VERVALLEN HUIS MET DE OUDE OLIJFBOMEN

We reden tot boven, we kwamen terug naar beneden. De wegels! Het licht! De zon en de warmte!

MAN

Het licht, man. De schaduw, man. De zon, man. De schaduwen, man.

EN VAN

De zon, de zon! het bos, het bos! het spel met het licht en de warmte, het spel met het gebladerte, de paden van stro en van goud.

DE LAATSTE

De laatste kamer – de rust en het licht.