DERTIEN EN EVENVEEL

 

een gifgroene politicus

water

een tweede gifgroene politicus

witte borderbloemen

een derde gifgroene politicus

de werkmannen uit de beschutte werkplaats

een vierde gifgroene politicus

lelijke Vlaamse gevels

een vijfde gifgroene politicus

onbetreden Zwitserse bergen

een zesde gifgroene politicus

papegaaien in Brazilië

een zevende

een kind, onbezoedeld

een achtste

het ware gevoel van vrijheid, rijdend op die twee wielen

een negende

een ochtendgloren. Dat ochtendgloren, die eerste dag na een lange, koude winter

een tiende

ergens, een klank

een elfde

ook nog normale. Het onschuldige idealisme

een twaalfde

Pina Bausch

een dertiende

het gewone leven

 

(Met dank aan een aantal mensen)

EN VOOR DE LIEFDE HE

Jef, we moeten shoppen.
Ha ja, Nikki?
Ja Jef. Zo zegt de reclame. Ik hoor de spots al dagen op de radio.
Tja, Nikki, dan moet je dat doen.
Jij niet, Jef? Een nieuwe televisie? Een nieuwe trui?
Nee Nikki, ik heb niks nodig, ik heb genoeg.

Jef?
Ja, Nikki?
Mijn vriend zegt dat hij voor mij een gouden armband wil kopen.
Aha.
Hij zegt dat hij met die armband zijn liefde zal bewijzen. Het zal een erg mooie armband zijn, zegt hij. Van witgoud.
Amai Nikki, witgoud, dat is mooi.
Dat is duur hé Jef.
Ja Nikki. Maar zo ben je zeker. Het zal een mooi geschenk zijn.

Jef?
Ja, Nikki?
Hij verwacht dat ik voor hem ook een juweel koop.
Een gouden armband, Nikki?
Of iets anders, Jef. Ik moet toch ook iets kopen hé Jef? En het mag wat kosten.
Ja, Nikki. Een gouden armband. Met een gouden slotje.
Ja, Jef. Zoiets.
Je moet immers shoppen hé Nikki?
Ja, Jef. Zo zegt de reclame. En voor de liefde hé Jef.

NOG KLEUREN

LeWitt05
“Een mens zou er vrolijk van worden. “
“Van wat, Jef?”
“Van al die kleuren.”
“Ja maar, Jef, je begreep het toch niet?”
“Nee, Nikki, nog altijd niet.”
“En wat zei je, Jef? Dat je er vrolijk van wordt?”
“Ha ja hé Nikki!”
“Dat is dan goed hé Jef?”
“Ja hoor Nikki. Vrolijkdronken ben ik, Nikki.”
“Heb je gedronken, Jef?”
“Ja, Nikki. Hahaha! Water! Ik heb veel water gedronken!”

Afbeelding: Sol Lewitt, Wall Drawing 958, Splat, detail from Mass MoCA, November 2000, Acrylic paint, LeWitt Collection, Chester, Connecticut.
Bron: http://arttattler.com/archivesollewitt.html

KLEUREN

sol lewitt whirls and twirls

“Helaba!
Helaba, zeg ik!
Niemand reageert.
Waarom luisteren ze niet? Nu ja. Ik zal dan nog maar wat naar die prent kijken. Die prent, ja. Ik zal nog eens goed kijken. Ik begrijp haar niet. Is dat een kunstwerk? Maar dat is toch een muur? Een kunstwerk op een muur? Maar waarom? En hoe moet die verhuisd worden? Kunstwerken moeten toch naar een ander museum kunnen? Ze moeten die toch kunnen opheffen? Maar dit? Op een muur? Ik snap er niks van. Maar de kleuren vind ik tof, dat wel. Mooi, ook. Kleurrijk, in ieder geval. Ik zou er zelf door beginnen kleuren, als ik het zou kunnen!
Ha nee, ik kan niet kleuren. Ik heb zelfs geen kleurpotloden, en daarbij, ik zou niet weten waarom! Ik ben een volwassen mens! Nee nee, ik kleur niet.”

Afbeelding : Sol LeWitt, Wall Drawing 1152, Whirls and twirls (Met), detail, April 2005, Acrylic paint, LeWitt Collection, Chester, Connecticut.
http://arttattler.com/archivesollewitt.html

HET JONGETJE EN DE KNIKKER

Ladder to the moon, georgia o'keeffe

Het jongetje zegt ik wil de knikkers.
Het jongetje zegt ik wil mijn twee of drie vrienden.
Het jongetje leunt met zijn voorhoofd tegen het koele glas van het raam, het voelt koud, hij heft het hoofd twee of drie centimeter om de koude niet meer te voelen en hij houdt de straat in de gaten.
Het jongetje vraagt waar zijn mijn vrienden?

Hij zegt nog eens hij wil de knikkers en hij haalt ze alvast uit de kast en hij speelt, alleen. De vrienden zijn er niet, ze zijn op school, het jongetje loopt nog eens tot vlakbij het raam, kijkt en kijkt. Hij heeft drie knikkers in de linkerhand. Knikker 1 valt, knikker 2 valt, knikker 3 is speciaal. Knikker 3 is helemaal wit, met een ragfijne gouden draad, onvoelbaar, onzichtbaar – bijna.

Het jongetje bewaakt de ene knikker. Hij geeft hem nooit af, ’s nachts ligt de knikker onder zijn hoofdkussen, overdag zit hij in zijn linker broekzak.
Het jongetje kijkt, door het raam, naar de straat.
De school is nog altijd niet uit.
Hij neemt de witte knikker met de ragfijne gouden draad en legt hem in de palm van zijn hand. Hij strekt de hand. De knikker beweegt, een millimeter naar rechts, een millimeter naar links. De knikker blijft, de gouden draad blijft, zo fijn.
Nu is de school bijna uit.
Het jongetje neemt de mooiste knikker, steekt hem terug in zijn linker broekzak maar omknelt hem. Het jongetje voelt, en ziet nog steeds het fijne ragfijne, de ielgouden draad, op het wit.

(sic, natuurlijk)

Afbeelding:Ladder to the Moon, Georgia O’Keeffe, via http://biblioklept.org/2014/02/12/ladder-to-the-moon-georgia-okeeffe/

LISA II (LISA LISA)

Jef zegt:
“Nikki, we waren vijftien. Zo jong nog. Ze was erg mooi.

Ik heb haar huid een paar keer mogen aanraken, dat was nieuw voor mij, alles werd nieuw, de wereld veranderde naar een wereld waar veel meer knalgroen en zachtwit in voorkwamen.

Ik voelde ik voelde een waterval, denk ik. Een waterval van gevoelens, en die duurde enkele dagen.

Haar huid, Nikki, ze was zo zacht.

Ik liet me meeslepen door haar, door haar ogen, door de zachte welvingen onder haar blouse.

Ik raakte haar dij aan, haar linkerdij, door de stof van haar jurk, ik had nooit eerder een dij aangeraakt, ik geloof dat ik nooit meer zo verliefd geweest ben, zo hunkerend naar meer maar we hielden afstand.

We namen afscheid. Een paar aanrakingen, dat was alles. Ik zag haar niet meer terug.

Lisa, heette ze. Lisa.”

ORANJE WIT ORANJE WIT

“En het leven is goed geweest voor mij. Er waren wat zwarte periodes maar al bij al, nu ik terugkijk, ja, het was goed. Paarden, vlinders en klaprozen in de tuin, wat kan een mens meer verlangen? Goeie tabak en een pijp natuurlijk. En goede buren. En een rustige straat en hoog overvliegende vliegtuigen.”
Jef zweeg. Waarschijnlijk hadden zijn gedachten zich in zo’n katoenen ligstoel genesteld, bestaan die stoelen nog? Ze waren eenvoudig en verstelbaar, ze waren ofwel effen, ofwel met strepen. Als je er in zat kon je de vroege lentezon op je gezicht en op je handen voelen. Waren ze van katoen? Of heet dat canvas?
Jef neuriede iets. Hij zat in zo’n stoel, en met zijn hoofd tussen de violen, wist ik.
deckchair orange
afbeelding via google.

HET GROTE GELIJK

stravinsky
“Ha, maar ze hebben allemaal gelijk,” zegt Jef. “De rode, de groene, de witte, de zwarte, de gele, de gestippelde – ze hebben allemaal gelijk en ze weten het. Kijk, rood slaat met zijn hand op de tafel, groen doet het hem na, wit wacht nog even af maar staat dan bruusk op en steekt een vuist in de lucht, oranje rommelt in zijn papieren, vindt het goede blad, zwaait er mee en gooit het demonstratief op de tafel – ze hebben allemaal gelijk.”
Iemand vraagt of Jef een grapje maakt.
“Maar nee, natuurlijk niet, ik ben bloedserieus, en zij ook, zij zijn zo serieus dat hun gezicht voor eeuwig in die plooi blijft staan want ze hebben allemaal zo veel gelijk als er water naar de zee stroomt, miljarden liters gelijk, en ze hebben nog meer gelijk, zo veel als er gisteren water uit de lucht is gevallen, miljoenen regenbuien, orkanen en stormen van gelijk, ik zeg het u, en ze menen het zo erg dat ze die plooien van hun gezichten strak met hun vingers vasthouden, de vingers prikken er hier en daar door, komen langs de neusgaten terug naar buiten en het is geen zicht, dat weet ik, maar toch is het zo en het bewijst hun allergrootste gelijk, zowel van wit als van zwart als van oranje of oker of hemelsblauw of okkernotenbruin, hun kleur maakt zelfs niet uit, het is enkel het gelijk dat belangrijk is. Kijk maar, ze menen het, ze staan in alle ernst op, ieder steekt een arm, twee armen, drie armen in de lucht, ze zeggen dat ze het woord willen nee ze nemen het woord allemaal tegelijk, de ene praat, de andere praat, de andere anderen praten even goed en luid en gelijk, een lange lijn is het, hun gelijk, het loopt van de ene kust naar de andere en zo naar Azië, verdomd en ook daar hebben groen en blauw en vierkantsrood en driewerfgroen allemaal gelijk, tegelijk.”
“Hier, luister en kijk wat naar Stravinsky, begot:



(link via openculture.com)

MEI

maar het weer is niet goed voor de zonnebloemen; een serre vol, en slechts een derde zal overleven, het is te koud, zie je, en er is veel te weinig licht
en verderop, in een andere serre, staan de rozen te wachten tot ik langskom en tot ik kijk naar hun witheid, naar hun schijn van open en buiten, in volle zon

(afb: Paul Gauguin, ‘Van Gogh peignant des tournesols’)

gauguin_0

dd. 30/5/2013