‘behalve Boreas die hen naar huis zou blazen.’
(http://nl.wikipedia.org/wiki/Anemoi )
1. HIJ ZEGT, DE WIND
1 – Zegt de wind:
“Ik ben de wind. Ik zie de bomen, ik loop ernaartoe, ik raak ze aan, ik beroer de bladeren en de takken, ik raas langs de stammen.”
2 – Ik ben een toeschouwer.
Ik luister naar wat de wind zegt, ik kijk. Ik hoor en zie de bomen ruisen, de takken wiegen, de bladeren bewegen.
3 – Het is laat.
4 – Zegt de wind:
“Ik begeleid de zonsondergang. Ik help de lucht kleuren, ik help de zon om over alle landen te schijnen. Ik blaas, ik streel, ik zucht. En de kleuren veranderen.”
“Voor jou,” zegt de wind, “verdwijnt deze zon, even.”
5 – Ik blijf toeschouwer.
Ik luister, ik weet dat de wind gelijk heeft, dat het kleurenpalet verandert, dat de zon in de zee zakt en dat de golven de overgang naar de nacht begeleiden.