LISA II (LISA LISA)

Jef zegt:
“Nikki, we waren vijftien. Zo jong nog. Ze was erg mooi.

Ik heb haar huid een paar keer mogen aanraken, dat was nieuw voor mij, alles werd nieuw, de wereld veranderde naar een wereld waar veel meer knalgroen en zachtwit in voorkwamen.

Ik voelde ik voelde een waterval, denk ik. Een waterval van gevoelens, en die duurde enkele dagen.

Haar huid, Nikki, ze was zo zacht.

Ik liet me meeslepen door haar, door haar ogen, door de zachte welvingen onder haar blouse.

Ik raakte haar dij aan, haar linkerdij, door de stof van haar jurk, ik had nooit eerder een dij aangeraakt, ik geloof dat ik nooit meer zo verliefd geweest ben, zo hunkerend naar meer maar we hielden afstand.

We namen afscheid. Een paar aanrakingen, dat was alles. Ik zag haar niet meer terug.

Lisa, heette ze. Lisa.”

ORANJE WIT ORANJE WIT

“En het leven is goed geweest voor mij. Er waren wat zwarte periodes maar al bij al, nu ik terugkijk, ja, het was goed. Paarden, vlinders en klaprozen in de tuin, wat kan een mens meer verlangen? Goeie tabak en een pijp natuurlijk. En goede buren. En een rustige straat en hoog overvliegende vliegtuigen.”
Jef zweeg. Waarschijnlijk hadden zijn gedachten zich in zo’n katoenen ligstoel genesteld, bestaan die stoelen nog? Ze waren eenvoudig en verstelbaar, ze waren ofwel effen, ofwel met strepen. Als je er in zat kon je de vroege lentezon op je gezicht en op je handen voelen. Waren ze van katoen? Of heet dat canvas?
Jef neuriede iets. Hij zat in zo’n stoel, en met zijn hoofd tussen de violen, wist ik.
deckchair orange
afbeelding via google.

HET GROTE GELIJK

stravinsky
“Ha, maar ze hebben allemaal gelijk,” zegt Jef. “De rode, de groene, de witte, de zwarte, de gele, de gestippelde – ze hebben allemaal gelijk en ze weten het. Kijk, rood slaat met zijn hand op de tafel, groen doet het hem na, wit wacht nog even af maar staat dan bruusk op en steekt een vuist in de lucht, oranje rommelt in zijn papieren, vindt het goede blad, zwaait er mee en gooit het demonstratief op de tafel – ze hebben allemaal gelijk.”
Iemand vraagt of Jef een grapje maakt.
“Maar nee, natuurlijk niet, ik ben bloedserieus, en zij ook, zij zijn zo serieus dat hun gezicht voor eeuwig in die plooi blijft staan want ze hebben allemaal zo veel gelijk als er water naar de zee stroomt, miljarden liters gelijk, en ze hebben nog meer gelijk, zo veel als er gisteren water uit de lucht is gevallen, miljoenen regenbuien, orkanen en stormen van gelijk, ik zeg het u, en ze menen het zo erg dat ze die plooien van hun gezichten strak met hun vingers vasthouden, de vingers prikken er hier en daar door, komen langs de neusgaten terug naar buiten en het is geen zicht, dat weet ik, maar toch is het zo en het bewijst hun allergrootste gelijk, zowel van wit als van zwart als van oranje of oker of hemelsblauw of okkernotenbruin, hun kleur maakt zelfs niet uit, het is enkel het gelijk dat belangrijk is. Kijk maar, ze menen het, ze staan in alle ernst op, ieder steekt een arm, twee armen, drie armen in de lucht, ze zeggen dat ze het woord willen nee ze nemen het woord allemaal tegelijk, de ene praat, de andere praat, de andere anderen praten even goed en luid en gelijk, een lange lijn is het, hun gelijk, het loopt van de ene kust naar de andere en zo naar Azië, verdomd en ook daar hebben groen en blauw en vierkantsrood en driewerfgroen allemaal gelijk, tegelijk.”
“Hier, luister en kijk wat naar Stravinsky, begot:



(link via openculture.com)

MEI

maar het weer is niet goed voor de zonnebloemen; een serre vol, en slechts een derde zal overleven, het is te koud, zie je, en er is veel te weinig licht
en verderop, in een andere serre, staan de rozen te wachten tot ik langskom en tot ik kijk naar hun witheid, naar hun schijn van open en buiten, in volle zon

(afb: Paul Gauguin, ‘Van Gogh peignant des tournesols’)

gauguin_0

dd. 30/5/2013