TOEN, TOEN

Ik heb vaak aan je gedacht, zei hij. Die dag van het licht, weet je nog, toen, aan de Oosterschelde? Iedereen zat binnen en ik zag jou op het gras aan de uitgang van de haven, je keek naar de zeilboten. De zon en de wind speelden hun spel met je haren, ik kwam tot bij jou gelopen, weet je dat nog? Ik was buiten adem.

5/9

LUISTERDE LUISTERDE

Hoe gaat het met je ouders? En met je broer? Maar vooral, hoe gaat het met jou? Woon je terug in de Dorpsstraat? Nee? In een appartementje, zeg je? In de Holle Eikstraat? Ja, daar is het mooi, zei hij.
Ze luisterde luisterde en liet zijn stem diep in zich doordringen.

4/9

ONHANDIG

Ik ga, ik ga niet, ik ga, ik ga niet, twijfelde ze.
Ze ging.
Hij stond haar op te wachten.
Je bent mooi, zei hij.
Dank je, antwoordde ze.
Daar stonden ze dan, onhandig, verlegen.

3/9

BRANDEN

Morgen? Misschien. Ze was nog niet zeker. Ze zou hem een bericht sturen. Of niet. Gewoon zwijgen? Maar ze voelde zijn ogen nog branden in de hare, ze zag nog zijn glimlach, zijn blijdschap.

2/9

BIJNA

Maar hij was gehaast, zei hij, hij moest immers nog langs de boomgaard en het was al halfzes. Maar morgen wil ik je terugzien, kan dat? vroeg hij, en hij raakte bijna haar wang aan.
Ze knikte. Meer dan dat kon ze niet, ze had een krop in haar keel en ze voelde de tranen prikken.

1/9

HET IS HETZELFDE WATER

Weet je nog?
7 uur ’s ochtends, Le Sud, we zwommen en we hadden het water, het strand, het licht en de wereld voor ons alleen. De onmetelijkheid! Van het bestaan! Van de wereld! Hoe het water, de warmte, het licht en de lucht ons droegen!

Nu, jaren later, draagt en herbergt het water hun lichamen. Ze vochten en vechten, werden en worden gekocht, moesten en moeten grote sommen betalen, wisten of weten niet wat hen te wachten stond of staat en legden of leggen hun levens en kinderen in de handen van kwaadwillige dragers. Ze werden, worden gepropt en geslagen. Ze verdronken, verdrinken, ze stierven en sterven.

Het is hetzelfde water.

Onze zee is diezelfde zee, de golven zijn de golven en het licht het licht. Het water, de stranden, de zon en de wereld, zij zijn wat ze waren en zijn.
Hetzelfde toen, hetzelfde de laatste jaren en nu. Het is hetzelfde water.

EN WAT WE NOG HEBBEN

En zo.
Wordt gepropt.
In een vierkant:
De schoonheid.
De kleuren: geel rood roze groen blauw oranje oker het mooie taupe maar ook gebroken wit, fuchsia, donkergroen, nachtblauw en daarnaast de anjers en rozen en fresia’s en oleanders en de beukenhagen naast de notelaars en de essen en eiken. Vlakbij enkele springkastelen voor de kinderen en de pantoffels die ze zelf kozen en en en de langstdurende pyjamadagen in zachte sofa’s of in grote, warme tuinen met veelkleurige ballen en voor de groten heerlijke maaltijden en alle mogelijke vriendschappen en zomerse dagen en nachten met silhouetten van hoge bomen en de fonkelende sterren er vlak boven. En mix al de kleuren, kastelen en dagen met vijfenvijftig struiken van ieder vijfenvijftig margrieten (ze sterven uit maar voorlopig nog niet) en zeldzame vlinders in november of die van Nabokov, op papier. En mix voort met de boeken (het volledige proza van Poe, het Beginners van Carver en en en, en gedichten van Pavese en rode stenen en nog meer warme boeken of lachend of lief, naast een handwerk van draden en spelden van vissen en zeepaardjes, van naaisters en bakkers, van wegenwerkers en kraanmannen, van ballerina’s, toneelmeesters, vrachtwagenchauffeurs en vroedvrouwen.
Prop het leven en de hollende mensen en alles wat ze kunnen en liefhebben maar prop ook wat ze voelen nog, soms, als de haast weer voorbij lijkt, voor even.
Plus giraffen en tijgers en leeuwen plus alle katten en cavia’s en honden en al het gezelschap dat we willen, van dieren, van mensen, naast stiltes, naast niets.
En wat we nog hebben, al de joelende kinderen, al de bevende ouderen en ze lezen nog boeken of ze luisteren naar schlagers en mompelen mee maar ze zijn blij en gelukkig, nog even. En jongen en ouden kleuren de prenten, binnen en buiten de randen, voor altijd en graag, levenslustig, en helemaal gratis.

EN NOG EEN KLAVER

Maar van wat? vraagt hij.
Het is het eerste kwartier, zegt zij.
Van een man? vraagt hij.
En het is een heldere nacht, zegt zij.
Of van een vrouw? vraagt hij.
Kijk, nog late wandelaars, zegt zij.
Of van een kind, of van een ouder? vraagt hij.
En morgen, morgen is het een feestdag, zegt zij.
Of van de wereld? Van het gewicht? vraagt hij.
En er zijn nog madelieven, nog enkele, zegt zij. En nog een klaver, hier en daar.

BIJNA ONHERKENBARE IJSBEREN

Wat doe je? vraagt hij.
Genezen, zegt zij.
Hoe doe je dat? vraagt hij.
Een voor een, zegt zij.
Ja maar, zegt hij.
Ik meen het, zegt zij.
Hoe kan het? vraagt hij.
Met beide handen, zegt zij.
En het hoofd? vraagt hij.
Altijd, zegt zij.
Misschien moet je? vraagt hij.
Laat me de madelieven maar zelf, zegt zij.
Madelieven? vraagt hij.
Yes. En dadels en vijgen, en mooie doosjes, en schilderijen van bijna onherkenbare ijsberen, en vriendschapsbrieven, en een bosje met kleuren, en de vulkanen halverwege, en, en, en zegt zij.
Ja, je meent het, zegt hij.
Ja, het moet, zegt zij.
Ja, je zult, zegt hij.
O ja, het kan niet anders, zegt zij.

Norham Castle, Sunrise c.1845 Joseph Mallord William Turner 1775-1851 Accepted by the nation as part of the Turner Bequest 1856 http://www.tate.org.uk/art/work/N01981

HET IS DE TIJD VAN HET JAAR.

Nog meer namen? Goed.
(Goed, zeg ik, maar zo eenvoudig is dat niet.)
Ik neem me voor om, in de plaats, snel even mijn familieverhaal te schrijven; verwekt, geboren, geleefd, dood. De ene ziek, de andere dement, nog een andere in blakende gezondheid en gisteren honderd jaar geworden, tijd voor een feestje! De rest van de familie feest graag, dat is dan tenminste eenvoudig; hamburgers, hotdogs met zuurkool en mosterd of zonder, chips, nootjes, olijven, kaas, vijf soorten bier (Duvel, Estaminet, Stella, Jupiler, en dan dat ene nieuwe van brouwerij De Palm, hoe heet het ook weer?) en vijfentwintig verschillende soorten witte wijn en evenveel soorten Cava, naast een zeldzame fles Champagne.
‘Leest hier iemand?’ vraag ik, maar ik vraag het met mijn mond gesloten, ik vraag dus helemaal niks want het antwoord zou wel eens negatief kunnen zijn.
Strindberg, iemand?
Thoreau, iemand?
Terwijl ik om me heen kijk zie ik het rode boekje van Auster liggen, alweer Auster, maar mijn blik zoekt nu ook De Dubliners van Joyce, en ik schrijf met opzet de ‘De’ ervoor, laat de puntjesopdeizetters maar zagen, het kan me niet schelen.
Het ene noch het andere raak ik aan, mijn vingers zijn van karton en zouden snel vuur kunnen vatten, nog steeds.
Cornet.
Er is ook rode wijn, zeker tien verschillende flessen.
Er is een kar met veel licht, er zijn voetballen en honden, er zijn blote achterwerken, er zijn moppen en er is nog meer bier, nog meer vuile glazen of gewoon uit de fles en de chips en de olijven en kaas zijn op, ik vind er nergens meer, de kinderen, vast? Maar die hollen achter de ballen en achter de honden of vechten om wie de bal mag houden en wie met de honden een wandeling mag maken, maar het is donker, de moeders willen dat niet, sommige vaders ook niet en ze nemen nog een Estaminet, een Cornet of een Duvel en de moeders halen hun schouders op, roepen nog eens op de klein mannen, die komen terug en dan vliegt iedereen weer in de witte wijn, of andere.
En dan regent het.
Het is de tijd van het jaar.
Frank Deboosere zei het vanmiddag.
Iemand houdt een krant boven het hoofd.
Lectuur, denk ik.
Iemand anders een paraplu.
Cherbourg, denk ik.
Iemand tikt me op de schouder.
Hoe gaat het? vraagt hij.
Honderd jaar, zeg ik.
Ja, zegt hij.
Zoals de hortensia’s, de goeie sterke, en zoals de geldbomen met hun dikke stammen, zeg ik.
Ja, zegt hij.
Ginder zijn ze blauw, zeg ik.
Ik weet het, zegt hij.
En de rots aan de vuurtoren.
Ik weet het, zegt hij.
Het is de tijd van het jaar, zeg ik.
Ja, de tijd van het jaar, zegt hij.