La saison est finie! Hangt er op een deur in Saint Vaast La hougue. De vele toeristen blijven sinds enkele weken weg en de inwoners zijn daar blij mee.
We bezochten iedere viswinkel van het kleine stadje, maar er waren nergens krabbenpoten te vinden. Complete krabben ja, en oesters in alle maten. En vissoep en croutons. Misschien zou dat ene restaurant?
Ja, waarschijnlijk.
Denk je? Zullen we zo’n bokaal vissoep kopen?
Ja, twee. En rouille.
Zou dat lekkere soep zijn?
Ja, dat denk ik. Je kunt ze tot 2018 bewaren, zegt het etiket.
Haha.
Dat ene restaurant zal wel
Ja, dat denk ik ook.
Het zal wel normaal zijn.
Ja.
Maar geen krabbenpoten.
Nee.
In Cherbourg. Daar hebben we er vorige keer gekocht.
Ja?
Ja.
Voor onze fruits de mer.
Ja?
Ja.
Weet je nog waar die winkel is?
Ongeveer.
Als hij open is.
Ja. Het seizoen.
Ja, maar het is een viswinkel. Rijden we?
Oké.
Ik zal deze keer een visitekaartje vragen.
Als we hem vinden en als hij open is.
Ja.
Auteur: Eliane
LE BLEU CHANGE

Ik vertelde over het licht bij de Phare. De andere gasten keken alsof ze me niet begrepen.
Licht?
Le bleu, zei ik. Le bleu change.
De dame rechts van me zei dat ze daar nog niet geweest waren. Haar kleindochtertje was moe, zei ze. Geen siësta. We zijn op weekend en dan houden we geen siësta, zei ze. We komen om alles te zien, slapen is tijdverspilling, we moeten ervan profiteren, het is een lang weekend, we rijden rond, dan moet ze niet slapen, nee, nee, dat zou zonde zijn. We komen van ver, zei ze. Ze slaapt in de auto, een half uurtje hier, een kwartiertje daar, meer hoeft niet en ’s nachts slaapt ze goed. We moeten haar ‘s ochtends wekken, we brengen haar in haar pyjama mee naar het ontbijt, kijk, hoe moe ze is, ze zal straks in de auto wat slapen.
(foto: november 2015, Brillevast)
DE KAART
De kaart is weg.
Welke kaart ?
De zeekaart. Ze hebben ze weggehaald. Nu hangt er een spiegel.
Madame Carine? La carte?
Ah oui. Alain veut la mettre autre part.
Elle revient ?
Oui.
Ah, c’est bon.
Oui. Elle est bien, cette carte.
Oui.
NOE
Ils en ont trois.
Trois enfants?
Oui. Le bébé ressemble fort à son frère.
Il est costaud, le bébé.
Oui, mais il est beau. Et il a un beau nom. Noé. Comme Noé de l’arc, a dit madame Carine.
Oui, c’est un beau nom.
Comment elle fait ? Avec trois enfants, ce n’est pas evident.
Je ne sais pas. Elle as une nourice, elle dit.
Ah oui ?
Oui.
Oui, il faut bien.
Il fait beau aujourd’hui. Vous avez vu la mer ?
Oui, elle est proche.
Loin et proche. Elle change de couleur tout le temps. Il faut la regarder tous les jours.
La vue est impressionante.
Oui.
LICHT
Het licht zat goed. Blauw, blauwer, grijs, blauw, blauwer. Dat kon alleen hier. Blauw, nog blauwer. Ik ken al de benamingen van het blauwe niet. Ik nam een foto en nog een.
Er is niet te veel wind.
Nee.
Het licht is weg.
Ja.
Het licht is terug.
Ja.
Het is waar, wat je zei, van dat licht hier.
Ja. We moesten naar de Phare komen. We moeten altijd naar de Phare komen.
Word je die niet beu dan?
Nee. Het licht. We zijn geen fotografen maar je ziet het licht toch?
Ja. De vogeltjes zijn er niet.
Nee, die zijn er niet.
De rotsen zijn niet glad.
Nee.
Het is ideaal voor de hond, we hadden de hond moeten meebrengen.
Ja.
Het licht, de lucht, de wolken.
Ja.
Je wou komen.
Ja.
(Van Gatteville-Le-Phare tot Londerzeel, november 2015)
IK WEET HET NIET
“Maar Merel, waarom liggen die mensen op de grond?”
“Dat weet ik niet, Mus.”
“Slapen ze, Merel?”
“Nee Mus, ik denk niet dat ze slapen.”
“Maar wat doen ze dan, Merel?”
“Ik denk dat ze dood zijn, Mus.”
“Dood Merel? Zoals dat kind? Hoe komt dat?”
“Dat weet ik niet, Mus.”
“Ja maar Merel!”
“Ik weet het niet, Mus!”
(uit: ‘Merel en Mus’, reeks 19, ‘De Krant’. Illustratie: Eva Vanderstappen, Tekst: Eliane De Bleser)
TERUG

We zijn daar pas geweest, zei hij.
Dat is een jaar geleden, zei ik. Of langer.
Op de laatste dag reden we dan toch naar de phare.
De vogeltjes zijn er niet, die vele piepkleine lopende vogeltjes. Ja, dat was hier.
Dat was ook ginder vooraan.
Denk je?
Ja, ook ginder vooraan.
De kreukeltjes liggen hier voor het rapen. Kijk, zo’n grote.
Kun je die opeten dan?
Ja, eerst koken. Tijdens het seizoen heb je de kans niet. Dan zijn ze weg voordat je ze kunt zien. Maar nu is er niemand.
Nee, niemand.
GEEN FOTO’S
Geen foto’s?
Nee.
Waarom niet?
Ik wil het moment niet vangen.
Huh?
Ik wil het moment niet vangen, zeg ik. Ik wil het moment eeuwig laten duren en als ik een foto maak, dan vang ik het. En ik wil beter kunnen kijken. Het moet me overrompelen en dat kan niet als ik dat rechthoekige kadertje gebruik.
Meen je dat?
Ja.
Geen foto’s dan?
Nee.
VEEL MEER ETC ETC
En.
Kijk: het blad. Van groen naar bruin en goud en rood.
Focus.
Herfst, winter, lente met het opnieuw ontluikende blad, zomer, herfst, en zo voort en zo voort
Goud, wit, groen, blauw, telkens gelardeerd met wat rood, bruin en nacht, groen en Pasen, blauw en het eeuwige groener dan groene gras.
(Natuurlijk, bij bijzonder droge zomers moeten we de kleur van het gras anders inkleuren)
(Natuurlijk, in het hoge noorden en natuurlijk, in de woestijnen)
Focus.
Op steenkool en diamant, op de kleinste uitstekende tip van een rots, op een zandkorrel, op de uiterste top van de wilg, op de uiterste tip van het blad van de aloë vera.
Pick one! Choose One!
Men neme de bovenste top van de wilg. Men neme het uiteinde van die tak. Of kies: de allerkleinste oase, of een duizendste deel van een poot van een mier.
En waar is de macht? Zij ligt in dat diepste. Zij ligt in het donker. Af en toe is er een nieuwsoortige, lichtgevende vis die aan haar voorbij zwemt.
‘Huh!’ zegt de vis.’ De macht is gezonken, zie haar hier liggen, zij kan niet meer, zij is niet meer, zij ligt hier, in haar eigen eenzaamheid, zij kan niet bestaan in haar eentje, huh, bye, macht!’ En de vis dooft zijn bijzondere licht tot hij honderden meters bij haar vandaan is, zodat zij in donkerder dan donker water moet wegkwijnen, herleid wordt tot helemaal niks.)
Dus.
We recapituleren.
Focus.
De top van de hoogste tak van de grootste wilg.
De uiterste tip van de bovenste groene veer van de hoogstzittende papegaai van Iguassu.
Of.
Vraag aan de sherpa (ander werelddeel, ja natuurlijk) de weg naar de hoogste top.
Bedank de sherpa.
Adem, drie, vier, adem, drie vier, adem.
VEEL MEER ETC
En dan
Groter dan groot, dieper dan diep.
Walvissen, haaien, dolfijnen.
Kabeljauw, tong, gladde paling.
Schildpadden, zeehonden, pinguïns.
Koralen, algen, plankton.
Verder dan ver, dieper dan diep,
Blauwer dan blauw, licht en donker.
En daar:
Een scheepswrak. Met aangekoekte
borden en flessen, met groen uitgeslagen
zilver en met
skeletten.
En daar:
Een oorlogswrak. Met aangekoekte
kanonballen, met groen uitgeslagen
zilveren munten en met
restanten van macht, verroest en verwaterd.
Dieper dan diep, tot oneindig.
Waar licht verdwijnt, en vissen niet eens
meer bestaan.
Onpeilbaar.
*
Is er daar toch een of andere slimme wetenschapper die er in geslaagd is om tot op het diepste van het diepste af te dalen, in een of andere grappig uitgedoste duikboot, versierd met de modernste snufjes en techniekjes en hij daalde en daalde en bleef dalen tot daar waar het licht voor immer en altijd onbestaand is.
*
Hij bleef daar vijfenveertig dagen.
Vijfenveertig!
Na afloop moest hij niet in de caisson maar kon hij moeiteloos zweven en vliegen en helikopters en vliegtuigen volgen. Hij zei dat, in dat diepe, het donker erg donker geweest was, maar dat hij lichtgevende onderwaterschepselen had zien rondzwemmen. Hun vormen en bewegingen waren ongezien, zei hij.
Ongezien!
Nieuwsoortig, zei hij.
Nieuwsoortig!
Hij zei dat hij volgende week terug naar het diepste der diepste wou terugkeren. Hij zei ja, misschien is het een verslaving, zei hij. Het donkerste der donkerste, verslavend. Wie weet? Vroeg hij. Maar hij wou in ieder geval terug, naar de lichtgevende onderwaterschepselen, zei hij. Hij zou ze van nog dichterbij bekijken. Het dichtste van het dichtste, zei hij, in dat allerdiepste donker, zei hij.
