WIT

maar ik vind dat het brandt, dat het vol vuur is
en dat de massa’s witte hortensia’s (zij staan tegen de vele, vele gevels)
en dat de grote, witbloemende oleanders

Zo, het licht
Zo, de uitgestrektheid van een kleur die niet is, dezelfde uitgestrektheid van haar pracht, en van haar overal-zijn
Zo, haar branden in onze ogen terwijl ze roept ‘Ik ben er, ik ben de uitgestrektheid, ik ben het eeuwigdurende, het altijd, dat ben ik.’

(en het kind? Nee, niet wit, niet in het wit maar in vele kleuren. Het kind speelt, het kirt naar de tollende bal, het geeft de bal nog een duw, de bal rolt tot tegen de grote rabarberbladen, dan ziet het kind de voorbijgangers en het wuift, de wandelaars wuiven ook en zeggen tegen elkaar: ‘Kijk een kind met een bal, het lacht, het amuseert zich.’)

Het wit en het licht, zo zijn zij adembenemend, verpulveren zij iedere horizon, reiken zij tot veel verder, zijn zij, punt.

ZWART-WITTEKENING

spilliaert beukenstammen
Léon Spilliaert, Beukenstammen, 1945
(herh.)

Maar dan kijk ik je recht in de ogen en zeg ik

En jij antwoordt dat je me zal troosten maar ik antwoord op mijn beurt dat ik geen troost hoef en ik kijk je weer recht in de ogen

En jij houdt vol dat ik getroost moet worden maar ik zeg dat je er niets van begrepen hebt want

Maar je laat me weer niet uitpraten en herhaalt

En ik herhaal

Maar dan geef ik het op. Dit gesprek heeft geen zin. Ik keer je de rug toe en ik loop in de richting van die ene horizon

Je roept

Ik hoor het niet

Links het bos. Was ik geen boskind? Uren en uren, dagen en dagen, het pad naar beneden, het pad naar boven, dan het pad tussen de velden en rechts het andere, kleinere bos met de uitkijktoren. Ging ik tot op de top en keek ik over de heuvels? Misschien enkel in mijn verbeelding maar waar zou dan de herinnering vandaan komen, over het kleinere bos met de uitkijktoren?

Vandaag regent het. De geuren van het gras en van de bomen worden weggevaagd en de regen blijft alle aandacht opeisen, de druppels tekenen zich tot meer en meer

Tot de dag avond wordt, en nacht, en het water in de beken en riolen stijgt, het blijft

Ach.

Ach.

‘Zwart-wit (media) (Wikipedia):
Zwart-wit duidt in de beeldende kunst en grafische techniek op monochrome beelden die variëren in helderheid, niet in kleur. Zwart-witbeelden bestaan uit zwart, wit en tussenliggende grijstinten. Andere kleuren zoals sepia zijn mogelijk.’

WIT & GROEN

lucian freud garden
Lucian Freud, 1997, Garden, Notting Hill Gate (Herh)

Natuurlijk is het hartverscheurend. Hier.
Wat?
Die onderste heb je niet goed gedaan.
Oké, ik doe ze opnieuw.
En wees dankbaar voor al het andere.
Jaja, dankbaar.
Ik meen het. Hier, deze, die moet je ook opnieuw doen.
Hoe laat is het?
Tien over. We moeten ons haasten.
Ik heb geen zin.
Ik weet het.
Ik heb echt geen zin.
Je moet ermee leren leven. Je mag je er niet laten door raken. Of net wel, maar er niet zo bitter op reageren.
Ik reageer hoe ik wil.
Ja, natuurlijk. Kijk, weeral de onderste. Als je zo voortdoet zijn we hopeloos te laat.
Ze zijn weerbarstig. Ik heb me net geprikt. Ze zijn taai, vandaag.
Ja, maar haast je toch maar.
Ik ben al bezig. Ik heb geen zin. Het was en is te veel.
Je moet er niet tegen vechten. En je moet beter kijken.
Nog beter? Helpt dat dan?
Ja, natuurlijk.
Hier, dat was de laatste.
Voor vandaag.
Ja, voor vandaag. Even nog, ik was eerst mijn handen.
Goed, ik wacht buiten.

(‘J’ai pris ces roses blanches’)

LIKE A RAINBOW

Het is dat wit wit is terwijl het toch beter rood of groen zou zijn.
Het is dat wit wit moet zijn maar anderzijds? Oranje?
Het is dat zwart dat alleen maar op zwart lijkt, terwijl het in feite geel is of terwijl ikzelf zou willen dat het wit en groen en blauw en oker en gespikkeld en vanalles tegelijkertijd is.
Het is dat rood rood, en dat rood toch ook weer geen rood, omdat ik het anders zou willen, als (o la la) pistache bijvoorbeeld!
Een blauw met groen ijsje!
Een rode hond!
Een knalgeel dak van een huis!
Een spierwitte hemel met groene waas!

Het is dat wit wit is terwijl het wit moet blijven of geef maar grijs met groene strepen.
Het is dat ik geen wit wil, maar wit wil wit laten blijven en zwart doen worden, in tussenstappen van honderd schakeringen oranje.
Het is dat ik liever groen gespikkeld.
Of roze met een zweem van lichtblauw.
Of donkerpaars met een fluo rand.
Het is dat zwart zwart is en pikzwart moet blijven maar er mag een venster in met dertig rode randen en een alu-bodem.
En dat mijn wit mijn wit en geen zwart maar toch zwart is of dat ik het wil kunnen kiezen, langs de ingelijste gele exemplaren.

Baf. Knalrood.
Baf. Okergeel.
Baf. Ontploffende regenbogen.
Baf. Stijgende rivieren, naar een appelblauwzeegroene lucht, verspreid over oost naar west en noord en zuid zonder onderbreking.
Baf. Dezelfde rivieren in alle kleuren en ze beginnen met wijnrood langs wijnwit en worden dan bananengeel en dan weer –groen of vice-versa, bij het ochtendgloren.
Baf. Zwartwit, witzwart, grijs over grijze strepen, rood over rode vlakken, geel over niks wit met het grote zwart en dan terug wit, dat beter rood of groen, of wat.

DERTIEN EN EVENVEEL

 

een gifgroene politicus

water

een tweede gifgroene politicus

witte borderbloemen

een derde gifgroene politicus

de werkmannen uit de beschutte werkplaats

een vierde gifgroene politicus

lelijke Vlaamse gevels

een vijfde gifgroene politicus

onbetreden Zwitserse bergen

een zesde gifgroene politicus

papegaaien in Brazilië

een zevende

een kind, onbezoedeld

een achtste

het ware gevoel van vrijheid, rijdend op die twee wielen

een negende

een ochtendgloren. Dat ochtendgloren, die eerste dag na een lange, koude winter

een tiende

ergens, een klank

een elfde

ook nog normale. Het onschuldige idealisme

een twaalfde

Pina Bausch

een dertiende

het gewone leven

 

(Met dank aan een aantal mensen)

EN VOOR DE LIEFDE HE

Jef, we moeten shoppen.
Ha ja, Nikki?
Ja Jef. Zo zegt de reclame. Ik hoor de spots al dagen op de radio.
Tja, Nikki, dan moet je dat doen.
Jij niet, Jef? Een nieuwe televisie? Een nieuwe trui?
Nee Nikki, ik heb niks nodig, ik heb genoeg.

Jef?
Ja, Nikki?
Mijn vriend zegt dat hij voor mij een gouden armband wil kopen.
Aha.
Hij zegt dat hij met die armband zijn liefde zal bewijzen. Het zal een erg mooie armband zijn, zegt hij. Van witgoud.
Amai Nikki, witgoud, dat is mooi.
Dat is duur hé Jef.
Ja Nikki. Maar zo ben je zeker. Het zal een mooi geschenk zijn.

Jef?
Ja, Nikki?
Hij verwacht dat ik voor hem ook een juweel koop.
Een gouden armband, Nikki?
Of iets anders, Jef. Ik moet toch ook iets kopen hé Jef? En het mag wat kosten.
Ja, Nikki. Een gouden armband. Met een gouden slotje.
Ja, Jef. Zoiets.
Je moet immers shoppen hé Nikki?
Ja, Jef. Zo zegt de reclame. En voor de liefde hé Jef.

NOG KLEUREN

LeWitt05
“Een mens zou er vrolijk van worden. “
“Van wat, Jef?”
“Van al die kleuren.”
“Ja maar, Jef, je begreep het toch niet?”
“Nee, Nikki, nog altijd niet.”
“En wat zei je, Jef? Dat je er vrolijk van wordt?”
“Ha ja hé Nikki!”
“Dat is dan goed hé Jef?”
“Ja hoor Nikki. Vrolijkdronken ben ik, Nikki.”
“Heb je gedronken, Jef?”
“Ja, Nikki. Hahaha! Water! Ik heb veel water gedronken!”

Afbeelding: Sol Lewitt, Wall Drawing 958, Splat, detail from Mass MoCA, November 2000, Acrylic paint, LeWitt Collection, Chester, Connecticut.
Bron: http://arttattler.com/archivesollewitt.html

KLEUREN

sol lewitt whirls and twirls

“Helaba!
Helaba, zeg ik!
Niemand reageert.
Waarom luisteren ze niet? Nu ja. Ik zal dan nog maar wat naar die prent kijken. Die prent, ja. Ik zal nog eens goed kijken. Ik begrijp haar niet. Is dat een kunstwerk? Maar dat is toch een muur? Een kunstwerk op een muur? Maar waarom? En hoe moet die verhuisd worden? Kunstwerken moeten toch naar een ander museum kunnen? Ze moeten die toch kunnen opheffen? Maar dit? Op een muur? Ik snap er niks van. Maar de kleuren vind ik tof, dat wel. Mooi, ook. Kleurrijk, in ieder geval. Ik zou er zelf door beginnen kleuren, als ik het zou kunnen!
Ha nee, ik kan niet kleuren. Ik heb zelfs geen kleurpotloden, en daarbij, ik zou niet weten waarom! Ik ben een volwassen mens! Nee nee, ik kleur niet.”

Afbeelding : Sol LeWitt, Wall Drawing 1152, Whirls and twirls (Met), detail, April 2005, Acrylic paint, LeWitt Collection, Chester, Connecticut.
http://arttattler.com/archivesollewitt.html

HET JONGETJE EN DE KNIKKER

Ladder to the moon, georgia o'keeffe

Het jongetje zegt ik wil de knikkers.
Het jongetje zegt ik wil mijn twee of drie vrienden.
Het jongetje leunt met zijn voorhoofd tegen het koele glas van het raam, het voelt koud, hij heft het hoofd twee of drie centimeter om de koude niet meer te voelen en hij houdt de straat in de gaten.
Het jongetje vraagt waar zijn mijn vrienden?

Hij zegt nog eens hij wil de knikkers en hij haalt ze alvast uit de kast en hij speelt, alleen. De vrienden zijn er niet, ze zijn op school, het jongetje loopt nog eens tot vlakbij het raam, kijkt en kijkt. Hij heeft drie knikkers in de linkerhand. Knikker 1 valt, knikker 2 valt, knikker 3 is speciaal. Knikker 3 is helemaal wit, met een ragfijne gouden draad, onvoelbaar, onzichtbaar – bijna.

Het jongetje bewaakt de ene knikker. Hij geeft hem nooit af, ’s nachts ligt de knikker onder zijn hoofdkussen, overdag zit hij in zijn linker broekzak.
Het jongetje kijkt, door het raam, naar de straat.
De school is nog altijd niet uit.
Hij neemt de witte knikker met de ragfijne gouden draad en legt hem in de palm van zijn hand. Hij strekt de hand. De knikker beweegt, een millimeter naar rechts, een millimeter naar links. De knikker blijft, de gouden draad blijft, zo fijn.
Nu is de school bijna uit.
Het jongetje neemt de mooiste knikker, steekt hem terug in zijn linker broekzak maar omknelt hem. Het jongetje voelt, en ziet nog steeds het fijne ragfijne, de ielgouden draad, op het wit.

(sic, natuurlijk)

Afbeelding:Ladder to the Moon, Georgia O’Keeffe, via http://biblioklept.org/2014/02/12/ladder-to-the-moon-georgia-okeeffe/