BOREAS – 4. HIJ ZILT, DE WIND

En de wind, hij beroert mijn handen en haren, hij streelt mijn gezicht, hij speelt met mijn wimpers en gooit

  • zilt
  • heden
  • verleden
  • toekomst
  • meer zilt

en kreunend, steunend, zuchtend en proestend verkent hij mijn lichaam. Hij streelt me met handen zo zacht en zo teer

en hij raakt met het zilt van zijn kracht

  • een eerste porie
  • een tweede porie
  • een derde en vierde en honderdste duizendste

en hij zegt “Rust, mijn kind,” en wiegt me, draagt me, legt me neer op een van zijn zachtste banken, herhaalt met een zucht en raakt

  • mijn eerste porie
  • de tweede
  • de honderdste duizendste

BOREAS – 3. DE WIND LIGT, DE WIND LUISTERT

Ligt de wind aan de voeten van een slanke jonge man in een elegant pak en weet hij dat de man wacht.
Zegt de wind dat hij met de man wil praten en beroert hij de stof van het pak.

De man voelt iets aan zijn linker bovenbeen, buigt het hoofd, vraagt zich af wat hij voelde.
Hij weet het niet
en hij vermoedt “Het was de wind.”

Denkt de man aan voorbije tijden van lange wandelingen en een nog langer durend stilzwijgen op een wrakhouten balk.
Denkt de man dat hij erover wil praten met de wind. Over het striemen van het zand en over de diepe groeven in het hout

en na enige aarzeling spreekt de man. Voelt hij dat de wind zijn mond beroert want deze god-wind wil de klanken en woorden van de lippen voelen. En hij luistert, hij luistert, de wind.

BOREAS – 2. HIJ RAAST, DE WIND

Hij raast, hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust hier of daar,
een seconde.

En opnieuw, en opnieuw.

Hij ziet kinderen en denkt: “Ik stop even,” en

rust.

Hij zal de graspleinen en de stranden ontzien, zal ze met niet meer dan een zachte bries raken.

“Ik zal ook de kinderen sparen,” zegt de wind.

Wat later zweeft hij over de duinen.
Hij ziet een gele boot, ziet een kleine man, ziet een kleine vrouw. Samen zitten ze liefde-
vol naast elkaar.
De wind zegt: “Ik wil hen niet raken,” en maakt een omweg.

Hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust een seconde, raast voort over de continenten, de oceanen, tot de polen.

Is hij plots boos? Laat hij zich gelden?

en

woedt hij voort? Cirkelt hij over straten en voetpaden? Neemt hij mee: strobalen, loszittende granen, sjaals van de vrouwen?

of

roept hij tegen de vogels “Kom, zweef met mij, vlieg met mij, vlieg mee op mijn adem”?

BOREAS – 1. HIJ ZEGT, DE WIND

‘behalve Boreas die hen naar huis zou blazen.’
(http://nl.wikipedia.org/wiki/Anemoi )


1. HIJ ZEGT, DE WIND

1 – Zegt de wind:
“Ik ben de wind. Ik zie de bomen, ik loop ernaartoe, ik raak ze aan, ik beroer de bladeren en de takken, ik raas langs de stammen.”

2 – Ik ben een toeschouwer.
Ik luister naar wat de wind zegt, ik kijk. Ik hoor en zie de bomen ruisen, de takken wiegen, de bladeren bewegen.

3 – Het is laat.

4 – Zegt de wind:
“Ik begeleid de zonsondergang. Ik help de lucht kleuren, ik help de zon om over alle landen te schijnen. Ik blaas, ik streel, ik zucht. En de kleuren veranderen.”

“Voor jou,” zegt de wind, “verdwijnt deze zon, even.”

5 – Ik blijf toeschouwer.
Ik luister, ik weet dat de wind gelijk heeft, dat het kleurenpalet verandert, dat de zon in de zee zakt en dat de golven de overgang naar de nacht begeleiden.

STOER

DE VLIEG.
Vlieg is bijzonder stoer en ze klopt zich op de borst.
“Ik ben dé vlieg,” zegt ze met luide basstem.
De andere vliegen kijken verveeld.
“Ben je daar weer?” zegt een van hen.
“Ja, ik ben dé vlieg,” zegt Vlieg.
Haar soortgenoten hebben ondertussen hun hoofd weer afgewend en kijken voort naar een film; mensen wervelen over een dansvloer en lijken een spel te spelen, dansend.
De vliegen kijken gebiologeerd en proberen het dansspel te begrijpen.
Stoere Vlieg gaat nu, breed gesticulerend, in hun gezichtsveld staan.
“Jullie moeten naar mij kijken en niet naar die mensen,” zegt ze.
De andere vliegen staan op en gaan de zaal uit. Buiten nemen ze vriendelijk afscheid van elkaar en vliegen ze naar huis.

NERGENS

3. ‘ACHTER’.

HET GRAAN
De mensen beseffen dat het hele graangebeuren, inclusief het spel van de wind met de aren, een minutieus opgezette show is

Want het graan bestaat niet meer, noch de velden.

RIJK, RIJKER (2)

HET BOEK
Iemand is het vergeten het ligt daar te liggen zou ik het mogen nemen de titel lijkt goed en ook de coverfoto en het is niet te dik het kan gerust in mijn tas ik zal eens rondkijken is er iemand in de buurt van wie het zou kunnen zijn of zal ik een tiental minuten wachten misschien beseft de eigenaar net op tijd dat hij of zij het hier heeft achtergelaten en dan kan ik hem of haar zeggen dat ik er op heb gepast?

Ik wil dat boek ik krijg nooit een boek wij kunnen dat niet betalen zegt mijn moeder en ze wil met mij niet naar de bibliotheek en ze zegt dat boeken voor slimme mensen zijn  en wij zijn niet slim zegt ze en dat wij dat nooit zullen worden en bovendien zijn wij arm zegt ze en arme mensen lezen geen boeken.

Zou die eigenaar echt niet komen want dan is dat boek van mij en ik ben de eerlijke vinder ik heb er tien minuten op gepast en ik heb echt echt gewacht maar nee er komt niemand dus nu is het boek van mij en kan ik het lezen wacht ik verstop het in mijn tas en als mijn moeder iets vraagt zal ik zeggen dat ik het gevonden heb en dat ik het zal lezen want het is een mooie titel en ik vind het een mooie foto en het papier is mooi en ik zal de letters koesteren en ik zal het goed bewaren en het voor de rest van mijn dagen bewaken.

RIJK, RIJKER

DE SCHOEN
Mijn naam is Schoen en ik ben doortrapt.
Ik heb mijn leven achter de rug en nu rijg ik niet-bijpassende veters door mijn gaten; ik heb geen andere.
Bestaan er schoenherstellers die gratis herstellen? Want ik heb geen geld voor operaties.

Ik heb goed gediend en ik had een rijk leven. Mijn eigenaar en ik zagen bergen en zeeën, dorpen en steden, mensen en dieren. De door ons afgelegde kilometers zijn ontelbaar. Ik heb geen logboek bijgehouden maar ik heb veel herinneringen en beelden in mijn neus.

Mijn eigenaar was mijn enige mede-wandelaar, maar hij heeft nooit geweten dat ik kon kijken, denken en zelfs praten. Ik had mijn evenbeeld aan die andere voet, links van mij, maar die schoen was enkel een dood object dat niet voor zichzelf kon denken.

Nu ben ik oud en heb ik mijn leven geleefd en doorleefd. Mijn onderzijde is flinterdun, vertoont gaten en zou eens mogen hersteld worden. Binnenkort word ik bij het vuil  gesorteerd en dan is het voor altijd gedaan, dan zal ik niet meer stappen en krijg ik eeuwige rust.

MISSCHIEN EEN ZONDAG

DE FIETS
Het is mooi weer en ze haalt de fiets uit de stalling.
Ze begint aan haar tocht: het eerste deel is bergaf, richting het centrum van het dorp, ze moet amper trappen en haar witte jurk wordt gedragen door de wind en het licht.

Ze kijkt recht in de zon.
Het is het eerste licht van de lente.

Hoe de warmte op haar huid?
Hoe de huid beweegt met het trappen?
Haar lichaam?
Haar haren?
Haar witte jurk?

Ze heeft het oude fietstempo teruggevonden. De schouders recht, de handen het stuur omklemmend, de benen en voeten gestaag trappend, soms harder, soms minder.
De zon
Het licht
Haar witte jurk
Haar haren

Ze kijkt naar de lucht, droomt weg bij de wolken, zijn zij een paard en een draak, vandaag?
Ze trapt en ze trapt, de jurk, het licht, de blote armen, haar blik.

Terug in de straat van haar huis springt ze van de fiets voor die helemaal stilstaat en loopt ze kort mee tot zij en de fiets helemaal willen stoppen. De kracht van haar voeten en kuiten, het stralende wit van de jurk, bijna in rust.

NOCH

DE BAARD
Leeftijd: enkele dagen tot enkele decennia.
Kleur: wit, bruin, zwart, grijs, rood, mix.
Lengte: 1 mm tot enkele tientallen centimeters.
Vorm: rond, vierkant en in moderne uitvoeringen: grillig.
Nut: masker, camouflage, warmte, gemak.
Onderhoud: wassen, knippen, trimmen.

als de baarden
als de baarden veel
als de baarden langer

Zij verhullen tranen noch brandende ogen.