BIJ DE BEESTEN

2. ‘LINKS’ (IN KLOKWIJZERZIN).

DE BOERDERIJ
Man en vrouw eten aan de keukentafel. Ze zijn alleen. De kinderen studeerden, vonden werk en verlieten jaren geleden de boerderij. Ze komen regelmatig op bezoek en vragen een paar keer per jaar of het niet beter zou zijn om de boerderij te verkopen.
Vader klopt dan zijn pijp uit, steekt ze leeg in zijn mond, staat op en gaat naar de stallen.
“Hij is bij zijn beesten,” zegt moeder dan altijd.
De kinderen antwoorden telkens hetzelfde: dat ze dat weten.
“Het zou toch beter zijn om te verkopen, hé moeder?” vragen ze dan.
“Hij is bij zijn beesten,” blijft het antwoord.

EEN GRIJS PAK EN DAN EEN BLAUW

DE VREEMDE
Zij noemen hem ‘vreemd’ omdat zij hem niet verstaan, zelfs niet als hij ar-ti-cu-leert.

Nochtans, zijn a’s zijn a’s en zijn b’s zijn b’s en zijn woorden zijn identiek aan de woorden in hun woordenboek.
Maar ze verstaan hem niet, neenee en ze zeggen tegen hun kinderen dat ze uit zijn buurt moeten blijven omdat zijn huidskleur, of omdat het uitzicht van zijn woning, of omdat zijn auto of zijn kleren of de lengte van zijn haren, of, of.
Op een dag dachten zij dat hij toch op henzelf begon te lijken, omdat hij een grijs pak droeg, en op een andere keer een blauw
maar het waren slechts kleine punten van overeenkomst, en al bij al bleken die overeenkomsten niet te kloppen.
Misschien had de vreemde zich, voor die twee gelegenheden, willen voordoen als een van de anderen? Of was het een stunt, een carnavalsgrap?
Daarna was hij zoals tevoren zichzelf en wezen dezelfden hem met de vinger, en zegden zij tegen hun kinderen dat ze hem moesten mijden, want dat zijn taal, of zijn kleren, of de lengte van zijn haren of van zijn baard of van om het even wat niet paste, niet goed was, niet juist was, niet geschikt was, of zoiets.

TELKENS

VANDAAG IS HIJ TOERIST
Hij zit ergens in het midden van de autobus. Vlak voor hem zitten twee blonde dames. Ze kijken nieuwsgierig achterom en knikken hem toe. Daarna ziet hij dat ze zitten te  fluisteren.
”Misschien,” denkt de toerist, maar zijn gedachten worden afgeleid door de heren rechts, ze praten met luide stem en hij mengt zich even in hun gesprek. Dan staat hij op en loopt hij tot bij de reisbegeleider.
Hij vraagt hoeveel kilometers ze vandaag zullen rijden en blijft nog even praten.
Hij keert terug naar zijn plaats en knikt de dames hartelijk toe. Hij ziet de vriendelijke schijn in hun ogen en de kraaienpootjes.
Als iedereen uitstapt voor een bezoek aan dit of aan dat, staat de toerist telkens in de buurt van de dames, of zij in de zijne.

’s Avonds zijn ze terug in de gemeente. Iedereen stapt uit, de meesten blijven kort napraten, sommigen spreken af voor de volgende week.
De man kijkt in de richting van de aarzelende dames. Ze knikken hem toe.

TWEE

DE WANDELAAR
Iedere middag gaat hij op pad en doorkruist hij de stad. Hij heeft goede schoenen en een fototoestel. Sommige foto’s zet hij op het web.
Hij loopt over de brug van de zwerver.
Hij ziet de toeristen op de oever.
Hij ziet de afvalcontainers van de brouwerij en maakt twee foto’s.
Hij ziet een meisje in een knalrode mantel huppelend de straat oversteken. Ze loopt tot bij een jonge vrouw en ze stappen hand in hand. Hij kijkt hen na.
De wandelaar herinnert zich zijn hand in de hand met zijn vader.
Het meisje hinkelt, haar hand nog steeds in de hand van de vrouw, de vrouw hinkelt bijna mee.
De wandelaar glimlacht, kijkt rond en vergeet zijn herinnering aan het voelen van de hand in die andere, grote hand.
Hij neemt zijn fototoestel en maakt twee foto’s.

HIJ IS LIEF

JAMAL
Jamal heeft een blonde vriendin, Christel.
Christels vader vindt Jamal een goede man. Jamal is immer arts, hij is verstandig, hij is lief voor Christel, hij is erg vriendelijk, praat correct en zonder accent.

“Ze lacht en ze is gelukkig, ja, ik denk dat ze gelukkig is,” zegt de vader.

Christel en Jamal staan te kussen aan de overkant van de straat. De vader kijkt door het raam, ziet hen, slikt en draait zich abrupt om.

PAGINA ZESENVEERTIG

DE STUDENT
Hij legt de bladwijzer tussen pagina’s vijf- en zesenveertig van het boek.
Hij staat op, loopt zijn kamer en het gebouw uit en wil naar het plein, enkele straten verder. De zon zal straks dit plein overgieten, weet hij.

Hij heeft een tafel voor zich alleen en bestelt een koffie.
Links hebben ze het over de nakende examens en over de weekends thuis, bij hun ouders. Op zondag wordt er samen ontbeten, moeder bakt pannenkoeken of spek met eieren.
Studenten aan een andere tafel hebben het over een filosoof en over zijn stellingen over medelijden. Ze laten vreemde termen en moeilijke woorden vallen.
Boekentassen, rugzakken en dikke mappen slingeren tegen de tafelpoten en los op het houten terras.
De zon verwarmt de tafels, het licht benadrukt de achtergelaten kringen van de vorige glazen en koffiekoppen.

TOT TEGEN

DEEL III. DE KUBUS.

1. ‘VOOR’.

DE ZWERVER
De zwerver hult zich in een deken. Hij vond die vlakbij de containers van de brouwerij.
Hij zit onder de brug, heeft het koud en begraaft zijn handen mee onder de deken. Hij duwt zijn neus tot tegen zijn knieën.
Een groepje mensen wandelt voorbij. Een gids voert het woord. Zij zijn toeristen, zij bezoeken de stad, haar rivier, haar talrijke bruggen.
De zwerver duwt zijn gezicht nog dieper, zodat nu ook zijn oren verdwijnen.

De toeristen zijn uit het zicht en uit het gehoor verdwenen.
De zwerver staat op, loopt naar de containers van de brouwerij, vindt enkele grote stukken karton en keert terug naar zijn brug.
Hij omhult zich met het karton, duikt nog dieper in de deken, probeert te slapen.

NEO

Dag 9, “Ik, Neo.”
Mijn naam is Neo.
Ik ben diegene die de dagen verdeelt en de zwaluwen telt. Ik ben diegene die de paardenbloemenpluizen beschrijft en de reeksen in kolommen giet. Ik ben de Neo.

Mijn taal is mijn taal, mijn woorden mijn woorden, mijn zinnen mijn ritme. Ik adem lucht en aarde, ik tintel in vele bedrijven, ik straal warmte naar de Zon. Zij ziet mij, zij keurt mijn gedragingen, zij luistert naar mijn vele verhalen en zij knikt bevestigend.
“Het is waar, Neo,” zegt zij.

Samen lachen wij.
Samen huilen wij als de mensen zich weer hebben laten vangen in hun kooien, in hun bunkers, in hun onderaardse en doodlopende gangen. Waar nodig bieden wij assistentie maar de boodschap luidt: wij zijn geen Engelen.
De Zon en ik geven licht, wij staan naast elkaar aan het firmament, men noemt ons ‘Sterren’.
Wij kijken naar de Engelen en zien hoe zij de mensen raken, aanraken, leiden. Wij zien ook dat dat niet altijd lukt; er zijn hopelozen.
De Engelen staan, stappen, zweven, vliegen. Zij kijken naar boven en weten en zien ons.

HIER

Dag 8, de rode draad.
De rode draad ligt hiér het dichtst bij de oppervlakte. Diegenen die goed kijken zien hem. Anderen hebben een bril of een vergrootglas nodig, nog anderen kunnen hem niet zien.
De rode draad beschrijft 1. de dagen en 2. de zijden van de kubus. De zijden van de kubus geven het leven weer.